borstwervelkolom
BORSTWERVELKOLOM : bouw en functie

 

 

 

 

 

 

 

 

De borstwervelkolom ( thoracale wervelkolom) bestaat uit 12 borstwervels ( thoracale wervels) met overal daartussen een tussenwervelschijf. De wervels en de tussenwervelschijven hebben gewrichtsvlakjes voor verbinding met de ribben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.1

De borstwervelkolom heeft een kyfose (fig.2) en geeft zo ruimte aan de longen en het hart.(fig.3) De ribbenkast ( thorax) zorgt ervoor dat die belangrijke structuren goed beschermd liggen. Men spreekt dan ook van een “thoracale kooi” (fig.4 en 5).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.2

                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

fig.3     

                                                                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.5 De thoracale kooi of thorax bestaat uit :

  • achterkant (dorsaal) : de thoracale wervels
  • voorkant ( ventraal) :  het borstbeen, dat uit 3 delen bestaat: manubrium sterni , corpus sterni en het processus xiphoïdeus
  • buitenkanten : de ribben ( costae)

De ribben zijn aan de achterkant ( dorsaal) verbonden met de wervels en de tussenwervelschijven. Aan de voorkant zijn de ribben via kraakbeen met het borstbeen verbonden (op de tekening blauw), behalve de 2 onderste ribben. Deze zijn niet met het borstbeen verbonden en worden daarom zwevende ribben genoemd.

De ribben kunnen we onderverdelen in:

  •        10 vaste ribben : hebben via kraakbeen een verbinding met het borstbeen.
  •          2 zwevende ribben die geen vaste verbinding hebben met het borstbeen.

De ribben kunnen, doordat ze aan de achterkant gewrichten en aan de voorkant flexibel kraakbeen hebben, meebewegen met de ademhaling. Bij inademing gaan de ribben wat naar buiten en omhoog en zo zet de borstkas uit. Bij uitademing gaan de ribben weer naar binnen en iets naar beneden en krimpt de borstkas weer in. (fig.6)

 

 

 

 

 

fig.6

Aan de onderkant van de thoracale kooi ligt het middenrif of diafragma en vormt de scheiding tussen de borstholte en de buikholte.
Het bestaat uit een grote platte koepelvormige spier met een centraal peesblad. Boven het diafragma liggen de longen en het hart, eronder de lever, de maag, de milt en darmen. In het middenrif bevinden zich 2 peesbladen met een opening, de Foramen Venae Cavae en de Hiatus Aorticus; door deze openingen lopen de onderste holle ader en de aorta. Het peesblad zorgt ervoor dat de openingen niet dicht kunnen gaan door het samentrekken van het diafragma. Het spiergedeelte bevat een opening voor de slokdarm.
Het diafragma speelt een belangrijke rol bij de ademhaling omdat aanspannen ervan de grootte van de borstholte doet toenemen, ten koste van de buikholte. (De andere manier van ademhalen is door het uitzetten van de ribben.)
De nervus phrenicus is de zenuw die het diafragma doet samentrekken. (fig.6)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.7

Dus : bij inademing komt er gemiddeld 3 á 4 liter lucht in de longen en zet de borstkas uit waarbij de ribben omhoog en naar buiten gaan. Hierbij gaat het middenrif naar omlaag. De borstholte wordt groter en de buikholte wordt kleiner(b). De buik komt daardoor bij inademing naar voren.Tijdens uitademing gebeurt het omgekeerde en wordt de buik weer platter(a).

Voor een goede en zeer instructieve informatie over de bewegingen van de borstkas tijdens ademhaling, zie :

http://www.digischool.nl/bioplek/animaties/longen/inhoudgaswisseling.html

                                                                                                                                         

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.8

 Fig.8 geeft een mooi overzicht van de thorax. Voor de duidelijkheid: van boven naar beneden zien we :

  • slokdarm (oesophagus) en luchtpijp (trachea)
  • clavicula (sleutelbeen)
  • doorsnede van de bovenarm (humerus) met daarachter het schouderblad (scapula)
  • ribben (costae) met de daartussen verlopende zenuwen (nn. intercostales)(geel gekleurd) en bloedvaten( rood gekleurd)
  • binnen in liggen de longen  
  • achter-onder de lever
  • voor-onder de dunne en dikke darm  

De wervels : 

De borstwervels hebben grote achteruitsteeksels(processi spinosi). (zie fig.9: thoracale 5= Th 5). De vlakjes op het wervellichaam en het dwarsuitsteeksel (Processus transversus) zijn de gewrichtsvlakjes voor de ribben.  

                                          

 

 

fig.9 : Th 5 ( 5* borstwervel) met aan de voorkant (ventraal) het wervellichaam. Aan de achterkant van het wervellichaam zien we 2 vlakjes: het bovenste vlakje is het gewrichtsvlak ( art. costovertebralis) van de 5* rib en het onderste vlakje het gewrichtsvlak van de 6* rib. Aan de achterkant (dorsaal) ligt het doornuitsteeksel (processus spinosus). Tussen het wervellichaam en de processus spinosus ligt de wervelboog (arcus vertebrae). Het botstukje dat uitsteekt is het dwarsuitsteeksel (processus transversus) met een gewrichtsvlak voor de 5* rib (art. costotransversale). Aan de bovenkant zien we het gewrichtsvlak voor de verbinding met de bovenliggende wervel (art.intervertebrale).

 

 

 

 

fig. 10 : Th 10 van bovenaf gezien. Onderaan zien we het wervellichaam met de benige randlijst. Daarboven de 2 bogen (arcus vertebrae) met de gewrichtsvlakken voor de verbinding met de bovenliggende wervel (art. intervertebrale). Boven de gewrichtsvlakken liggen de laminae die aan beide zijden uitmonden in de processi transversi en aan de achterkant in de processus spinosus.Het gat in het midden is het wervelgat of foramen vertebrale.

Discus intervertebralis of tussenwervelschijf :

 

 

 

                                     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 11 : Th 10 van bovenaf gezien met tussenwervelschijf (discus intervertebralis) met in het midden de kern (nucleus pulposus) en daaromheen de annulus fibrosis.

Tussen alle wervels ( behalve tussen achterhoofd en de 1* en 2* halswervel ) liggen de tussenwervelschijven. De functie van deze disci is:

  • beweging mogelijk maken tussen de wervels, maar ook het remmen van de beweging
  • opvangen van compressiekrachten (schokdemper)  

In de borstwervelkolom komt discusproblematiek veel minder vaak voor dan in de lage rug en nek. Dit komt omdat de discus bij uitpuiling de zenuwwortel meestal niet raakt omdat deze wat hoger ligt in vergelijking met de lage rug en nek. Daarnaast is de borstwervelkolom door de kooiconstructie van de thorax veel minder beweeglijk dan de lage rug en nek. In totaal is er wel een grote beweeglijkheid mogelijk, maar per wervelgewricht is dat maar heel weinig.

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

fig.12 : Een deel van de borstwervelkolom met tussen de wervellichamen de tussenwervelschijven. Tussen het wervellichaam en de lamina ligt het foramen intervertebrale (tussenwervelgat). Door deze foraminae treden de tussenribzenuwen ( nn.intercostales) naar buiten de wervelkolom.(geel). Hier is goed te zien, dat de foraminae wat hoger liggen dan in de lage rug (zie elders op deze site), waardoor de zenuwen bij uitpuiling van de tussenwervelschijf net iets meer ruimte hebben om niet bekneld te raken.

 Zenuwen :

 

 

 

 

 

 

fig.13 : de zenuwwortel verdeelt zich in 3 takken:

  1. ramus ventralis : loopt vanaf de wortel tussen 2 ribben door naar het borstbeen en innerveert daar de tussenribspieren, het botvlies van de ribben en borstbeen, de huid van de buitenste delen van de thorax en de ventrale thorax. Deze zenuw is de n. intercostalis of tussenribzenuw. 
  2. ramus dorsalis : loopt vanaf de wortel direct naar achter (dorsaal) en innerveert daar de gewrichten van de wervels en ribben, de kleine spiertjes rondom de wervelkolom (thoracale erector trunci), de huid rondom de wervelkolom, het botvlies van de betreffende wervels en ribben.
  3. ramus meningeus : een tak die direct terug de wervelkolom inloopt om de structuren binnen de wervelkolom te innerveren.

 

Spieren :

Thoracale erector trunci (strekkers van de borstwervelkolom) :

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

fig.14 : zie tekening midden en rechts : de thoracale erctor trunci is een zeer ingewikkeld systeem van korte en lange spiertjes die op de rug goed zichtbaar aan beide zijden van de doornuitsteeksels liggen. Ze maken deel uit van de erector trunci die helemaal van het achterhoofd tot aan het stuitbeentje loopt. De belangrijkste functies zijn:

  • (uit-)strekken van de borstwervelkolom
  • achteroverbrengen van de borstwervelkolom(extensie)
  • stabiliseren van de borstwervelkolom in alle richtingen

 

Tussenribspieren: mm. intercostales externi : 

Tussen de ribben zitten tussenribspieren. (je hebt binnenste en buitenste)
De buitenste tussenribspieren lopen van boven-achter naar schuin onder-vóór.
- Het bovenste aanhechtingspunt van deze spieren zit dicht bij de wervelkolom.
- Het onderste aanhechtingspunt zit dicht bij het borstbeen.

Buitenste tussenribspieren trekken zich samen => de borstkas gaat omhoog.
Maar door de manier waarop de ribben vastzitten aan de wervelkolom gaan ze ook nog iets naar buiten, dus gaat de borstkas naar voren.
Dat betekent dat de inhoud in de borstkas groter wordt. de longen volgen deze beweging, de longinhoud wordt dus ook groter, de druk in de longen wordt lager en verse lucht wordt in de longen gezogen.

Ventilatie (ademhaling)door beweging van de borstkas :

 
Hoe wordt er verse lucht in de longen gezogen ?
1.Buitenste tussenribspieren trekken zich samen => borstkas naar voren.
2.inhoud in je borstkas groter.
3.longen volgen deze beweging
4.longinhoud wordt ook groter
5.druk in je longen wordt lager
6.verse lucht wordt in de longen gezogen. 

Hoe wordt verse lucht uit de longen gezogen ? (bij normale en rustige ademhaling) 
1.de ribben en het borstbeen zakken door de zwaartekracht naar beneden.
2.Ruimte in borstkas wordt kleiner
3.longen volgen deze beweging
4.longvolume kleiner
5.lucht uit de longen gedreven.
Bij diepe uitademing helpen de binnenste tussenribspieren mee om de borstkas te verkleinen

                                                               

 

 

 

 

 

 

 

De tussenribspieren bestaan uit 2 groepen : m. intercostalis internus ( binnenste tussenribspieren) en de m. intercostalis externus( buitenste tussenribspieren).

De m. intercostalis externus loopt van midden-boven (mediaal-craniaal) naar buiten-onder (lateraal--caudaal). Bij aanspanning trekken ze de ribben naar omhoog en naar buiten : inademing (inspiratie).

Mm.intercostales interni :

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De m.intercostalis internus loopt van buiten-boven (lateraal-craniaal) naar midden-onder (mediaal-caudaal). Bij aanspanning trekken ze de ribben naar binnen en omlaag : uitademing   (expiratie).

                                                               

 

 

 

 

 

 

 

  De binnenste tussenribspieren bevinden zich tussen de punten 1 & 4.
  De buitenste tussenribspieren bevinden zich tussen de punten 2 & 3.

 

 

 

 

 

Ademhaling (respiratie): C=uitademing door mm. intercostale interni

                                   A=inademing door mm.intercostales externi 

                                   B= middenrif (diafragma) dat bij inademing naar onder (caudaal) en bij uitademing naar boven (craniaal) gaat. De ademhaling via het middenrif wordt buikademhaling genoemd. Bij inademing komt de buik naar voren en bij uitademing gaat de buik weer naar binnen(wordt platter).

               

  Ventilatie door beweging van het middenrif :

Middenrif = vormt de scheiding tussen borst en buikholte (zie boven)

De pleesplaat van het middenrif wordt door straalsgewijs lopende spieren verbonden net de wand van de lichaamsholte.

Ventilatie door beweging van het middenrif :

 Inademing :
1.Als de middenrifspieren samentrekken wordt de pleesplaat een klein stukje naar beneden getrokken.
2.Borstholte wordt ruimer
3.longen volgen deze beweging
4.longinhoud wordt groter
5.lucht in de longen gezogen.
Doordat het middenrif naar beneden gaat, drukt het op de organen van de buikholte, en de organen drukken de elastische buikwand iets naar voren. De buikwand komt naar voren. 

Uitademing:
1.de buikwand drukt de organen in het buikholte op hun plaats terug.De buik wordt weer platter. 
2.het middenrif komt omhoog
3.borstholte wordt kleiner
4.longinhoud kleiner
5.lucht wordt uit de longen gedreven.

In het algemeen is bij de rustige ademhaling de inademinsbeweging actief en de uitademingsbeweing passief ; alleen bij diepe bewegingen wordt deze deze ook actief. Bij diepe ademhalingsbewegingen worden de buikspieren verder uitgerekt, en bij diepe uitademingsbewegingen trekken deze spieren zich samen.

 Hulpademhalingspieren :

                
spieren die vanuit je nek naar je borstbeen lopen kan je gebruiken:
bij grote ademnood.

Spieren die van je schouderbladen naar je ribben lopen kan je gebruiken:
wanneer je het erg benauwd hebt. 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Borstspieren aan de voorkant ( ventrale thoraxmusculatuur) :

Links : boven-midden : m.sternocleidomastoïdeus ( loopt van het achterhoofd naar het borstbeen en brengt het hoofd naar voor en heft de thorax). Het buitenste deel van de spier hecht aan het sleutelbeen (clavicula).

       : boven-buiten : het bovenste deel van de M. trapezius ( m.trapezius descendens). Trekt de schouder omhoog (elevatie) en het hoofd opzij (lateroflexie).

       : onder het sleutelbeen : m.pectoralis major (grote borstspier) waarvan de belangrijkste functies zijn : het naar binnen brengen(adductie) en naar binnen draaien van de bovenarm (endorotatie).

Rechts : A= m.pectoralis minor ( kleine borstspier).Functie : trekt de schouder naar beneden (depressie).

            B=m.serratus anterior (zaagvormige spier). Functie : brengt de schouder naar vóór (protractie).

 

 

Borstspieren aan de achterkant (dorsale thoraxmusculatuur): 

F: m.trapezius descendens (bovenste deel)( afdalende monnikskapspier).      Functie: trekt de schouder omhoog(elevatie) en het hoofd opzij (lateroflexie).

    m.trapezius ascendens (onderste deel)( opstijgende monnikskapspier). Functie : trekt de schouder naar beneden (depressie) en naar achter (retractie).

C: m.levator scapulae Functie: heffer van het schouderblad (elevatie).

D: m.rhomboïdeus (bovenste deel) Functie : trekt schouderblad omhoog (elevatie) en naar binnen (retractie). 

E: m.rhomboïdeus (onderste deel) Functie : trekt schouderblad naar binnen (retractie).

 

De grote spier aan de linkerkant onder de m.trapezius is de m. latissimus dorsi. Functie: drukt de romp omhoog tijdens steunen op de armen (aktieve steun) en draait de bovenarm naar binnen (endorotatie).