
De anatomie (bouw) van de CWK :

Fig.1
De wervelkolom bestaat in totaal uit 34 wervels. De halswervelkolom (CWK) bevat 7 wervels; de borstwervelkolom (TWK) uit 12 wervels; de lendenwervelkolom (LWK) uit 5 wervels; het heiligbeen (Sacrum) uit 5 wervels die aan elkaar gegroeid zijn en het staartbeen (os coccygis) ook uit 5 wervels die aan elkaar gegroeid zijn.
De halswervelkolom (CWK) bestaat uit 7 wervels en bevindt zich tussen het achterhoofd en de schouderlijn.( fig. 1) De wervels zijn benoemd naar hun ligging en heten van boven naar onder :C1,C2,C3,C4,C5,C6 en C7. ( fig.4)
De bovenste wervel ( C1 ) is de “atlas” ( genoemd naar de mythologische figuur Atlas, die de wereldbol droeg). (fig.2). Deze wervel ligt tussen het achterhoofd en C2 (de "draaier").


Fig.2 en Fig.3
Fig.3: Atlas van boven gezien. Het gat in het midden is het wervelgat (foramen vertebrale) dat samen met de wervelgaten van de andere wervels het wervelkanaal vormt waar doorheen het ruggenmerg loopt. De vlakken aan de bovenkant zijn de gewrichten ,waarmee de atlas contact en beweging maakt met de gewrichten van het hoofd ( Co = C nul ). De gaten aan beide zijkanten zijn uitsparingen waar doorheen ( goed beschermd!) de belangrijkste bloedvaten naar het hoofd en hersenen lopen (wervelslagader of a. vertebralis). De buitenste uitsteeksels ( arcus lateralis) zijn beiderzijds goed voelbaar onder de oorlellen. Daarachter voelt u 2 grote botstukken van het achterhoofd ( processus mastoïdeus) en als u van daaruit recht naar beneden gaat voelt u de zijuitsteeksels van de C1.

Fig.4 : Atlas (C1) als bovenste wervel van de halswervelkolom. In het wervelgat ligt een uitsteeksel van de tweede wervel.(fig.5) Dit uitsteeksel heet tand (dens) en om deze tand draait de atlas. Deze dens (in het plaatje de ronde structuur boven in het wervelgat) wordt op zijn plaats gehouden door een bandje ( ligamentum transversum), dat voorkomt dat de dens tegen het ruggenmerg zou komen. Aan het feit dat de atlas om de tand van de 2* halswervel (C2) draait ontleent deze haar naam : “draaier” of "Axis" .(fig.6) Aan de bovenkant van C2 (fig.6 en 7) vinden we de dens en aan weerszijden daarvan de gewrichtsvlakken ,waarmee er contact en beweging mogelijk is met de atlas.

Fig. 5.

Fig.6.

Fig. 7.
Het achterste uitsteeksel van C2 (Processus spinosus) is vrij groot en is goed voelbaar. Als u van het midden van het achterhoofd recht naar beneden gaat, is het de eerste botstructuur die u voelt. Deze processus spinosus heeft een vorm van een "V" en is groter en breder dan alle andere.

Fig. 8.
De overige wervels van de halswervelkolom (C3 tot en met C7) hebben een vrij overeenkomstige bouw en worden , in tegenstelling tot Co-C1 en C1-C2 ,met elkaar verbonden door tussenwervelschijven (discus intervertebralis ). De tussenwervelschijf is in fig.9 rechts te zien tussen de 2 wervellichamen in. De beweging tussen de wervels onderling vindt plaats in de gewrichten. Tussen C2 en C7 worden deze facetgewrichten genoemd, omdat de gewrichten slechts 1 gewrichtsfacet hebben en dus vrij vlakke gewrichtjes zijn. Deze gewrichten schuiven als dakpannen over elkaar als we ons hoofd bewegen.De botpunten aan de achterkant van de halswervelkolom ( in fig.9 links) zijn de achteruitsteeksels (processi spinosi) die voelbaar zijn als u precies in het midden van uw nek voelt.

Fig.9.
Fig. 10.
Fig.10 toont C 3 van de boven- en zijkant. Het grote botdeel is het wervellichaam (corpus vertebrae) met de tussenwervelschijf (grijs getekend).Het gat is het wervelgat (foramen vertebrale) , dat samen met de andere wervels over de gehele wervelkolom van boven tot onder het wervelkanaal ( canalis vertebralis) vormt , waarin het ruggenmerg ligt. De beide gaten aan de zijkanten van het wervellichaam zijn de gaten waar doorheen de wervelslagader ( a. vertebralis) verloopt naar het hoofd en hersenen. De structuren aan weerszijden van het wervelgat zijn de gewrichtsvlakken.
Tussen het wervellichaam en het facetgewricht ligt een geultje , waar doorheen de zenuwwortel loopt vanaf het ruggenmerg naar buiten de wervelkolom in de richting van arm en hand. ( fig. 11 en 12) In de arm en hand verzorgen deze zenuwen het gevoel van de verschillende structuren en de kracht van de spieren.( hierover later meer)
Elke zenuwwortel heeft een vast verloop naar een specifiek huidgebied, naar specifieke spieren, naar specifieke gewrichten,enz.( U kunt het vergelijken met een “groep” in de meterkast,waarvan de stroomdraad, die bij één stop hoort, naar specifieke lichtpunten, stopcontacten,elektrische apparaten,enz. verloopt.) De buitenste botstukken van de wervels zijn de dwarsuitsteeksels of processi transversi. Deze botpunten zijn ook goed voelbaar. Als u in de nek de pulsaties van de bloedvaten voelt en u brengt de vingertoppen iets naar achter, dan voelt u daar de processi transversi.


- aan de voorkant een sterke band: het ligamentum longitudinale anterius. Hierdoor kan de discus niet naar vóór wegschuiven.
- aan beide zijkanten een opstaande rand van het wervellichaam: de uncus of processus uncinatus. Hierdoor kan de discus niet naar links of rechts wegschuiven.( vergelijk het met het matras van het bed dat door de planken rondom het bed op zijn plaats blijft).
- aan de achterkant een klein opstaand randje en het ligamentum longitudinale posterius (achterste in de lengte verlopende band).
Dit alles zorgt ervoor dat de cervicale discus goed op zijn plaats blijft.Dit is ook de reden dat er in de CWK veel minder discusproblemen (als hernia's) voorkomen, dan in de lendenwervelkolom.
Op vrij jonge leeftijd (rond de pubertijd) echter treden er grote veranderingen op in de tussenwervelschijven van de halswervelkolom. De mooie structuur zoals hierboven beschreven verandert en de disci worden dunner. Dit is heel normaal en treedt bij iedereen op. Het nadeel hiervan is dat de beweeglijkheid een stuk minder wordt, maar het voordeel is dat de disci nóg beter beschermd komen te liggen en door de verminderde beweeglijkheid minder kwetsbaar zijn.


- De CWK is licht lordotisch, d.w.z. dat de halswervelkolom een gering hol verloop heeft. De curvaturen van de lendenwervelkolom, de borstwervelkolom en de halswervelkolom moeten in evenwicht zijn.In dat geval staat het oor boven de schoudertop en staat het gelaat verticaal. (zie fig.16) Hoek 2,3 en 4 moeten gelijk zijn aan elkaar. Staat het oor vóór de schoudertop dan spreken we van een anteropositie van het hoofd. Staat het oor achter de schoudertop dan spreken we van een retropositie.(fig.21)
In het frontale aanzicht moeten de oorlijn, ooglijn en de mond horizontaal staan. De neus staat in een verticale lijn met de holte boven het borstbeen.
- Bij het achteraanzicht zijn beide oren in gelijke mate zichtbaar.
- vooroverbuigen (flexie of anteflexie)
- achteroverbuigen (extensie of retroflexie)
- zijwaarts buigen (lateroflexie links en rechts)
- draaien (rotatie links en rechts)
- combinaties van deze bewegingen
Fig. 17,18 en 19 geven de gemiddelde bewegingsuitslagen aan tussen C2 en Th.1 en het valt op dat de beweging in alle richtingen het grootst is op niveau C5-C6. In deze statistieken is de beweging op de niveaus C0-C1-C2 niet opgenomen.



- Bij het vooroverbuigen (flexie of anteflexie) moet de kin de borst kunnen raken (met de tanden op elkaar) en heeft de CWK een recht verloop. De CWK mag niet hol blijven of bol worden. (fig.20)

- Bij het achteroverbuigen (extensie of retroflexie) moet de neuslijn horizontaal komen als de tanden op elkaar blijven. Met de mond open dient de voorhoofdslijn horizontaal te komen.(fig.21)

- Bij het zijwaarts bewegen (lateroflexie) moet de hoek van het hoofd met de schouderlijn ongeveer 45 graden zijn. De hoek moet links gelijk zijn aan die van rechts.(fig.22)

- Bij de rotatie moet (van boven uit gezien) de neus boven de schoudertop komen.Daarnaast moet de draaiing links en rechts hetzelfde zijn.(fig. 23)

- maken beweging van de nek mogelijk
- zorgen voor de stabiliteit van de nek, zowel aktief als passief
- begrenzen de bewegingen van de nek
Door het verloop van de meeste spieren van de CWK kan het hoofd goed rechtop gehouden worden. Ze lopen van buiten-onder (lateraal-caudaal) naar midden-boven (mediaal-craniaal). Vergelijk het met een hoge mast : Om de mast stabiel te houden loopt ook hier de tuigage van buiten-onder naar midden-boven! (zie fig.24)




Fig. 27. M.sternocleidomastoïdeus : Deze spier loopt van het borstbeen (sternum) en sleutelbeen (clavicula) naar het os mastoïdeus.
Functie : bij enkelzijdige aanspanning : lateroflexie en rotatie
: bij dubbelzijdige aanspanning : flexie van de halswervelkolom
Deze spier is van de buitenkant goed waarneembaar als je in ruglig het hoofd heft.


Fig. 28. M. longus colli (op tekening rood) : loopt van de wervellichamen van Th1-Th3 en de processi transversi van C3-C7 naar de arcus anterior van C1 en de wervellichamen van C2-C4.
Functie : flexie en rotatie van de CWK.
( de grijsgekleurde spieren zijn de mm.scaleni : m.scalenus anterior,medius en posterior)
Spieren aan de zijkant (lateraal) van de halswervelkolom :

Fig.29.
Spieren aan de achterkant (dorsaal) van de halswervelkolom :

Fig.30. M. splenius capitis met origo t.h.v. onderste deel van lig. nuchae,processus spinosus en lig.supraspinale van th.1-3.
De spier insereert aan het laterale deel van de linea nuchae van het achterhoofd.
Functie : extensie en rotatie van de cervicale wervels
Fffffffffi

Fig. 31. korte nekspieren
De afgebeelde spieren zijn:
1. = m. rectus captitis minor
2. = m. rectus capitis major
3. = m. obliquus capitis superior
4. = m. obliquus captitis inferior


- pars descendens ( de van boven naar beneden verlopende vezels)
- pars tranversus ( de dwars verlopende vezels)
- pars ascendens ( de van beneden naar boven verlopende vezels)
Overzicht van de spieren van de nek met functie en innervatie:
|
CERVICAL MUSCLES |
FUNCTION |
NERVE |
|
Sternocleidomastoid |
Extends & rotates head, flexes vertebral column |
C2, C3 |
|
Scalenus |
Flexes & rotates neck |
Lower cervical |
|
Spinalis Cervicis |
Extends & rotates head |
Middle/lower cervical |
|
Spinalis Capitus |
Extends & rotates head |
Middle/lower cervical |
|
Semispinalis Cervicis |
Extends & rotates vertebral column |
Middle/lower cervical |
|
Semispinalis Capitus |
Rotates head & pulls backward |
C1 – C5 |
|
Splenius Cervicis |
Extends vertebral column |
Middle/lower cervical |
|
Longus Colli Cervicis |
Flexes cervical vertebrae |
C2 – C7 |
|
Longus Capitus |
Flexes head |
C1 – C3 |
|
Rectus Capitus Anterior |
Flexes head |
C2, C3 |
|
Rectus Capitus Lateralis |
Bends head laterally |
C2, C3 |
|
Iliocostalis Cervicis |
Extends cervical vertebrae |
Middle/lower cervical |
|
Longissimus Cervicis |
Extends cervical vertebrae |
Middle/lower cervical |
|
Longissimus Capitus |
Rotates head & pulls backward |
Middle/lower cervical |
|
Rectus Capitus Posterior Major |
Extends & rotates head |
Suboccipital |
|
Rectus Capitus Posterior Minor |
Extends head |
Suboccipital |
|
Obliquus Capitus Inferior |
Rotates atlas |
Suboccipital |
|
Obliquus Capitus Superior |
Extends & bends head laterally |
Suboccipital |
- lig. longitudinale anterius (1 en 2) ligt aan de voorzijde van de wervellichamen over de volledige lengte van de wervelkolom.
- lig.longitudinale posterius (6) ligt aan de achterkant van de wervellichamen over de volledige lengte van de wervelkolom. (Zie ook plaatje links-onder)
Banden van de wervelboog zijn :
- ligg. flava (14) liggen aan de achterkant van het wervelkanaal en aan de voorkant van de tussenwervelgewrichten en lopen van boog naar boog.(Zie ook plaatje rechts-onder)
- ligg. interspinalia (15) liggen tussen 2 processi spinosi.
- lig.supraspinale (16) loopt over de processi spinosi heen over de volledige lengte van de wervelkolom. In de cervicale wervelkolom is deze band verbreed en heet daar lig. nuchae.
- lig.nuchae verloopt van craniaal naar caudaal tussen de protuberantia occipitalis en de vertebra prominens ( 7* halswervel ) en komt overeen met het craniaal verbrede lig.supraspinale (fig.36)
- ligg. intertransversaria lopen van wervel naar wervel tussen de processi transversi.




Centrale en perifere zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Vanuit en naar het centraal zenuwstelsel lopen uitlopers van zenuwcellen van en naar alle delen van het lichaam. Dit heet het perifere zenuwstelsel. Via die zenuwcellen worden er signalen doorgegeven van en naar de hersenen. Het perifere zenuwstelsel bevat motorische en sensorische zenuwcellen. Motorische zenuwen sturen signalen naar de spieren vanuit het centrale zenuwstelsel, zodat je kunt bewegen. Sensorische zenuwen sturen signalen terug naar het centrale zenuwstelsel, zodat je kunt waarnemen (voelen, horen, ruiken, weten wat de stand is van je ledematen, enzovoorts).
Centrale zenuwstelsel
De hersenen en het ruggenmerg worden beschermd door het hersenvlies (fig.36). Dit hersenvlies bestaat uit drie lagen (dura mater, spinnenwebvlies of arachnoid, pia mater). Tussen de twee binnenste lagen circuleert er hersen- en ruggenmergvloeistof (liquor cerebrospinalis). Deze vloeistof wordt gemaakt in de hersenen. Het vocht wordt afgevoerd in de aderen. Het vlies is, samen met de hersen- en ruggenmergvloeistof, een soort stootkussen rond de hersenen en het ruggenmerg (en beschermt dus, samen met de schedel, de hersenen). Het ruggenmerg wordt beschermd door de wervelkolom.

Fig. 37
Bouw ruggenmerg
Hieronder zie je een plaatje van de doorsnede van het ruggenmerg :

Fig.38
1=achterhoorn 2=zijhoorn 3=voorhoorn 4=dorsale wortel 5=spinale ganglion 6=ventrale wortel 7=spinale zenuw 8=sensibele zenuw 9=motorische zenuw
Het ruggenmerg is een kolom van zenuwweefsel. Het is een soort kabel van zenuwen met vele vertakkingen door het wervelkanaal. Aan het merg bevestigde ruggenmergzenuwen (1) zenden boodschappen aan en vanuit alle lichaamsdelen van en naar de hersenen. Het ruggenmerg is ongeveer 45 cm lang en loopt van de hersenen omlaag naar de onderrug. Rond het ruggenmerg ligt een beschermende schacht en een vochtlaag, die bescherming bieden en als schokdempers fungeren. Het ruggenmerg en de buitenlagen ervan lopen door een hol kanaal van wervels (het wervelkanaal), dat het merg een sterk, beschermend omhulsel geeft. Door het ruggenmerg loopt een centrale, H-vormige kern van grijze stof of grijze substantie (1,2 en 3). In deze grijze substantie liggen cellichamen van zenuwcellen.
De grijze substantie wordt verdeeld in voor- en achternhoornen. Om de grijze stof heen ligt de witte stof of witte substantie. Hier liggen uitlopers van schakelcellen. De witte substantie, die bestaat uit zenuwvezels, geeft informatie door naar en vanuit de hersenen.
De achterhoornen van de grijze substantie (dat zijn de ‘uitlopers’ aan de achterzijde van de grijze substantie) verwerken sensorische informatie (8) zoals aanraking, pijn, temperatuur en gewrichtssensaties. De voorhoornen bevatten motorische zenuwcellen(9), die boodschappen doorgeven aan de spieren. De sensorische zenuw (8) heeft, juist voordat de zenuw in het ruggenmerg loopt, een cellichaam, het spinale ganglion (5).
De sensorische wortel (8) en de motorische wortel (9) komen net buiten het wervelkanaal samen en vormen de spinale zenuw (7).

Fig. 39 toont een halswervel van boven af gezien. In het wervelkanaal ligt het ruggenmerg ( het geel gekleurde is de witte stof, dus de zenuwbanen van en naar de hersenen; het grijsgekleurde is de grijze stof, dus de zenuwcellen en de schakelcellen).Ter hoogte van de pedikel (de boogvoet van de wervel) loopt door het tussenwervelgat (foramen intervertebrale) de zenuwwortel, die bestaat uit de sensorische wortel en de motorische wortel. Samen lopen ze naar buiten de wervelkolom als spinale zenuw.
Tussen alle wervels in liggen deze foraminae en overal komt er een spinale zenuw uit.Zo ook in de halswervelkolom. De wortel tussen C0 en C1 ligt de wortel C1;tussen C1 en C2 ligt de wortel C2,enz.

Fig. 40 toont C5 en C6. De spinale zenuw die hier naar buiten komt is dus wortel C6.

Fig. 41 Links op het plaatje ziet u wervelhoogte met rechts de bijbehorende spinale zenuwen.
Bij de spinale zenuwen begint het perifere zenuwstelsel en deze zenuwen lopen naar de huid, spieren,botvlies, inwendige organen,enz. In een zenuwbaan is er dus sprake van 2-richtingsverkeer : de sensibele of gevoelszenuwen lopen naar het ruggenmerg toe en de motorische zenuwen lopen van het ruggenmerg af naar de spieren.
Alle zenuwen behorende bij één spinale zenuw noemen we een neurotoom.
Alle spieren behorende bij één spinale zenuw noemen we een myotoom.
Alle organen of delen daarvan die behoren bij één spinale zenuw noemen we een enterotoom.
Alle delen van de huid behorende bij één spinale zenuw noemen we een dermatoom.
Alle delen van botten en gewrichten die behoren bij één spinale zenuw noemen we een sclerotoom.



Fig. 44 De dermatomen van de cervicale segmenten. Als er b.v. iets aan de hand is met de wortel van C5, dan kunnen er tintelingen of een doof gevoel ontstaan aan de duimzijde van de onderarm en duim en wijsvinger.
De zenuwwortels komen langs het tussenwervelgat (foramen intervertebrale) buiten de wervelkolom en lopen door naar spieren, huid,gewrichten,enz. als perifere zenuwen. Maar vaak voegen deze spinale zenuwen zich samen (dus vanuit meerdere segmenten) tot een zenuwstam (plexus). Zodra ze de plexus weer verlaten worden ze perifere zenuwen genoemd.Vergelijk het met een boom : de wortels komen samen in een stam en vanuit de stam lopen ze als takken verder.
Plexus brachialis (zenuwstam van de arm) :

Fig. 45 toont de wortels van C5,C6,C7,C8 en Th1 die samen een plexus vormen (groen) en later in de bovenarm weer splitsen tot takken, n.l. de n.musculocutaneus,n.axillaris,n.radialis,n.medianus en n.ulnaris.

Fig. 46 Verloop van de n.medianus (7) en n.ulnaris (1) met de spieren die daardoor worden geïnnerveerd.De nervus medianus is dus de perifere zenuw die samengesteld is uit de wortels van C6-C8,Th1.De n.ulnaris is de perifere zenuw die samengesteld is uit de wortels van C7,C8,Th1 en Th2.

Fig.47 Verloop van de n.medianus met huidgebieden (area nervina) en spieren die erdoor worden geïnnerveerd.
Fig. 48 Huidgebied in de hand geïnnerveerd door de n.medianus. Is er pijn en zijn er tintelingen en/of een doof gevoel in dit gebied van de hand, dan ligt de oorzaak van dat probleem ergens in het verloop van deze zenuw. Is er daarnaast ook pijn in de nek aan dezelfde zijde, dan kan er ook iets aan de hand zijn met de wortels van C6 of C7 ( zie bij de dermatomen van C6 en C7 in fig.44).

Fig. 49. Verloop van de n.medianus (groen) en n.ulnaris (geel) ter hoogte van de pols en hand.

Fig.50. Verloop van de n.ulnaris in onderarm,pols en hand met de innervatie van de spieren en de area nervina of huidgebieden (blauw). Is er pijn en zijn er tintelingen en/of doof gevoel in dit gedeelte van de hand, dan moet de oorzaak ergens gelegen zijn in het verloop van deze zenuw. Dit gebied komt sterk overeen met het dermatoom van C8, dus bij een aandoening in dit gebied zal ook de regio van C8 onderzocht moeten worden.

Fig.51. Verloop van de n.radialis (2) en de spieren daardoor worden geïnnerveerd.De n.radialis is dus de samengestelde perifere zenuw van de wortels van C5 tot en met C8.
Fig.52. De area nervina of huidgebied van de n.radialis. Bij pijn,tintelingen en/of doof gevoel in dit gebied zal de oorzaak ergens gelegen in het verloop van deze zenuw. Het gebied komt sterk overeen met het dermatoom van C6. Zijn er ook klachten in de nek, dan zal de regio van C6 mede onderzocht moeten worden.

Fig. 53 en 54. Alle ariae nervinae van de perifere zenuwen van bovenarm,onderarm,pols en hand (vooraanzicht links en achteraanzicht rechts). Al deze zenuwen zijn afkomstig van de cervicale wortels C5 tot en met Th1.
Plexus cervicalis (zenuwstam van de nek) :
De plexus cervicalis is samengesteld uit de wortels van C1 tot en met C4. De nn. cervicales 1 - 4 hebben evenals alle andere ruggemergzenuwen een ramus dorsalis en een ramus ventralis. De rami dorsales verzorgen motorisch de diepe nekspieren en sensibel de huid van de nek en het achterhoofd. De dorsale tak van C1 (n. suboccipitalis) is alleen motorisch, de dorsale tak van C2 heeft daarentegen een grote sensibele component, die de n. occipitalis major wordt genoemd en de huid van het achterhoofd verzorgt. De ventrale takken van de eerste vier cervicale zenuwen vormen de plexus cervicalis gelegen tussen de m. scalenus anterior en de m. scalenus medius. Deze plexus bestaat uit:
Korte motorische takjes die de prevertebrale spieren innerveren, de m. levator scapulae en de drie scalenusspieren. Voorts worden ook nog, samen met takjes van de n. accessorius, de m. sternocleidomastoideus en de m. trapezius geïnnerveerd.
Uit C2 en C3 ontspringt de radix inferior van de ansa cervicalis.
Voornamelijk uit C4 ontspringt de n. phrenicus, die het diaphragma innerveert.
Door de plexus cervicalis worden bovendien vier sensibele huidtakjes afgegeven. Deze doorboren de lamina superficialis van de fascia cervicalis ter hoogte van de achterrand van de m. sternocleidomastoideus ongeveer in het midden van de hals (het punctum nervosum): De n. occipitalis minor en de n. auriculus magnus lopen over de m. sternocleidomastoideus naar craniaal en innerveren de oorschelp en de huid hieromheen. De n. transversus colli loopt vlak onder het platysma naar anterior. De nn. supraclaviculares lopen, eveneens onder het platysma, naar caudaal en innerveren de huid van het onderste gedeelte van de hals en van het bovenste gedeelte van de voorste borstwand.

Fig. 55

Fig.56
| Superficial or cutaneous branches | Lesser occipital | C2 |
| (Sensory) | Greater auricular | C2,3 |
| Transverse cervical | C2,3 | |
| Supraclavicular | C3,4 | |
| Deep or muscular branches | Rectus capitis anterior and lateralis | C1,2 |
| (Motor) | Longus capitis and cervicis | C1,2,3 |
| Geniohyoid, thyrohyoid, and
omohyoid (superior) |
C1,2 | |
| Sternohyoid, sternothyroid,
omohyoid (inferior) |
C2,3 | |
| Phrenic | C3,4,5 | |
| Sternocleidomastoid | C2,3 | |
| Trapezius | C3,4 | |
| Levator scapulae | C3,4 | |
| Scalenus medius | C3,4 |
|
© Copyright 2010 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 30-07-2010
|



