> 87% laptopgebruikers : werkhouding niet op orde
> Meer fietsen leidt tot lager ziekteverzuim
> Beter af met goed gezondheidsmanagement
> Gezondheidszorg werknemers kan beter
> Samenwerking arbeid en gezondheid is essentieel
> Procedures voor ziekmelden aangepast
> Meer bewegen op de werkplek
> Fitter achter PC door gebruik van toetsen
> Meer dan 23 kilo tillen taboe
> Een op vier Europese werknemers rug-of spierpijn
> Verruiming regels bedrijfsfitness
> Rugpijn kost EU miljarden
> Meer bedrijven ondersteunen bewegingsactiviteiten
> Medisch handelen bij ziekteverzuim
> PMC ISO/HKZ gecertificeerd !
> Minder rugklachten door ergocoaches
> Bedrijfsfitness ook buiten werktijd onbelast
> Depressiepatiënt met ergotherapie eerder .......
> Bedrijfszorgfysiotherapie vermindert verzuim
> Nieuwe "muis" moet RSI terugdringen
> Bijna een derde van Nederlandse werknemers te dik
> 50 % meer kans op arbeidsongeval voor jongeren
> 25% verzuim werknemers door arbeidsomstandigheden
> Active back program for earlier return to work
> Low-Intensity Back Rehab. : Quicker return to work
> Klachten? Doorwerken beter dan thuiszitten!
> Ruggordels verminderen rugklachten in thuiszorg
> Ergonomie met verstand... Beeldschermwerk
> Nieuwe inzichten in ontstaan van RSI
> Aanpak stress op werk
> Risicofactoren voor RSI: de 5W's
> Werknemers die sporten en die niet sporten
> Polsondersteuning kan polsklachten verergeren
> Werkaanpassingen bij rugklachten
> Arbeidsgerelateerdheid van rugklachten te bepalen
> Te moe om te denken
> Fysiotherapie op de werkvloer
> Meer bewegen op het werk verhoogt rendement
> Psychische klachten en arbeid
> Ergonomische criteria helpen inkopers
> Onderzoek wijst uit: Rsi zit níet tussen de oren
> Recommendations for treatment Low Back Pain
|
|
Werknemers in landbouw het minst ziek
Vorig jaar was het ziekteverzuim met 2,9 procent het laagst in de landbouw en visserij. Het verzuim was het hoogst in de bedrijfstakken openbaar bestuur (5,6 procent) en gezondheids- en welzijnszorg (5,3 procent).
Bij grote bedrijven 1 op de 20 werknemers ziek
Grote bedrijven met honderd of meer werknemers hadden in 2008 een verzuim van gemiddeld 5,0 procent. Bij kleine en middelgrote bedrijven was dit gemiddeld per dag respectievelijk 3,4 en 3,3 procent van de werknemers.
Ziekteverzuim sinds 2004 stabiel
Van 1993 tot en met 2008 schommelde het ziekteverzuim tussen de 6,2 en 4,3 procent. In deze periode zijn verschillende wetten in werking getreden die tot doel hadden het ziekteverzuim terug te dringen. In 2004 was het ziekteverzuim 4,3 procent. Sindsdien is het ziekteverzuim nagenoeg stabiel gebleven.
|
|
Uit recent onderzoek van TNS NIPO blijkt dat 87% van alle laptopgebruikers hun werkhouding niet op orde heeft. 50% van de respondenten heeft last van pijn in gewrichten of spieren tijdens het laptopgebruik.
De resultaten zijn schokkend te noemen. 71% geeft aan dat hun houding niet verbeterd of zelfs verslechterd is door laptopgebruik. Slechts 17% lijkt zich bewust van zijn of haar houding.
Een laptop vergt een compleet andere werkhouding in vergelijking tot een gewone PC.
Dat beaamt ook de heer Molenbroek, Professor Applied Ergonomics & Design aan de TU-Delft, tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Ergonomie.
“Computergebruikers nemen het kleinere toetsenbord en beeldscherm van een laptop vaak op de koop toe, tot ze klachten krijgen.” zo stelt hij.
Wat zegt de wet over laptopgebruik?
Als werkgever bent u verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van uw medewerkers op basis van hoofdstuk 5 beeldschermarbeid van de arbeidsomstandighedenwet.
1. Zonder voorzieningen is laptopgebruik beperkt tot 2 uur per dag.
2. Het beeldscherm dient vrij positioneerbaar, gemakkelijk kantelbaar en instelbaar te zijn.
3. Toetsenbord en muis dienen los van het beeldscherm gepositioneerd te kunnen worden.
4. Een documenthouder is verplicht als men geregeld met documenten werkt.
5. Een documenthouder dient stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum worden beperkt.
Wanneer u genoemde voorzieningen voor laptopgebruikers niet faciliteert, is het voor hen daardoor onmogelijk een goede werkhouding aan te nemen, waardoor u op de gevolgen kunt worden aangesproken.
Wat kunt u als werkgever doen?
Welke voorzorgsmaatregelen dient u te nemen indien u medewerkers een laptop ter beschikking stelt?
Professor Molenbroek: “Juist laptopgebruikers moeten beter voorgelicht worden over de consequenties van het werken ermee. De houding kan eenvoudig verbeterd worden door het gebruik van een laptophouder, een extern toetsenbord en externe muis.”
Hierop aansluitend adviseert ErgoDirect de Ergo-Q260, Ergo-Q330, Ergo-T340 laptophouders. Deze zijn uitgerust met een geïntegreerde documenthouder, waardoor de laptopgebruiker documenten kan positioneren in de ergonomisch ideale kijk- en werklijn; tussen het beeldscherm en het toetsenbord.
Studies (VU Amsterdam en TNO Arbeid) tonen aan: dat laptophouders met een geïntegreerde documenthouder leidt tot een betere werkhouding, een lagere nekbelasting (-32%), hoger werkcomfort (+21%) even een toename van de productiviteit met 17%.
Voor meer informatie over efficiënt en gezond laptopgebruik kijk op www.ergodirect.nl
|
|
Den Haag, 26 Januari 2009 /EZPress/ - Werknemers die regelmatig naar hun werk fietsen, zijn minder vaak ziek. Zij verzuimen gemiddeld ruim één dag per jaar minder dan hun niet-fietsende collega’s. Als werkgevers in Nederland fietsen naar het werk extra stimuleren, kan hun dit 27 miljoen per jaar besparen. Dit blijkt uit een TNO-onderzoek waarvan de resultaten vandaag door staatssecretaris Tineke Huizinga van Verkeer en Waterstaat bekend zijn gemaakt tijdens FietsVak 2009 in Rosmalen.
In opdracht van staatssecretaris Huizinga en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft TNO de relatie onderzocht tussen fietsen naar het werk, de werkprestatie en ziekteverzuim. Ook is gevraagd naar de motivatie om wel of niet naar het werk te fietsen. Aan werkgevers is gevraagd naar de belangrijkste redenen om fietsen naar het werk te stimuleren.
Werknemers die regelmatig de fiets pakken voor woon-werkverkeer, verzuimen gemiddeld één dag per jaar minder dan niet fietsende collega’s. De potentiële winst van fietsen naar het werk is daarmee aanzienlijk. Als het aantal werknemers dat fietst naar het werk met 1% toeneemt, levert regelmatig fietsen naar het werk voor werkgevers een besparing op van circa 27 miljoen euro per jaar. Bijna eenderde van de werknemers fietst regelmatig naar het werk. Gezondheid is de belangrijkste reden om de fiets te pakken. Voor de niet-fietsers zijn de belangrijkste belemmerende factoren: het te ver weg wonen, het weer, bezweet aankomen en de reistijd.
Fiets is een onmisbare schakel in beleid Verkeer en Waterstaat
Voor staatssecretaris Huizinga is de fiets een onmisbare schakel in het mobiliteitsbeleid van Verkeer en Waterstaat en heeft daarom deze kabinetsperiode 50 miljoen euro voor het fietsen uitgetrokken. Huizinga start binnenkort onder meer een proef met bedrijven om het fietsen financieel aantrekkelijker te maken voor hun personeel. ,,Werkgevers zijn net zo goed geïnteresseerd in wat het kost én wat het oplevert als ze zich in een fietsavontuur storten. De uitkomst van dit TNO-onderzoek is voor hen goed nieuws: mensen die regelmatig naar het werk fietsen, melden zich minder vaak ziek en zijn dus goedkoper. Dit rendement is een goed aanknopingspunt als we nog meer mensen en nog meer bedrijven aan de fiets willen helpen”, aldus Huizinga maandag op de FietsVak.
Bron: Ministerie van Verkeer en Waterstaat
|
|
17 maart 2008
TNO deed onderzoek onder 24 bedrijven met een goed werkend gezondheidsmanagement. De bedrijven die aan het onderzoek deelnamen laten zien dat kennis van en ervaring in gezondheidsmanagement voor ieder bedrijf loont. De 'kost gaat voor de baat uit', maar de resultaten zijn positief.
Uit het onderzoek blijkt verder dat een succesvolle aanpak op bedrijfsniveau meer kans van slagen heeft wanneer de organisatie zich niet focust op ziekteverzuim, maar juist op gezondheid, preventie en employability.
|
|
De gezondheidszorg voor werknemers moet en kan beter! Zo oordeelt de Gezondheidsraad.
Daarom gaan Sociale Geneeskunde van VU medisch centrum en KLM Health Services intensief samenwerken. De samenwerking richt zich vooral op onderzoek naar de kosteneffectiviteit van bedrijfsgeneeskundige interventies. Deze interventies kunnen arbeidsrelevante gezondheidsklachten voorkomen en de inzetbaarheid van werknemers vergroten. Op 6 december wordt een convenant ondertekend voor wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en innovatie van de bedrijfsgezondheidszorg.
De Gezondheidsraad oordeelde dit jaar dat het medisch handelen van artsen bij arbeidsverzuim en -ongeschiktheid beter kan. Verzuim en arbeidsongeschiktheid kosten de samenleving dertig miljard euro per jaar. De Gezondheidsraad stelt tevens dat in wetenschappelijk onderzoek de factor arbeid op dit moment te weinig aandacht krijgt. Ook richtlijnontwikkeling voor het medisch handelen wordt nog onvoldoende meegenomen.
VU medisch centrum en KLM Health Services gaan als één van de eerste academische werkplaatsen in de bedrijfsgezondheidszorg structureel op deze thema’s samenwerken door het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. De onderzoeksresultaten zullen bijdragen aan een betere zorg voor werknemers. Zo wordt langdurige uitval van werknemers met een gezondheidsprobleem verder teruggedrongen en herstel en re-integratie bevorderd. Daarnaast levert dit de samenleving een besparing op van de kosten van verzuim en een verminderde instroom in de WIA. De bedrijfsgezondheidszorg krijgt tevens een belangrijke plek in het nieuwe onderwijsprogramma van VUmc.
Sociale Geneeskunde VUmc en KLM Health Services hebben in het onderzoek naar arbeidsgerelateerde klachten al een goede naam ontwikkeld. Vooral het onderzoek naar interventies bij lage rugklachten, één van de grootste oorzaken van verzuim en arbeidsongeschiktheid, heeft internationaal tot zorgvernieuwing en aantoonbare kostenbesparingen geleid. Uit dit onderzoek blijkt dat de geïntroduceerde lage rugklachteninterventie tot een reductie van eenderde van het aantal verzuimdagen leidt, hetgeen grote besparingen oplevert.
KLM Health Services ziet in de samenwerking een goede kans om de kwaliteit van de eigen dienstverlening verder te verhogen. Deelname aan onderzoek biedt sneller inzicht in methoden tot vroege arbeidsre-integratie en kan verzuim en arbeidsongeschiktheid bekorten en voorkomen.
Bron(nen): VU Medisch Centrum 6-12-2007
|
Fysieke training in het PMC |
De samenwerking van verschillende disciplines zoals bewegingswetenschappen, ergonomie, gedragswetenschappen en gezondheidseconomie bij de preventie van ongezonde leefstijl van werknemers en de preventie van werkgerelateerde klachten werkt!
Preventieve interventies worden steeds belangrijker, omdat we met z’n allen tot latere leeftijd zullen moeten blijven doorwerken en omdat het moeilijker is geworden om een financiële uitkering te krijgen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Gebrekkige samenwerking heeft echter geleid tot grootschalige invoering onder werknemers van niet-effectieve interventies. Dit betoogt prof.dr. Allard van der Beek op donderdag 8 november in zijn oratie bij de aanvaarding van zijn ambt hoogleraar Epidemiologie van Arbeid en Gezondheid.
Op het terrein van de preventie van een ongezonde leefstijl van werknemers zijn meerdere wetenschappelijke disciplines actief die elkaar goed versterken. En met succes. Gezonde leefstijl interventies blijken het gedrag ten aanzien van voeding en lichamelijke activiteit positief te veranderen en belangrijke gezondheidsmaten te verbeteren. Bovendien zijn er aanwijzingen dat de interventiekosten snel worden terugverdiend door een reductie van ziekteverzuim.
Ook de preventie van werkgerelateerde klachten kan succesvol zijn. Van der Beek geeft in zijn inaugurale rede echter eerst aansprekende voorbeelden waaruit blijkt dat gebrekkige samenwerking er toe heeft geleid dat, tot op de dag van vandaag, bewezen niet-effectieve interventies worden uitgevoerd. Zo wordt werknemers al decennia geleerd om met de benen te tillen en niet met de rug, terwijl we inmiddels uit zowel epidemiologisch als biomechanisch onderzoek weten dat dit soort tilcursussen geen enkel effect hebben op de preventie van lage rugklachten. Fysieke training van werknemers voorkomt wel rugklachten.
Ook interventies ter preventie van RSI bij computerwerkers dienen beter onderbouwd te worden. Vermindering van totaal computergebruik door pauzesoftware of verbetering van de lichaamshouding door ‘ergonomische instelling’ van tafel en stoel zullen RSI waarschijnlijk niet kunnen voorkómen. Vermindering van muisgebruik of invoering van alternatieve, ergonomische muizen wel.
|
|
Het kabinet neemt maatregelen om het ziekmelden van werknemers te verbeteren. Dit moet de administratieve lasten verminderen voor werkgevers en het UWV.
De ministerraad heeft ingestemd met de maatregelen, op voorstel van minister Donner (SZW)
Werkgevers hoeven pas in de 42e week hun zieke werknemer ziek te melden bij het UWV. Nu moet dat al in de 13e week. Gevolgen hiervan zijn:
* werkgevers hoeven hun werknemer minder vaak ziek te melden;
* het UWV heeft minder uitvoeringskosten;
* het tijdstip van ziekmelden sluit beter aan op de voorlichting van het UWV over re-integratie.
Boete
Werkgevers die een werknemer te laat ziekmelden krijgen straks een boete van maximaal 455 euro per werknemer. Nu moeten werkgevers na twee jaar ziekte 70% van het loon doorbetalen voor de periode dat zij te laat zijn met ziekmelden.
Hersteldmelding
De verplichte hersteldmelding vervalt.
Nu komt het vaak voor dat werkgevers vergeten hun zieke werknemer beter te melden. Hierdoor verstuurt het UWV vaak onnodig een brief aan werknemers die alweer beter zijn.
Het wetsvoorstel wordt voor advies naar de Raad van State gestuurd. De wet gaat naar verwachting op 1 juli 2008 in.
|
|
Bewegingsluiheid: hardnekkig fenomeen
In het fitnesshonk, het trappenhuis of het dagelijkse woon-werkverkeer per fiets: hoe of waar werknemers het ook doen, bewegen is goed voor iedereen. Werkgevers kunnen maatregelen nemen om medewerkers uit de luie stoel te krijgen. Hoe? En is bewegen niet een verantwoordelijkheid van de medewerkers zélf? Om daarover van gedachten te wisselen organiseerde de Denktank Sport, Bewegen en Arbeid onder leiding van NISB eind september het debat Bedrijven in Beweging. Een uitdaging voor werkgevers, belangenorganisaties en overheden om mee te denken over bewegingsstimulering.
De meeste mensen zullen het met elkaar eens zijn: bewegen is gezond. Wie voldoende beweegt – tenminste vijf dagen in de week 30 minuten matig intensief – is minder vaak ziek, heeft een betere conditie en zal minder snel last krijgen van overgewicht. Spijtig voor de gezondheid van velen blijkt dit inzicht niet zo gemakkelijk om te zetten in een actieve leefstijl. Maar liefst 40 procent van de werkende Nederlanders haalt de 30-minutennorm niet, ondanks alle sportactiviteiten en bewegingsprogramma's die bedrijven de laatste jaren hebben opgestart. Een grote groep werknemers valt vroeg of laat terug in het oude patroon. En vaak zijn dat juist de mensen die veel winst kunnen boeken met een actievere leefstijl.
Tijdens het debat, onder aanvoering van directeur Clémence Ross van het Nederlands Instituut voor Sport & Bewegen (NISB), zochten de deelnemende bedrijven, overheden en belangenorganisaties samen naar een oplossing voor dit hardnekkige fenomeen. Want dát een grote groep werknemers onvoldoende beweging krijgt, daarover was Vincent Hildebrandt van TNO Kwaliteit van Leven klip en klaar. 3,2 miljoen mensen in Nederland doen louter zittend werk, 2,6 miljoen doen hun werk vooral staande. Een half uur lunchwandelen is dan heel gezond, maar op een werkdag van acht uur is deze korte interval amper voldoende, meent Hildebrandt. In sommige branches is volgens hem zelfs sprake van alarmerende bewegingsarmoede. “Langdurige bewegingsarmoede kun je een beroepsrisico noemen. Voor het hart is onvoldoende bewegen zelfs gelijk aan het risico van roken.”
Terugkerende vraag tijdens de bijeenkomst: wat zou de rol van de werkgever moeten zijn als het gaat om bewegingsstimulering? Is een gezonde leefstijl en dus voldoende bewegen niet de verantwoordelijkheid van de werknemer zelf? De meningen zijn verdeeld. “Het gaat om het functioneren van medewerkers”, stelt een bedrijfsarts. “Werkgever en werknemer hebben een afspraak gemaakt over het leveren van arbeidsproductiviteit. Een te dikke werknemer die verder prima functioneert, is daarom geen probleem voor mij als bedrijfsarts.”
Annette Righolt van KPN vertelt over de aanpak van het telecombedrijf, die niet zozeer gericht is op meer bewegen, maar op de eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers. Het is zaak dat zij vitaal en maximaal inzetbaar zijn en blijven. KPN leunt niet achterover maar zorgt voor de randvoorwaarden zoals een gezonde werkomgeving. “We steunen de medewerkers om hun inzetbaarheid te verhogen, bijvoorbeeld door gezond leven makkelijker te maken. Als werkgever heb je snel de neiging om het initiatief te nemen, maar wij denken dat we vooral moeten investeren in de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Dus kunnen medewerkers wél een fiets uit het brutoloon kopen, maar is er geen fitnesshonk.”
Collega-multinational TNT heeft een grote groep zeer beweeglijke werknemers – de heel zichtbare postbezorgers te voet en te fiets. Daarnaast is er een groep die nauwelijks te porren is voor meer beweging, vertelt een vertegenwoordiger. Alle pogingen om daar verandering in te brengen ten spijt. “Gedragsverandering is lastig, want je mag als werkgever niets opleggen. Campagnes gericht op meer bewegen moeten vrijblijvend zijn, roept iedereen. Maar wat moet je dan met de groep die een groot risico vormt. Wachten tot ze ziek worden?”
Een van de aanwezige fysiotherapeuten denkt dat de oplossing zit in plezier in bewegen. “Als medewerkers gemotiveerd zijn en er lol in hebben, doen ze mee met de activiteiten. Onderling contact is daarin belangrijk, zo stimuleren mensen elkaar.” De investeringen in abonnementen op fitnessscholen, of zelfs in in-company fitness, zal op de lange termijn weinig effect sorteren, menen verschillende aanwezigen. Fitness is eventjes leuk, maar na een poosje zie je steeds dezelfde gezichten terugkomen. “En dat zijn bijna altijd mensen die toch al sportief zijn.”
De printer en de koffiemachine ver weg plaatsen, de lift vertragen zodat de trap aantrekkelijker wordt, fietsen naar het werk stimuleren: ook mensen die weinig zin hebben, krijg je zo in beweging. “De situatie op mijn werk is zodanig, dat ik wel veel moet bewegen. Volgens mij werkt dat goed, je hebt geen keus”, vertelt een aanwezige. Het is de oplossing waar NISB en TNO de meeste verwachtingen van hebben. Peter-Jan Mol, projectleider Werk bij NISB: “Structurele alledaagse activiteiten, daar is winst te behalen. Luister goed naar de behoeften van werknemers en betrek hun sociale en fysieke omgeving erbij. En voor bedrijven: voorbeeldgedrag door management doet wonderen. Bouw ook netwerken op van organisaties die werk maken van vitaliteit!”
Het debat Bedrijven in Beweging is een initiatief van de Denktank Sport, Bewegen en Arbeid, een krachtenbundeling van het Nederlands Instituut voor Sport & Bewegen (NISB), TNO Kwaliteit van Leven en NIGZ-Werk. NISB coördineert de activiteiten van de denktank, alle gericht op bewegingsstimulering op de werkvloer. Zo wordt op dit moment in een achttal bedrijfspilots gewerkt aan de ontwikkeling en uitvoering van beweegbeleid. Ook voert NISB de '30 minuten bewegen' campagne (www.30minutenbewegen.nl) en coördineert NISB de setting Werk binnen het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB) in opdracht van het ministerie van VWS. Uiteindelijk doel van alle activiteiten is om meer bedrijven tot beweegbeleid te stimuleren, met als resultaat meer werknemers die aan de beweegnorm voldoen.
|
|
Het gebruik van een softwarepakket dat gebruik van toetsen in plaats van de muis bevordert, zorgt ervoor dat computergebruikers zich fitter voelen na computergebruik. De productiviteit blijft gelijk. Dat zijn de voornaamste conclusies uit recent TNO-onderzoek. Met deze kennis kunnen gezondheidsklachten veroorzaakt door computergebruik worden verminderd.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de proefpersonen zich fitter voelen nadat ze de computer hadden gebruikt met een softwarepakket dat tips geeft over het gebruik van toetsen in plaats van de muis. Ook de klachten, waarvan de proefpersonen eerder hadden aangegeven last van te hebben, bleken enkele weken na gebruik af te nemen.
Productiviteit blijft gelijk
Door het softwarepakket gaat men meer opdrachten geven met toetsen. Zonder het softwarepakket werd gemiddeld 20% van de opdrachten met toetsen gegeven en 80% met de muis; met het softwarepakket was de verhouding 50% – 50%. Het bleek dat de productiviteit door dit toetsengebruik niet veranderde. De deelnemers aan de proef gaven aan met gebruik van het softwarepakket aan het einde van een werkdag fitter te zijn dan zonder. Ruim de helft van de proefpersonen wilde met het pakket blijven werken, een kwart had het pakket niet meer nodig om met toetsen te leren werken en het resterende kwart gaf de voorkeur aan werken met de muis. Het onderzochte softwarepakket eXmouse werd ontwikkeld door Banton Software Ltd.
AMSTERDAM - Werkgevers mogen voortaan hun personeel niet meer dan 23 kilo handmatig laten tillen. Doen ze dat wel, dan lopen ze het risico aansprakelijk gesteld te worden voor bijvoorbeeld rugletsel bij een werknemer. Dat is het gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad.
De vakcentrale FNV en haar Bureau Beroepsziekten spreken van een historische doorbraak. De impact van het arrest is groot, omdat in Nederland naar schatting zo’n 2,6 miljoen werknemers regelmatig zonder hulpstukken meer tillen dan 23 kilo. Aandoeningen van het bewegingsapparaat, waaronder rugklachten door zwaar tillen, zijn verantwoordelijk voor 39 procent van de kosten van arbeidsuitval en werkgerelateerde gezondheidszorg.
De FNV is blij met de uitspraak. Wel blijft de bondj voorstander van opname van een tilnorm in de wet. Dat schept meer duidelijkheid en het voorkomt ook dat individuele werknemers naar de rechter moeten stappen. Die hebben nu wel het arrest van de Hoge Raad als wettelijk geldende ruggesteun. Voor de uitspraak was er niets geregeld over tillen, behalve in enkele cao’s zoals die van de bouw en de kinderopvang.
De bal kwam bijna tien jaar geleden aan het rollen. Toen werd een werknemer in een restaurant gevraagd te helpen met het tillen van een zware oven die in het restaurant moest worden geïnstalleerd. Hij tilde de oven van 200 kg met drie collega’s. Enige tijd later kreeg hij rugklachten (hernia, rugoperaties, volledige arbeidsongeschiktheid).
Vervolgens stelde hij de werkgever daarvoor aansprakelijk, die echter weigerde te betalen. De kantonrechter gaf de werknemer gelijk en veroordeelde de werkgever tot vergoeding van de schade. De werkgever ging daarop in hoger beroep en kreeg gelijk van het gerechtshof. Dat vonnis is nu door de Hoge Raad vernietigd.
De Hoge Raad volgt in zijn arrest het advies van de plaatsvervangend procureur-generaal. Die merkte op dat de toelichting op het zogeheten Arbobesluit verwijst naar de NIOSH-formule om te kunnen beoordelen of bepaalde tilsituaties risico’s met zich brengen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers. De NIOSH-formule is een uit de VS afkomstige en ook in Nederland reeds veelvuldig gebruikte rekenmethode die uitkomt op een tilnorm van maximaal 23 kg. Met deze uitspraak stelt de Hoge Raad vast dat er wel degelijk een gezondheidskundige, wetenschappelijk verantwoorde tilnorm bestaat.

Een op vier werknemers in de Europese Unie klaagt over rugpijn en 23 procent zegt last te hebben van spierpijnen. Dat zijn enkele van de statistieken die het Europees Agentschap voor de veiligheid en gezondheid op het werk aanvoert om aandacht te vragen voor fysieke overbelasting op de werkvloer.
Het Europese Agentschap met zetel in Bilbao lanceerde vandaag de campagne "Vertil je niet!". De campagne pleit voor maatregelen om de gevolgen van het tillen van lasten, het buigen en draaien en andere zwaar lichamelijk werk te verzachten. Spier- en skeletaandoeningen vormen immers het meest voorkomende arbeidsgerelateerde gezondheidsprobleem in Europa.
Zo klagen werknemers vaker over rug- en spierpijnen dan over stress, vermoeidheid of hoofdpijn. De aandoeningen treffen niet enkel oudere mannen die handenarbeid verrichten. Ook zo'n vier miljoen Europese werknemers jonger dan 25 jaar hebben last van rugpijn. In de verzorgingssector treft de pijn vooral vrouwen: drie tot vier miljoen vrouwen in de sector klagen over een pijnlijke rug.
Spier- en skeletaandoeningen zijn volgens het agentschap de grootste oorzaak van verzuim in praktisch alle EU-lidstaten. In sommige landen is 40 procent van de kosten van schadevergoeding aan werknemers het gevolg van dit soort aandoeningen. In totaal kan de kostprijs voor bedrijven en de sociale zekerheid oplopen tot 1,6 procent van het bruto nationaal product van deze lidstaten.
Bron: DeMorgen
|
|
BRUSSEL - De gezamenlijke economische schade door rugpijn en andere pijnen aan skelet en spieren bedraagt voor de hele Europese Unie ongeveer 200 miljard euro. Dat komt neer op 1,6 procent van het totale bruto binnenlands product. Dat blijkt uit berekeningen van de Europese Unie.
In de EU heeft 25 procent van de werknemers last van rugpijn, 23 procent klaagt over spierpijnen. Aandoeningen aan het zogenoemde bewegingsapparaat vormen daarmee het meest voorkomende arbeidsgerelateerde gezondheidsprobleem.
De EU is daarom maandag de campagne 'Vertil je niet!' begonnen. De Europa-brede campagne concentreert zich op de week van 22 tot en met 26 oktober.
(ANP)

LEIDEN - Bedrijven zijn de afgelopen drie jaar fors actiever geworden op het gebied van bewegen en het tegengaan van overgewicht van het personeel. Dat blijkt maandag uit onderzoek van TNO Kwaliteit van Leven.
In 2006 organiseerde 32 procent van de bedrijven met vijftig werknemers of meer sport- en beweegactiviteiten tegenover 14 procent in 2003 en 1996. Tien procent zegt van plan te zijn om het komende jaar iets te gaan doen op dat gebied. In 2004 was dat nog 3 procent.
Van de bedrijven met vijftig personeelsleden of meer zegt 13 procent iets te doen om zwaarlijvigheid van het personeel tegen te gaan. Nooit eerder is een onderzoek naar de bestrijding van overgewicht op de werkvloer gehouden, dus vergelijkend cijfermateriaal is niet voorhanden. Hoe de bedrijven overwicht aanpakken, is niet onderzocht, maar gedacht kan worden aan het aanbieden van gezonder eten in het bedrijfsrestaurant.
De meest populaire activiteiten op het gebied van bewegen zijn een bijdrage in de kosten voor fitness en het zelf organiseren van fitness of sportevenementen.
De belangrijkste argumenten voor bedrijven om iets te organiseren op het gebied van beweging zijn het verminderen van het ziekteverzuim en -kosten en het verbeteren van de conditie van werknemers.
Aan het onderzoek van TNO hebben 916 bedrijven meegewerkt.
(ANP) 04-06-2007

Bron: Gezondheidsraad
Er zijn goede mogelijkheden om het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te verbeteren. Daardoor kan langdurige uitval van werknemers met een gezondheidsprobleem uit het arbeidsproces verder worden teruggedrongen en kan herstel en reïntegratie worden bevorderd. Deze conclusie werd maandag te Den Haag getrokken door organisaties van de medische en paramedische beroepsgroepen, patiënten en wetenschappers, de ministeries van SZW en VWS en de voorzitters van de Gezondheidsraad, de SER en het UWV. Dit gebeurde tijdens een symposium ter gelegenheid van de afronding van een serie adviezen van de Gezondheidsraad en de aanbieding van het laatste advies, Verzekeringsgeneeskundige mediprudentie, aan de regering.
Gezamenlijke richtlijnen voor verschillende artsen en hulpverleners; multidisciplinaire samenwerking inspelend op de elkaar aanvullende verantwoordelijkheden van behandelend artsen, bedrijfsartsen en verzekeringsgeneeskundigen; gebruikmaking van de ervaringskennis van werknemers met een gezondheidsprobleem; en het opbouwen van een toegankelijk bestand van leerzame gevallen: dat zijn belangrijke ingrediënten om het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te verbeteren. Dat bevordert maatschappelijke participatie en deelname aan het arbeidsproces, ook van jonge mensen met een handicap die aan het werk willen, en komt zowel het welzijn en de gezondheid van het individu als de samenleving als geheel ten goede. Daarnaast draagt dit bij aan meer transparante en kwalitatief betere beoordeling van mogelijke arbeidsongeschiktheid en aan de daarbij zo belangrijke rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Ook wetenschappelijk onderzoek, gericht op het inbouwen van nieuwe kennis in het medisch handelen, is gunstig voor de maatschappelijke participatie van werknemers met een gezondheidsprobleem. Zo kunnen de meeste mensen met suikerziekte tegenwoordig volledig deelnemen aan het arbeidsproces en verloopt het herstel na een hartinfarct veel sneller dan vroeger. Ook kan onderzoek bijdragen aan evaluatie en verbetering van richtlijnen en daarmee aan effectievere beoordeling, begeleiding en reïntegratie van werknemers met gezondheidsproblemen. Op dit moment wordt in onderzoek en richtlijnontwikkeling ten behoeve van het medisch handelen de factor arbeid veel te weinig meegenomen. Voor zover dit nu wel aandacht krijgt gebeurt dat vooral via tijdelijke programma’s. Omdat kwaliteitsbevordering een continue activiteit moet zijn in het kader van een kwaliteitssysteem, en ook ingebouwd moet worden in opleiding en deskundigheidsbevordering, is een meer stabiele infrastructuur voor de langere termijn wenselijk.
Publicatie datum: 6-06-2007



Zorginstellingen die al enige tijd met ergocoaches werken, hebben een lager verzuim als gevolg van rugklachten dan instellingen die dat niet doen. Dit blijkt uit een analyse van gegevens uit 90 instellingen.
De combinatie van richtlijnen, ergocoaches en toezicht op naleving van de regels blijkt effectief bij de bestrijding van het verzuim als gevolg van rugklachten. Zo werken instellingen met ergocoaches vaker met een tilprotocol en zien zij beter toe op naleving van afspraken over bijvoorbeeld het gebruik van tilliften.
Ergocoaches zijn teamleden die naast hun uitvoerende taken verantwoordelijk zijn voor preventie en vermindering van fysieke belasting, bijvoorbeeld door het geven van adviezen en instructies.

Ook als er klachten zijn geweest kan medische fitness erg belangrijk zijn om recidivering van klachten te voorkomen of om de conditie weer helemaal op peil te brengen.
Gebleken is dat mensen zich beter gaan voelen als ze meer bewegen. Vervolgens besteden ze meer aandacht aan andere gezondheidsbepalende aspecten zoals: eet-, drink- en rookpatronen. Ook dit werkt gezondheidsbevorderend.
Graag willen wij het persbericht van TNO Arbeid, getiteld: “Arbeidsverzuim sportende werknemers fors lager dan niet-sporters” onder uw aandacht brengen.
Uit dit grote, wetenschappelijk opgezette, onderzoek blijkt dat sportende werknemers beduidend minder verzuimen. “Daarmee laten veel bedrijven een uitgelezen kansen liggen om de arbeidsproductiviteit met relatief geringe kosten te bevorderen”, aldus TNO.
Een simpel rekensommetje leert ons dat een bedrijf van 50 of meer werknemers tienduizenden euro’s aan verzuimkosten kan besparen door zijn werknemers gelegenheid geven tot bedrijfssport.
Op een rijtje gezet zijn er heel wat voordelen voor uw bedrijf en werknemers, zoals :
► Daling ziekteverzuim
► Minder uitval door rugklachten en RSI
► Meer ontspannen en minder gestresst personeel
► Meer tevreden personeel
► Gezonder, fitter, productiever personeel
► Minder verloop, grotere binding van uw werknemers
► Positief imago van uw bedrijf
'De resultaten van dit onderzoek geven dus aan dat het stimuleren van sporten juist een verzuimreducerende werking heeft. Dit laat onverlet dat dit sporten uiteraard op verantwoorde wijze dient te geschieden, zodat het blessurerisico zo klein mogelijk blijft en het effect op de verzuimreductie gemaximaliseerd wordt’, concluderen de onderzoekers.

Depressieve patiënten kunnen gemiddeld drie maanden eerder terug naar hun werk als ze naast medicamenteuze - en/of psychotherapie ook ergotherapie ontvangen. Dat blijkt uit onderzoek van de afdeling Psychiatrie van het Academisch Medisch Centrum (AMC de Meren).
Onderzoekers van het zorgprogramma 'stemmingsstoornissen' bestuderen sinds enige jaren of depressieve patiënten gebaat zijn bij ergotherapie naast de gebruikelijke therapie bij depressie. De ergotherapeuten leren hun patiënten om te gaan met stressvolle situaties op het werk via rollenspellen en gesprekken. Daarnaast werden de patiënten gestimuleerd het werk snel te hervatten.
De studie, onder 62 proefpersonen die anderhalf jaar werden gevolgd, toont aan dat patiënten die bovenbeschreven vorm van ergotherapie naast de gebruikelijke therapie ontvingen gemiddeld drie maanden eerder aan het werk waren dan personen die alleen de gebruikelijke therapie ontvingen. Daar kwam bij dat ze minder verzuimden. De werkstress nam bovendien niet toe. De behandeling had echter geen gevolg voor het beloop van de aandoening.
De onderzoeksresultaten zijn deze maand gepubliceerd in het vakblad Psychological Medicine.
N.b. : PMC werkt samen met de ergotherapeuten van Stichting Groenhuijsen te Roosendaal.
: Mail info@pmc-roosendaal.nl

Van juni 2004 tot januari 2006 werden 88 cliënten intensief gevolgd tijdens hun behandeling door een fysiotherapeut die de zorg levert voor de zogeheten ‘Module Fysiek’ uit het BZP.
De conclusies uit het onderzoek sluiten aan bij de resultaten van de jaarlijkse effectmetingen die VGZ-IZA houdt bij de organisaties die het Bedrijfszorgpakket afnemen. In 2005 is op basis van verzuimreductieschattingen per casus door inzet van deze preventieve zorg in totaal een vermindering van 62.000 verzuimdagen gerealiseerd bij 242 organisaties met in totaal zo’n 115.000 werknemers.
Het onderzoek is uitgevoerd door de afdeling Kwaliteit van Zorg (WOK) van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen in samenwerking met het Nederlands Paramedisch Instituut (NPi). De observaties vonden plaats bij de centra voor fysiotherapie Ergo Optima in Rosmalen en Fysergo/Fysarbo in Dordrecht. Het programma en de getoetste praktijken hebben op basis van de door het WOK opgestelde criteria gemiddeld een rapportcijfer 7,7 gekregen. VGZ-IZA biedt het Bedrijfszorgpakket (BZP) aan bedrijven, instellingen en gemeenten aan.
Circa 150.000 werknemers maken in 2006 gebruik van deze door hun werkgever ter beschikking gestelde preventieve diensten.
Bron: VGZ
ROTTERDAM - Met een grote, gebruiksvriendelijke computermuis is het mogelijk rsi en vergelijkbare klachten verder terug te dringen.
De nieuwe muis is ontwikkeld op grond van jarenlang onderzoek door het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam en heeft als naam ‘het paard’.
Het paard neemt spierspanningen zo goed als weg, doordat bij de ontwikkeling is uitgegaan van optimale ontspanning van de handspieren, zegt Paul Helder van het bedrijf Hippus. ,,De momenten dat je hem niet gebruikt, rust de hand uit op het paard. Door de vorm en de grootte vallen de pink en de duim als de benen van een ruiter om het paard heen, het grote brede zijvlak geeft volledige steun aan de handpalm, als een zadel."

Uit onderzoek blijkt dat bij alle proefpersonen de klachten aan nek, schouder, arm en hand afnamen of geheel verdwenen. Helder: ,,We hebben de spierspanning gemeten tijdens het ‘muizen’ en die bleek vaak geheel afwezig.’’
Uit onderzoek van de Rsi-patiëntenvereniging blijkt dat in Nederland twee miljoen mensen kans lopen op rsi. TNO becijferde dat rsi de maatschappij jaarlijks circa twee miljard euro kost. Elk jaar gaan er 340.000 tot 675.000 werknemers naar de dokter met werkgerelateerde klachten aan arm, nek of schouder. Door tal van maatregelen, zoals betere werkhouding en aanpassing van de werkplek lijkt het aantal gevallen van rsi te laatste jaren af te nemen.
Bron : AD.nl november 2006

Grote verschillen tussen branche.
Verschillen tussen branches
Gemiddeld is dertig procent van de Nederlandse werknemers te dik. Van de onderzochte branches scoort de voedings- en genotsmiddelenindustrie met 52,3% overgewicht het slechtst. Ook de bouw en de transport- en vervoersbranche scoren hoog, daar hebben respectievelijk 38,5% en 42,2 % van de werknemers overgewicht. Werknemers in de cultuur, sport en recreatiesector, en de papier(waren)industrie, drukkerijen en uitgeverijen hebben het minst vaak overgewicht (17,6% resp. 21,2%).
Verschillen tussen beroepsgroepen
Uitgesplitst naar beroepsgroep hebben werknemers in ambachtelijke, industriële, transport en aanverwante functies het vaakste overgewicht (38,1 %). Beleidsmedewerkers en hoger leidinggevenden scoren gemiddeld, een derde van hen is te dik. Wetenschappelijke en andere vakspecialisten hebben het minst vaak overgewicht, minder dan een kwart is te zwaar.
Beroepsspecifieke aanpak overgewicht
Bij sommige beroepen lijkt met name de hoeveelheid lichamelijke inspanning binnen het werk samen te hangen met overgewicht: in agrarische beroepen bijvoorbeeld komt veel beweging voor en is het percentage werknemers met overgewicht relatief minder. Bij andere beroepen zoals leidinggevenden lijkt er juist een samenhang te zien tussen overgewicht en onvoldoende beweging in het werk en vrije tijd. Deze samenhang gaat echter niet altijd op: zo hebben wetenschappers weliswaar relatief bewegingsarme functies, maar toch is het percentage overgewicht lager dan gemiddeld, terwijl in de bouw wel veel overgewicht voorkomt, terwijl het werk vaak veel beweging vereist. Mogelijk hangt overgewicht in deze groepen samen met een te hoge energie-inname of een inactieve leefstijl in de vrije tijd.
Een beroepsspecifieke aanpak van overgewicht is dan ook aan te bevelen. Per beroepsgroep kan het accent liggen op stimulering van lichamelijke activiteit, vermindering van de inactieve leefstijl of juist vermindering van de energie-inname.
Lees de volledige resultaten in het rapport ‘Bewegen Gemeten 2002-2004’ dat door TNO in samenwerking met RIVM is opgesteld. Het bevat gegevens over trends in bewegen in Nederland in de periode 2000-2004, met speciale aandacht voort chronisch zieken en werknemers.
Europa heeft een eigen agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk. Na talloze campagnes tegen bijvoorbeeld stress, geluid en gevaarlijke stoffen gaat de aandacht dit jaar uit naar jonge werknemers.
Juist door een gebrek aan ervaring, inschattingsvermogen en aan opleiding lopen jongeren veel meer risico dan ouderen. Jaarlijks kijgen 714.000 jonge werknemers in Europa een arbeidsongeval waarbij men minstens drie dagen niet kunnen werken.
De campagne ‘Start Veilig’ heeft twee belangrijke aandachtsgebieden: op de werkplek – werkgevers en jongeren meer bewust maken van risico’s en hen erop wijzen wat er gedaan kan worden om deze te beperken; en in het onderwijs – een risicopreventiecultuur bijbrengen. ‘Start veilig’ is de campagne van het Agentschap voor 2006, gewijd aan de veiligheid en gezondheid op het werk van jonge mensen. De campagne wordt gesteund door alle lidstaten van de EU, vakbonden en werkgeversorganisaties, jongerenorganisaties en de onderwijssector. Het hoogtepunt van de campagne is de Europese Week voor veiligheid en gezondheid op het werk, die wordt gehouden van 23-27 oktober 2006.
Het ziekteverzuim van werknemers neemt de laatste jaren af en lijkt bovendien minder vaak een gevolg van de arbeidsomstandigheden. Een kwart van al het ziekteverzuim van werknemers is het gevolg van arbeidsomstandigheden.
Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden
Dit blijkt uit de Arbobalans 2005 die staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maandag 13 juni naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Voor de Arbobalans is in belangrijke mate gebruik gemaakt van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden die in opdracht van het ministerie van SZW is uitgevoerd door TNO, CBS en TNS NIPO. Voor de enquête zijn ruim 23.000 werknemers geïnterviewd.
Volgens de Arbobalans is het ziekteverzuim in de particuliere sector gedaald van 5,2 procent in 2002 tot 4,6 procent in 2004. Bij de overheid daalde het verzuim van 5,6 procent in 2002 naar 5,4 procent in 2003.
Stress
Werkdruk en werkstress zijn volgens de geïnterviewden de belangrijkste veroorzakers van werkgebonden verzuim. Een derde van de werknemers die door hun werk ziek zijn, geeft aan hierdoor te zijn uitgevallen. Te zware lichamelijke belasting op het werk wordt door een vijfde van de werknemers met werkgebonden verzuim als belangrijkste reden aangegeven.
Verder blijkt dat bijna 90 procent van de werknemers hun gezondheid goed tot uitstekend vindt. Wel zijn er aanwijzingen dat het aantal werkgebonden psychische klachten en het aantal RSI-klachten sinds 2003 iets stijgt. Het percentage RSI-klachten steeg van 2003-2005 van 25 naar 27.
Daling arbeidsongevallen
Het aantal arbeidsongevallen is de afgelopen jaren blijven dalen. Over de periode van 2000 tot en met 2004 bedroeg die daling 17 procent. In 2000 deden zich ruim 13 arbeidsongevallen per duizend werkenden voor en in 2004 iets minder dan 11. Het aantal dodelijke slachtoffers op het werk daalde in die jaren van 119 naar 83 per jaar.
Pesten op het werk
Discriminatie op de werkvloer is al enkele jaren stabiel. Dit wordt gemeld door circa 3 procent van de werknemers. Het aantal werknemers dat te maken krijgt met geweld en (seksuele) intimidatie lijkt, na een stijging tussen 2000 en 2003 nu te stabiliseren. Circa 11 procent van de werknemers meldt pesten door collega’s. Jaarlijks krijgen 100.000 werknemers (1,5 procent) te maken met structureel pesten.
Stabilisatie
Ook lichamelijke arbeidsbelasting, blootstelling aan schadelijk lawaai, aan gevaarlijke stoffen en gevaarlijk werk zijn al enkele jaren redelijk stabiel. Ondanks de stabilisatie van klachten over deze risico’s zijn werknemers minder tevreden over hun arbeidsomstandigheden. In 2005 zegt zo’n 70 procent tevreden te zijn. In 2003 was dat nog 76 procent.
Publicatie datum: 13-06-2006
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd

June 9, 2006 — Compared with giving an advice booklet, one individualized advice session followed by group exercise reduced time off from work for patients with acute and subacute back pain, according to the results of a randomized trial published in the June 1 issue of Spine.
"The Clinical Standards Advisory Group for back pain (CSAG) guidelines suggest that the sooner an active exercise and rehabilitation approach is implemented, the better," write Alison Wright, MCSP, from the Salisbury District Hospital in Wilts, United Kingdom, and colleagues. "The cost of setting up hospital-based fast-access programs for back pain has hindered their establishment. However, there has been increasing evidence that simple approaches can be effective for back pain, and this might indicate a direction for progress."
At a district general hospital using a consultation and treatment room and a rehabilitation gym, 80 people age 18 to 65 years with a new episode of simple back pain causing them to be off work or working at modified duties for less than one year were randomized to group 1 (n = 37) or group 2 (n = 43). Group 1 received a back advice booklet and one session of advice, followed by standard care as directed by their general practitioner. Group 2 received the back booklet, one session of advice, and a back program consisting of a full assessment, immediately followed by one individual treatment, and then exercise classes for one to two weeks.
Compared with group 1, group 2 took seven fewer days off work, which represented a 35% reduction in the amount of time taken off work since study entry. On the basis of earlier return to work, the estimated cost saving of providing the extra service of a simple back program ranged between £250 (US$367, €300) and £578 (US$850, €694) for each patient.
Study limitations are that days off work do not necessarily result in production losses to industry, possible underestimation of the cost savings, pragmatic rather than an artificial experimental design, inability to assess patient compliance in group 1, lack of blinding, and short duration of follow-up.
"The results indicate that the costs of this active back program are more than reimbursed as a consequence of earlier return to work," the authors write. "The overall simplicity of this back program lends itself to replication in a variety of locations, including hospitals, primary care and local leisure center, or occupational settings."
The authors report no financial conflicts of interest.
Clinical Context
According to the authors, current guidelines indicate that 90% of patients with simple LBP have spontaneous resolution within 6 weeks, and it is controversial whether early medical treatment is helpful. Some treatments may delay return to work. Providing a patient with back advice information in the form of a booklet has been shown to decrease disability and reduce fear-avoidance scores, according to the authors. In this study, a single intervention of manipulation or injection and individual exercise followed by group exercise ("active" treatment) was added to standard advice with a back booklet, to examine outcomes of return to work and general health status of patients off work with acute and subacute LBP.
Inclusion criteria were new episode of LBP, referral through occupational and general physicians, and being off work or working with light duties only.
Exclusion criteria were underlying serious back pathology, continuous pain or neurologic symptoms and signs below the knee, chronic LBP, cauda equina syndrome, and recent spinal surgery.
Secondary outcomes were pain and health status, measured by the SF-12 (Short Form 12) Health Survey, and pain intensity and sensory scores, measured by the Short Form McGill Pain Questionnaire. Cost estimate for the treatments was also examined.
Group 1 (n = 56) received verbal advice and The Back Book, a 23-page booklet with advice to change habits and beliefs about LBP to encourage early return to work.
Group 2 (n = 50) received similar advice, the book, and a full assessment by a musculoskeletal physician or senior physiotherapist, followed by 1 treatment session. The treatments offered included manipulation, steroid injection including caudal epidural injection, and specific individual exercises. Patients then attended group exercises for 1 hour 3 times weekly in a gymnasium for 2 weeks.
Follow-up consisted of repeat assessments at 1 and 2 months by mailed questionnaire (i.e., patient report).
Mean age was 43 years for group 1 and 38 years for group 2. 60% in group 1 and 46% in group 2 were men. 27% of group 1 and 35% of group 2 identified their pain as the first episode of LBP. Median number of days off work was 20, and mode was 14 days. Pain was acute or subacute in both groups.
Type of work performed and preexisting medical conditions for each group were not described.
10 of 56 group 1 patients were lost to follow-up, and 9 were not off work, leaving 37 for final analysis. 5 of 50 in group 2 were lost to follow-up, and 7 were not off work, leaving 43 for analysis.
Analysis was per protocol only.
Median number of days to return to work was 20 for group 1 and 13 for group 2 (P = .034).
4 weeks after the study began, 50% of group 1 had returned to work vs 72% of group 2. At 6 weeks, the percentages were 61% and 80%, respectively. At 8 weeks, they were 65% and 84%, respectively.
Group 2 patients had less pain and lower sensory scores at 1 month compared with group 1 (P < .05), and this advantage persisted at 2 months for pain intensity only.
Both groups had improved SF-12 quality of health scores, with no statistically significant difference between them.
Using average wage for calculating lost work time (7 days' advantage for group 2 vs group 1), the authors estimated that the "active" intervention group was associated with a average savings of US$850 (£578, €694).
Group 1 patients identified a total of 28 other interventions used, vs 7 for group 2, during the follow-up period.
The natural history of most simple LBP is resolution within 6 weeks.
Brief active intervention added to advice and a booklet is associated with earlier return to work by 35%, less pain, and lower cost of work loss at one and two months, compared with advice and a booklet only for patients off work because of acute or subacute LBP.

CME Author: Charles Vega, MD, FAAFP
May 5, 2006 — In patients on sick-leave because of subacute low back pain, a low-intensity rehabilitation approach appears to allow a quicker return to work than a high-intensity or "usual care," approach, according to the first randomized controlled trial, published in the May 1 issue of Spine, to compare these approaches.
Martijn W. Heymans, PhD, with the Vrije Universiteit University Medical Center, in Amsterdam, the Netherlands, and colleagues conducted their study on 299 workers who were on sick-leave for a period of 3 to 6 weeks due to nonspecific low back pain.
Participants were randomized to receive usual care (n = 103) or low-intensity (n = 98) or high-intensity (n = 98) back school for their disability.
Workers allocated to usual care visited an occupational physician, and the prognosis of the low back pain and the intended date of return to work was discussed during the visit. Patients were advised to continue normal activities as much as possible. After 12 weeks of continued sick-leave, workers would receive more intensive interventions, such as back schools or a multidisciplinary rehabilitation program.
The low-intensity back school consisted of 4 group sessions once a week for 4 consecutive weeks. During the session, participants received 30 minutes of education followed by 90 minutes of written work and standard strength-training exercises. Workers were told that working and other activities could be continued despite back pain and were instructed to perform exercises at home twice a day and again if they had any recurrences of back complaints.
For the high-intensity program, workers underwent sessions twice a week for 8 weeks. Each session lasted 1 hour and was supervised by a physiotherapist who promoted an incremental increase in activity level over the sessions. The first 2 sessions consisted of individual exercises simulating the activities the worker experienced as the most problematic at the workplace. The workers also were given exercises to perform at home.
The researchers found that workers in the low-intensity back school returned to work faster compared with usual care and the high-intensity back schools (hazard ratio [HR], 1.4; P = .06 and HR, 1.3; P = .09, respectively). The median number of sick-leave days was 68, 75, and 85 for the low-intensity back school, usual care, and high-intensity back schools, respectively.
For a 6-month follow-up, no significant difference was found among outcomes between the high-intensity back school and usual care group (HR, 1.0; P = .83).
In addition, improved functional status and lower rates of "fear of movement" (kinesiophobia) were found at 3 months in the low-intensity back school group relative to the other groups, "although both back schools improved functional status of workers at 3 and 6 months compared with usual care," the authors note.
No differences in pain or perceived recovery were found among the groups.
"Our study results indicate that subacute sick-listed patients should be referred to lesser intensive back school programs to facilitate return to work," the researchers conclude.
"We further suggest that future interventions should contain a clear endpoint, including a preset date for full return to work accompanied by a key message to reduce fear of reinjury," the authors add.
Spine. 2006;31:1075-1082
Learning Objectives for This Educational Activity
Upon completion of this activity, participants will be able to:
Identify the costliest aspect of care of low back pain in Western countries.
Compare high-intensity and low-intensity back school programs vs usual care among patients with low back pain.
Clinical Context
The overall cost of low back pain is estimated to be $50 billion in the United States annually, and the majority of this cost is derived from work absenteeism and disability. The authors note that the use of educational programs known as back schools has been demonstrated to reduce pain intensity and recurrences among patients with low back pain. However, the effects of back school on work absenteeism are not clear, and much of the research into this subject has low methodologic quality.
The current study uses a randomized design with a control group to address the use of back school to prevent absenteeism and improve symptoms.
Study Highlights
The study was conducted in occupational health services centers in the Netherlands. Patients eligible for study participation had nonspecific low back pain and had missed work due to pain for 3 to 6 weeks. Patients with repeated low back pain causing sick leave or specific pathology causing pain were excluded from the trial.
Study subjects were randomized to groups receiving usual care, low-intensity back school, or high-intensity back school. Participants receiving usual care could be referred to physiotherapy or manual therapy. Low-intensity back school consisted of four 2-hour group sessions for 4 consecutive weeks. These sessions were divided into educational and exercise elements. High-intensity back school consisted of hour-long sessions twice per week for 8 weeks. During these sessions, a physiotherapist worked with the patient in physical training and also used elements of cognitive-behavioral therapy during the session.
Participants were followed up for 6 months after randomization. The primary outcome measures were the return to work for 4 full weeks, and the numbers of recurrent episodes of sick leave due to low back pain. Secondary outcomes included measures of pain, functional status, kinesiophobia, and patients' subjective measure of recovery. Researchers gathering secondary outcomes were blinded to subjects' randomization group.
299 workers were randomized according to the study protocol, and 254 participants completed the study. More than three quarters of the study cohort were male, and the mean age of participants was 40 years. The mean number of days off work at baseline was 29, and treatment expectations for back school and usual care were similar between groups.
The rates of treatment completion in the low-intensity and high-intensity back schools were 77% and 71%, respectively.
Low-intensity back school was demonstrated to improve rates of return to work versus usual care (HR, 1.4). However, high-intensity back school was similar to usual care in the main study outcome on intent-to-treat and per protocol analyses.
The mean numbers of sick days during follow-up were 68, 75, and 85 for the low-intensity back school, high-intensity back school, and usual care groups, respectively. These values, along with the mean numbers of sick days for recurrent low back pain, were statistically similar between treatment groups.
Function was improved in the low-intensity back school cohort vs the high-intensity back school and usual care groups. Kinesiophobia was improved at 3 months in both active interventions vs the usual care group, but this result was not significant at 6 months. Pain levels decreased to a small degree during the study period and were not affected by study treatment. There was a trend toward a higher degree of perceived recovery among subjects receiving low-intensity back school, but this result was not significant.
Adverse events related to study treatment were rare in all treatment groups.
Pearls for Practice
Absenteeism and disability account for the greatest expenditure on low back pain in Western countries.
In the current study, low-intensity back school was more effective than high-intensity back school or usual care among subjects with low back pain who had missed work for 3 to 6 weeks.

Door José van der Sman
Er was een tijd, niet eens zo lang geleden, dat een werknemer die overwerkt of opgebrand was eerst maar eens een hele tijd thuis ging uitrusten alvorens na te gaan denken over werkhervatting.
Werken beter dan thuiszitten bij psychische klachten
Een beetje overspannenheid was in die dagen al gauw goed voor een half of heel jaar ziekteverzuim met behoud van volledig salaris. En als het dan nog niet beter ging, wat vaak het geval was, dan kreeg die werknemer, niet zelden gesteund door zijn psycholoog, een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor onbepaalde tijd.
Indammen
Die tijden zijn voorbij. Om het ziekteverzuim en vooral de grote instroom vanwege psychische klachten in de WAO (nu WIA) in te dammen, is een nieuwe aanpak ingevoerd.
Die komt erop neer dat werknemers die zichzelf om psychische redenen ziek hebben gemeld niet meer op hun dooie gemak thuis kunnen gaan zitten herstellen, maar van alle kanten worden aangespoord om aan het werk te blijven of zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan, eventueel parttime.
Die aanpak werd in 2001 al aangekondigd in rapporten zoals 'Aanpak verzuim om psychische redenen' van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid. De afgelopen jaren is het ook het uitgangspunt geworden van de huisartsen, bedrijfsartsen en zelfs psychologen.
Dat valt althans op te maken uit de nieuwe richtlijn ‘Werk en psychische klachten’, die het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE) hebben opgesteld in samenwerking met de door de overheid aangestuurde Commissie het Werkend Perspectief.
Advies
De richtlijn werd gepresenteerd onder de veelzeggende kop ‘Psychische klachten? Aan het werk!’ Het is de bedoeling dat ze wordt nagevolgd door alle psychologen die werknemers met psychische klachten onder hun hoede hebben.
Wat staat er in de richtlijn? Eigenlijk precies hetzelfde als in het eerder genoemde overheidsrapport 'Aanpak verzuim om psychische redenen'. Namelijk dat het ooit zo goedbedoelde advies ‘zorg eerst maar dat je weer de oude wordt’ niet meer van deze tijd is. Want het leidde te vaak tot arbeidsongeschiktheid in plaats van herstel. Om een aantal redenen.
Een werknemer die met psychische klachten thuis gaat zitten, valt in eerste instantie in een groot gat. Om met de psychologen te spreken: ‘Voor de cliënt valt een belangrijke sociale structuur en zinvolle activiteit weg.’
Onaantrekkelijk
Als dat gat wordt opgevuld met andere mensen en bezigheden, dan wordt het op een gegeven moment onaantrekkelijk om weer aan het werk te gaan. Vooral als dat werk, vanwege de lange afwezigheid van de werknemer, inmiddels is overgenomen door een ander en de werknemer die ziek was eigenlijk niet meer gemist wordt. Of sterker nog, niet meer gewaardeerd wordt vanwege het lange ziekteverzuim om ‘vage’ psychische redenen.
Maar de vroegere aanpak van eerst-de-oude-worden leidde ook tot misbruik: thuis gaan zitten vanwege een arbeidsconflict in plaats van het uit te vechten. Of thuis gaan zitten omdat een loon zonder ervoor te hoeven werken, een uitkering dus, wel makkelijk verdienen is.
Volgens de nieuwe richtlijn zijn van nu af aan ‘psychische klachten altijd arbeidsrelevant’ en mogen psychologen hun cliënt ‘voortaan niet meer begeleiden of behandelen zonder daarin het werk en het werksys–teem mee te nemen’. Van meet af aan in de behandeling moet er gezamenlijk een plan worden opgesteld om weer aan het werk te gaan, eventueel in deeltijd en aangepast aan wat de cliënt aankan.
Therapie
In de therapie moet behalve aan privézaken ook veel aandacht worden besteed aan de arbeidsinhoud, arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden.
In zijn rol van behandelaar, begeleider, coach en counselor (aldus de richtlijn) moet de psycholoog zijn cliënt helpen om diens functioneren op het werk te hervatten of te bevorderen. Bijvoorbeeld door zijn werkhouding of werkgedrag te veranderen, of door hem te adviseren ander werk te zoeken als zijn huidige baan niet geschikt voor hem is.
Effect
De grote vraag is natuurlijk of het ook helpt, deze nieuwe aanpak. Volgens een onderzoek uit 2002 is met een goede begeleiding en behandeling de kans om met succes terug te keren naar het werk ongeveer 50 procent.
Iets meer dan de helft van de werknemers die vier of vijf maanden verzuimen in verband met psychische klachten of psychosociale problematiek in of buiten het werk, is aan het einde van het eerste ziektejaar weer volledig aan het werk. Een halfjaar later is 9 procent van hen toch weer ziek.
Volgens twee onderzoeken uit 2005 kan dankzij de nieuwe ‘activerende aanpak’ het overgrote deel van de mensen met psychische klachten na drie maanden ziekteverzuim weer, ten minste gedeeltelijk, aan het werk.
Toch blijft het tobben – de mens en zijn werk. Van de ruim zeven miljoen werkenden in Nederland heeft een op de drie psychische klachten. Het merendeel zegt dat deze ook met het werk te maken hebben. Een kwart van het ziekteverzuim en eenderde van de WIA-instroom (voorheen WAO) wordt veroorzaakt door psychische klachten. Naar schatting driehonderdduizend werknemers zitten thuis als gevolg van stress, burn-out of andere klachten van psychische aard.
Veranderende spelregels:
• Zieke lang met rust laten werkt averechts
• Werk en collega's zijn het beste medicijn
• Werknemer en werkgever zoeken samen oplossing
• Behandeling moet samengaan met werkhervatting
• Voor succesvolle oplossing is openheid vereist

Lage rugklachten komen bij 70% van de medewerkers in de Thuiszorg heeft jaarlijks minimaal één keer last van lage rugklachten. Een mogelijk hulpmiddel is een ruggordel. Ruggordels, of ook wel rugbandages genoemd, zijn afgeleid van de grote leren riemen die gewichtheffers dragen. Het zijn elastische bandages, die vaak ook een versteviging in het ruggedeelte hebben. Over het algemeen dragen ze bij tot een betere bewustwording van de houding en hebben ze een licht stabiliserende werking. Het geeft geen passieve steun en is daardoor niet nadelig voor de spieren in de romp.
Zijn ruggordels nuttig?
Om het nut van ruggordels te bepalen heeft de afdeling Huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit. Aan het onderzoek deden 360 thuiszorgmedewerkers mee die regelmatig last hadden van lage rugpijn (eerder onderzoek heeft aangetoond dat het niet nuttig is om medewerkers zonder klachten een bandage te bieden). Allemaal boden ze patiëngebonden zorg. De ene helft kreeg een ruggordel, de andere helft niet. Dit werd door loting bepaald. De ruggordel hoefde alleen gedragen te worden op werkdagen met rugpijn.
Uit de studie kwam naar voren dat medewerkers met ruggordel gedurende het onderzoeksjaar gemiddeld 6 dagen per maand rugpijn hadden ten opzichte van 11 dagen per maand voor de medewerkers zonder ruggordel. De ruggordel gebruikers gaven aan gemiddeld 10% minder pijn en 10% minder hinder in dagelijkse activiteiten te ervaren. In beperkte mate was dit effect terug te zien in het totale ziekteverzuim. Daarnaast waren gedurende het onderzoeksjaar de medische kosten (zoals het bezoek aan therapeuten en artsen) gemiddeld per persoon ruim € 200 lager in de gordel groep en was er tevens een dalende tendens zichtbaar in de kosten vanwege ziekteverzuim.
Bron: Kenniscentrum AKB
N.b. : de ruggordel wordt normaal onder de werkkleding gedragen en is dus niet, zoals op de foto, zichtbaar!
In alle rugbelastende werkzaamheden kan de ruggordel een waardevol hulpmiddel zijn bij diegenen, die tijdens die werkzaamheden rugklachten hebben of krijgen.



Nieuwe inzichten in beeldschermwerk…
Auteur: Hugo Bos, fysiotherapeut, manager ergonomie bij ErgoBrain BV, Hugo.Bos@ErgoBrain.com
In Nederland wordt verschillend gedacht en omgegaan met de relatie tussen beeldschermhoogte en ooghoogte van de beeldschermwerker. Het komt nog vaak voor dat het beeldscherm op de desktop wordt geplaatst. De bovenzijde van het beeldscherm bevindt zich hiermee duidelijk boven ooghoogte en deskundigen zijn het er over eens dat dit kan leiden tot oog-, nek- en schouderklachten. Een momenteel veel gebruikt advies is om de beeldschermhoogte in te stellen tussen ooghoogte van de beeldschermwerker en 10 cm hieronder.
In dit artikel geven wij u inzicht in resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de kijkafstand, de ideale beeldschermhoogte en welke consequenties dit heeft voor documenthouders, monitorsteunen en laptopsteunen. Verder gaan we in op het gebruik van documenten tijdens beeldschermwerk en hoe de productiviteit verhoogd kan worden.
De kijkafstand
Een van de belangrijkste redenen voor oogklachten die gerelateerd zijn aan beeldschermwerk is het gegeven dat het beeldscherm te dichtbij staat. Bij het kijken naar objecten die zich dichtbij bevinden moet het oog sterker accommoderen en convergeren*, dit is een grotere belasting dan het kijken naar objecten ver weg.
Het continu kijken naar objecten waarbij sterk geconvergeerd moet worden is zeer belastend voor de ogen. Maar wanneer staat het beeldscherm te dichtbij? Hiervoor is niet een exacte norm te geven, omdat het gerelateerd is aan de grootte van de tekens op het beeldscherm en aan het convergentiepunt** van de ogen.
Dit punt ligt bij het recht vooruit kijken op 110 cm en bij een kijkhoek van 30° op 85 cm. Wanneer het beeldscherm verder weg geplaatst wordt, is het belangrijk dat de tekens (letters en cijfers) op het scherm groter worden. In het algemeen wordt hiervoor aangehouden dat de tekens op het beeldscherm 1/150 van de kijkafstand groot moeten zijn. Bij een afstand van 50 cm is dit bijvoorbeeld 3,3 mm.
* Convergeren: het bewegen van de ogen richting de neus om dubbelzien te voorkomen.
** Convergentiepunt: het punt waarop de ogen volledig ontspannen en niet convergeren.
De ideale beeldschermhoogte?
Kijkhoek
Tijdens beeldschermwerk is de kijkafstand gering, waarbij het oog telkens sterk moet accommoderen. Wanneer een document zich lager bevindt, in lijn met beeldscherm en toetsenbord, is het oog beter in staat om te accommoderen.
Bij leesactiviteiten met een korte kijkafstand kan het oog het beste accommoderen bij een kijkhoek van 20-50º. Voor beeldschermwerk is een kijkhoek van 20 tot 50º daarom ook ideaal. Dit betekent dat het beeldscherm minimaal 10 cm onder ooghoogte geplaatst moet worden om de oogbelasting te verlagen. Voorwaarde is wel dat de monitor voldoende achterover gekanteld kan worden, dit is bij conventionele monitoren lang niet altijd mogelijk.

Houd een document op armlengte en op ooghoogte voor het lichaam en breng het daarna zo dicht bij het oog totdat de tekst wazig wordt. Als u nu het document, bij een gelijke kijkafstand en hoofdpositie, naar beneden beweegt merkt u dat de tekst weer leesbaar wordt. Dit komt omdat het oog bij een lage positie van de tekst beter kan accommoderen.
Droge ogen
Droge ogen zijn een ander veel voorkomend probleem bij beeldschermwerkers. Bij een hoge positie van het beeldscherm moet het ooglid meer opgetrokken worden, waardoor het oog minder bevochtigd wordt door traanvocht en eerder en meer uitdroogt.
Bij een lage beeldschermpositie is dit veel minder. Tijdens beeldschermwerk droogt het oog ook uit door staren en turen naar het beeldscherm en doordat de knipperfrequentie tijdens beeldschermwerk afneemt.
‘Zelftest’
Houd een document op ooghoogte dichtbij en lees geconcentreerd de tekst. U merkt dat u al snel de neiging heeft om te knipperen (het oog droogt uit). Breng het document nu omlaag en lees de tekst nogmaals geconcentreerd. U merkt dat u minder snel de neiging heeft om met uw ogen te knipperen.
Dynamische nekbelasting
Veel beeldschermwerkers kunnen niet blind typen en moeten daarom de ogen afwisselend richten op het toetsenbord en het beeldscherm. Wanneer het beeldscherm hoog (bijvoorbeeld op ooghoogte) staat moet de nek steeds buigen en strekken om afwisselend op het beeldscherm en op het toetsenbord te kunnen kijken. Een hoge beeldschermpositie leidt dus tot een grotere dynamische nekbelasting.
Andersom geredeneerd: een lage beeldschermpositie verlaagt de dynamische nekbelasting. Klik hier voor een animatie.
Uit onderzoek blijkt dat een lagere beeldschermpositie weliswaar een minimaal hogere spierspanning geeft, maar dat deze over het algemeen blijft onder de aanbevolen maximale spierbelasting voor statische spierbelasting (gemiddeld <5% van de maximale spierkracht).
Een veelgehoord tegenargument voor een lage beeldschermpositie is extra buiging van de nek. Een studie die op het internationale ergonomiecongres 2000 werd gepresenteerd toont aan dat een beeldschermpositie van 35° onder de horizontale ooglijn resulteert in een bijna ideale nekpositie. Wanneer het beeldscherm op ooghoogte wordt geplaatst leidt dit tot achteroverbuigen van de nek, een bekende risicofactor voor het ontstaan van klachten.
Verder blijkt uit onderzoek dat een lage beeldschermpositie meer variatie in hoofdhoudingen toelaat dan een hoge beeldschermpositie.
Meer beweging, meer variatie, is een essentiële factor in het voorkomen van klachten!
Hogere productiviteit bij lagere beeldschermpositie!
In twee studies worden twee beeldschermposities vergeleken. Eén waarbij het beeldscherm zich 35° onder de horizontale ooglijn bevindt en één waarbij het beeldscherm zich op de horizontale ooglijn (ooghoogte) bevindt.
In de eerste positie van 35° onder de horizontale ooglijn is de productiviteit maar liefst 10% hoger.
De documenthouder
Lichaamshouding en gebruik van documenten
Wanneer een document tussen beeldscherm en toetsenbord geplaatst wordt, bevinden toetsenbord, beeldscherm en document zich in één lijn. Dit komt overeen met één van de beginselen binnen de ergonomie: werk in het symmetrievlak, dus recht voor het lichaam.
Door een document in lijn met het beeldscherm en het toetsenbord te plaatsen, in een correcte hellingshoek, wordt de (lichaams)houding aanzienlijk beter. Zie onderstaande foto´s.


afb.5. Fout afb. 6. Fout
De hellingshoek van een documenthouder moet zodanig zijn dat documenten zich onder een hoek van 65 tot 80 graden bevinden ten opzichte van de kijklijn4. Dit betekent dat een documenthouder enerzijds laag maar anderzijds tegelijk een voldoende grote hellingshoek ten opzichte van het werkblad dient te hebben.
Welke consequenties heeft dit alles voor een documenthouder?
De laatste jaren worden beeldschermen steeds groter en dienen documenthouders daarom lager te zijn dan een aantal jaren geleden. De achterzijde van de documenthouder moet minimaal 2 cm lager zijn dan de onderzijde van het beeldscherm opdat documenten, inclusief ordners en boeken, niet voor het beeldscherm komen te liggen. Een vuistregel is dat de hoogte van de achterzijde van de documenthouder 12 tot 18 cm dient te zijn, afhankelijk van de beeldschermgrootte en de ooghoogte.
Lezen, schrijven en beeldschermwerken
Ergonomen bevelen momenteel aan om bij beeldschermwerk bij voorkeur twee werkplekken in te richten. Eén om beeldschermwerk te doen en één om te lezen en te schrijven. Voor lees- en schrijfwerkzaamheden wordt geadviseerd een werkblad van enkele centimeters boven ellebooghoogte te gebruiken en voor beeldschermwerk een werkblad op ellebooghoogte.
Bij lezen kan een lessenaar ervoor zorgen dat de hellingshoek van het papieren document gunstig is, waardoor onnodig buigen van de nek voorkomen wordt. Wanneer papieren documenten gebruikt worden tijdens data-invoer via de computer, wordt het gebruik van een documenthouder aanbevolen.
In het algemeen wisselen beeldschermwerkers vaak verschillende taken als lezen, schrijven en data-invoer af. Het is het meest efficiënt wanneer alle taken op één werkplek uitgevoerd kunnen worden. Hierbij mag echter niet voorbij worden gegaan aan de verschillende ergonomische eisen voor de werkplek voor beeldschermwerk en voor de werkplek voor lees- en schrijfwerkzaamheden. Een geïntegreerde werkplek voor verschillende taken is ruimte- en kostenbesparend. Ook kantoren kunnen hierdoor efficiënter worden ingericht.
De Laptop
Welke knelpunten en oplossingen zijn er bij het werken met de laptop?
Tijdens het werken op een laptop zijn tekens op het beeldscherm relatief klein door het kleine beeldscherm en de hoge resolutie waarin vaak wordt gewerkt. Daarom is het belangrijk dat de kijkafstand niet te groot is. (afb.8) Omdat het beeldscherm van een laptop vast zit aan het toetsenbord is het niet mogelijk om deze onafhankelijk van elkaar in te stellen. Algemeen wordt daarom aanbevolen een extern toetsenbord te gebruiken. Hierdoor zijn toetsenbord en beeldscherm onafhankelijk van elkaar in te stellen.
Een ander aspect van de laptop is de ergonomisch zwakke lay-out van het laptoptoetsenbord. Een ‘gewoon’ toetsenbord wordt door de meeste beeldschermwerkers als prettiger ervaren dan een laptoptoetsenbord. Dit is een bijkomend argument om te werken met een extern toetsenbord.


Naast het ‘toetsgevoel’ en lay-out speelt ook de breedte van het externe toetsenbord een rol. Bij ‘gewone’ toetsenborden worden de schouder en elleboog bij rechtshandigen meer belast dan bij gebruik van een minitoetsenbord doordat de muis zich verder van het lichaam bevindt vanwege de aanwezigheid van het numerieke toetsenbordgedeelte.


Laptopsteun
Wanneer uitsluitend een extern minitoetsenbord wordt gebruikt bevindt het beeldscherm zich op een (te) grote afstand waardoor de gebruiker de tekens op het scherm niet goed kan lezen. Daardoor heeft de laptopgebruiker de neiging om als het ware ‘in het beeldscherm te duiken’, om zo de kijkafstand te verkorten (afb.9)).
Door het gebruik van een laptopsteun (afb.10) kan de kijkafstand verkort worden door het hoger plaatsen van het beeldscherm. Het beeldscherm moet daarbij wel 10 cm of meer onder ooghoogte blijven, zie hiervoor het gedeelte over de juiste kijkhoek.
Hoogte laptopsteun
Een lage beeldschermpositie betekent ook dat een laptopsteun voldoende laag in te stellen moet zijn voor kleine personen en voldoende hoog voor grote personen. Ook de ideale hoogte voor een laptopsteun ligt daarom gemiddeld tussen de 12 en 18 cm, afhankelijk van de beeldschermgrootte, ooghoogte en de lengte van de persoon.
Geïntegreerde laptopsteun
Laptopsteunen blijven ondanks goede bedoelingen vaak in de laptoptas zitten of op kantoor liggen omdat ze worden vergeten, te zwaar zijn of eerst moeten worden uitgepakt en ingesteld.
Sinds kort is er een laptopsteun die met de laptop geïntegreerd kan worden, waardoor gebruikers de laptopsteun niet meer kunnen vergeten. Dit concept zorgt er voor dat het instellen en in gebruik nemen van de laptopsteun veel gemakkelijker en sneller is.
Conclusie
Voor wat betreft de ideale beeldschermhoogte worden in dit artikel veel argumenten gegeven om de gebruikelijke visie aan te passen. Op basis van de, met wetenschappelijke onderzoeken onderbouwde, argumenten lijkt het beter om het beeldscherm 10 cm onder ooghoogte of lager te plaatsen.
Dit heeft tot gevolg dat veel bestaande ergonomische hulpmiddelen zoals documenthouders, monitor- en laptopsteunen niet (meer) voldoen aan deze nieuwe eisen.
Een documenthouder dient bijvoorbeeld laag genoeg te zijn maar tegelijkertijd ook voldoende stijl. Monitorsteunen zijn in deze nieuwe visie in veel gevallen geen ergonomische verbetering meer, maar een verslechtering.
Een, eventueel met de laptop geïntegreerde, laptopsteun en extern toetsenbord kunnen de juiste kijkhoek en kijkafstand bij laptopgebruik garanderen mits de laptopsteun, afhankelijk van het beeldschermgrootte en ooghoogte, voldoende laag kan worden ingesteld.
Het integreren van meerdere taken (lezen, schrijven en data-invoer) op één werkplek kan een kostenbesparing opleveren door verbeterde efficiëntie en ruimtebesparing. Voorwaarde is dat voldaan wordt aan de ergonomische eisen, die voor lezen en schrijven anders zijn dan voor beeldschermwerk.
Visueel kunnen de veranderingen in de visie het beste als volgt worden weergegeven:
De nieuwe ideale beeldschermwerkplek :
1. Zitdiepte
Knieholte vrijlaten, benen zo veel mogelijk ondersteunen
2. Stoelhoogte
Hakken moeten nog net bij de grond komen
3. Aflopende zitting
Licht naar achteren aflopend (>10°)
4. Gesloten bekkenhoek <90°
5. Bekkensteun
Ter hoogte van de broekriem
6. Hoogte armleggers
Op ellebooghoogte bij ontspannen schouders
7. Hoek rugleuning >108°
8. Kijkafstand 50-70 cm
O.a. afhankelijk van tekengrootte
9. Kijkhoek 20-50°
Bovenzijde monitor ≥20° onder ooghoogte
10. Inkijkhoek monitor en documenthouder >90°
11. Documenthouder
Tussen beeldscherm en toetsenbord
12. Hoogte bureau
Gelijk aan hoogte armleggers
13. Diepte bureau ≥80 cm.
Literatuurlijst
Ankrum, D.R. and Nemeth, K.J., 1995, Posture, Comfort and Beeldscherm Placement. Ergonomics in Design, April, 7-9.
Ankrum, D.R., 1996, Viewing Distance at Computer Workstations. Workplace Ergonomics, 2, 5, pag. 10-13.
Ankrum, D.R., Hansen, E.E., and Nemeth, K.J., 1995, The vertical horopter and the angle of view, In A. Grieco, G. Molteni, B. Piccoli and E. Occhipinti (eds.), Work With display Units ‘94 Elsevier: Amsterdam
Ankrum, D.R. and Nemeth, K.J., 1995, Posture, Comfort and Beeldscherm Placement. Ergonomics in Design, April, pag. 7-9.
Ankrum, D.R. and Nemeth, K.J., 2000, Head and neck posture at computer workstations – What’s neutral? Proceedings of the IEA/2000/HFES 2000 Congress pag. 565-568.
Collins, C., O'Meara, D., and Scott, A.B. (1975). Muscle strain during unrestrained human eye movements. Journal of Physiology, London, 245, 351-369.
Fisher, R.F. (1977). The force of contraction of the human ciliary muscle during accommodation. Journal of Physiology, London, 270, 51-74.
ISO, 1998, ISO 9241-5. Ergonomic requirements for office work with visual display terminals (VDTs) Part 5: Workstation layout and postural requirements.
Kroemer, K.H.E., 1997, Design of the Computer Workstation. In: Handbook of Human-Computer Interaction. Amsterdam: Elsevier Science, B.V.
Krimsky, E., 1948, The Management of Binocular Imbalance. Philadelphia: Lea and Febiger.
Leoni, F.M., Molle, F. Scavino, G. Y. Dickamnn, A., 1994, Identification of the preferential gaze position through evaluation of the visual fatigue in a selected group of VDU operators – A preliminary study Documenta Ophthalmologica. 87, pag. 189-197
Lie I., Fostervold, K.I., 1995, VDT-work with different gaze inclinations. Work With display Units ‚ ’94, eds. Grieco, A., Molteni, G., Occhipinti, E., Piccoli, B., Amsterdan: Elsevier
Morgan, C., Cook, J., Chapanis, A., and Lund, M. (eds.), 1963, Human engineering guide to equipment design. New York: McGraw-Hill.
Owens, D.A. and Wolf-Kelly, K. (1987). Near Work, Visual Fatigue, and Variations of Oculomotor Tonus. Investigative Ophthalmology and Visual Science. 28, 743-749.
Ripple, P., 1952, Variation of Accommodation in Vertical Directions of Gaze. American Journal of Ophthalmology, 35, pag. 1630-1634.
Sommerich, C.M., Joines, M.B., and Psihogios, J.P., 1998, Effects of VDT Viewing on User Biomechanics, Comfort, and Preference. Proceedings of the Human Factors Society 42nd Annual Meeting, pag. 861-865.
Tsubota, K., Nakamori, K., 1993, Dry Eyes and Video Display Terminal. New England Journal of Medicine, 328, 8, 584.
Turville, K.L., Psihogios, J.P., Ulmer, T.R. and Mirka, G.A., 1998, The effects of video display terminal height on the operator: a comparison of the 15° and 40° recommendations. Applied Ergonomics, 29, 4, pag. 239-246.
Tyrrell, R., Leibowitz, H., 1990, The Relation of Vergence Effort to Reports of Visual Fatigue Following Prolonged Near Work. Human Factors, 32, 3, 341-357.
Voskamp, Ir P., 1995, Handboek gezondheid en veiligheid in kantoren, Sdu, Den Haag.

23 januari 2006
Klachten aan nek, schouders, ellebogen, armen, polsen of handen zijn een veel voorkomend gezondheidsprobleem onder werknemers in Nederland. In Nederland wordt dit type klachten meestal RSI genoemd. Tot op heden ging men er vanuit dat dit soort klachten voornamelijk veroorzaakt wordt door fysieke belasting op het werk, zoals houding en repeterende bewegingen. Swenneke van den Heuvel, werkzaam bij TNO, concludeert in haar proefschrift dat ook andere factoren een rol spelen bij het ontstaan van deze klachten. Van den Heuvel promoveert woensdag 25 januari aan het VU medisch centrum. De promotiestudie maakt deel uit van het programma van het onderzoekscentrum Body@Work, Bewegen, Arbeid en Gezondheid, TNO VUmc.
Uit het proefschrift blijkt dat fysieke belasting bij kantoorwerkers slechts beperkt effect heeft op RSI-klachten. Wel blijkt psychosociale belasting van belang te zijn, voor zowel kantoorwerkers als werknemers in de industrie. Met name hoge taakeisen en beperkte sociale steun van collega's hebben een ongunstig effect op deze klachten. Ook blijken persoonlijkheids- en gedragsaspecten van belang. Werknemers die overmatig betrokken zijn bij het werk, en werknemers met een ongunstige werkstijl (onder meer weinig pauzes nemen, hoge eisen stellen) hebben vaker klachten. Sportbeoefening blijkt de kans op nek/schouderklachten te verminderen. Op basis van haar bevindingen adviseert Van den Heuvel daarom een integrale aanpak voor de preventie van RSI-klachten.

vrijdag, 10 februari 2006
Stress en RSI door het werk zijn grote veroorzakers van gezondheidsklachten. Jaarlijks meldt twee tot vier procent van de werknemers zich ziek vanwege stress op het werk.
Vijftien procent krijgt door het werk klachten aan arm, nek of schouder, die tot beperkingen leiden. De jaarlijkse kosten worden in totaal op zes miljard euro geschat.
Dat staat in een rapport van onderzoeksbureau TNO, dat staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. “Ik ga er vanuit dat deze voor zich sprekende cijfers een rol zullen spelen in de bewustwording van werkgevers en werknemers uit sectoren waar de risico’s het meest spelen”, schrijft de staatssecretaris. “Ik verwacht dat deze cijfers hen aansporen om tot een effectieve aanpak over te gaan. Dit onderzoek maakt duidelijk dat men daar ook financieel veel baat bij heeft.”
TNO deed, in opdracht van het ministerie, onderzoek naar gezondheidsschade en kosten, die het gevolg zijn van psychosociale arbeidsbelasting en lichamelijke klachten aan arm, nek en schouder (RSI).
Jaarlijks melden 150.000 tot 300.000 werknemers zich ziek vanwege stress op het werk. De stress kan worden veroorzaakt door een te hoge werkdruk, maar ook door agressief gedrag van klanten, pesterijen van collega’s of eentonig werk. Dit leidt niet alleen tot psychische klachten, zoals depressiviteit, maar ook tot hartkwalen en ongelukken die ontstaan door gehaastheid of een gebrek aan concentratie. De onderzoekers van TNO schatten dat één op de zeven WAO’ers door stress op het werk arbeidsongeschikt is geworden. Dat kost jaarlijks 1,7 miljard aan uitkeringen. De totale kosten van stress, voor ondernemers en overheid, worden op vier miljard euro per jaar geschat.
Jaarlijks gaan 340.000 tot 675.000 werknemers naar de dokter met klachten aan arm, nek of schouder, die door het werk komen. Het gaat daarbij niet alleen om beeldschermwerkers, maar bijvoorbeeld ook om inpakkers en oppermannen, die doorlopend dezelfde beweging maken. De gezondheidsklachten die hierdoor ontstaan, kosten volgens TNO jaarlijks ruim twee miljard euro. De grootste kostenposten zijn ziekteverzuim (bijna een miljard euro per jaar) en verminderde arbeidsproductiviteit door RSI (ruim 800 miljoen euro per jaar).
TNO geeft aan in welke sectoren de meeste gezondheidswinst geboekt kan worden en het meeste geld bespaard kan worden door het doelmatiger aanpakken van risicovolle arbeidsomstandigheden. Als het gaat om het bestrijden van de kosten door stress, dan is de top-5: industrie, gezondheidszorg, handel, overheid, vervoer en communicatie. En als het gaat om RSI, dan is de top-5: gezondheidszorg, industrie, onderwijs, bouw, handel.
Van Hoof schrijft de Tweede Kamer dat het TNO-rapport speciaal onder de aandacht van werkgevers en werknemers in deze sectoren zal worden gebracht. Hij vindt het van belang dat ze er kennis van nemen “en ermee aan de slag gaan.”
De staatssecretaris noemt het “opportuun” om in de nieuwe arbowet, die op stapel staat, vast te leggen dat er in bedrijven beleid moet worden gevoerd om de psychosociale arbeidsbelasting te beheersen. Het is niet zijn bedoeling om de bestaande verplichtingen voor preventie van RSI te veranderen. “Het is aan werkgevers en werknemers deze voorschriften concreet in te vullen met maatregelen die passend en adequaat zijn voor hun onderneming.”

(Werkdruk, Werkorganisatie, Werktijden, Werkplek, Werkwijze)
Als we kijken naar de risicofactoren voor het ontwikkelen van RSI-klachten moeten we altijd
integraal kijken naar 5 punten, de zogenaamde 5W-aanpak. En hoewel we deze doorgaans
alleen toepassen in de werksituatie, gelden de factoren onveranderd ook voor activiteiten in de thuissituatie. Het gaat om de volgende factoren:
Werkdruk
Als mensen onder tijdsdruk werken, persé een deadline willen halen en steeds een
piekbelasting leveren ontstaat er een continue spanning in de spieren van met name de nek en
schouders. Omdat men tussen door onvoldoende pauzes neemt krijgen de spieren en pezen
geen kans zich te herstellen.
Werkorganisatie
Monotoon werk -zeker als dat werk is dat een eenzijdige belasting betekent voor de spieren en
de pezen, vormt een risicofactor. Deze factor lijkt versterkt te worden in situaties waarin
mensen weinig of geen invloed hebben op de indeling van hun werk en waarin men de
werksfeer als niet prettig ervaart.
Werktijden
Naarmate men langere werkdagen maakt en langer achter elkaar dezelfde bewegingen maakt
c.q. in dezelfde houding werkt neemt de kans op klachten toe. Het risico lijkt met name
vergroot als op een reeds bestaande forse belasting nog eens een extra piek komt. Vaak zien
we dat mensen die RSI-klachten hebben gekregen goed kunnen aangeven welke activiteit de
klachten heeft uitgelokt of versterkt. In de omgeving van de universiteit betreft het dan vaak
het door werkweken van 60- 70 uur proberen af te ronden van een artikel o.i. d.
Werkplek
Een slechte opstelling van het beeldscherm, toetsenbord en muis, stoelen die niet in de hoogte
instelbaar zijn, geen steun geven of armsteunen missen, verkeerde hoogte van tafels, een
koude werkomgeving vormen allemaal factoren die de kans op RSI-klachten verhogen.
Werkwijze
Een slechte houding bij het zitten, een slechte techniek bij het typen of het bedienen van de
muis, het niet of onvoldoende nemen van rustpauzes, het werk onvoldoende afwisselen met
activiteiten die niet steeds dezelfde spieren belasten, een verkeerd gebruik van de spieren of
dwangstanden van gewrichten verhogen het risico.

Mensen die sporten en mensen die niet sporten zijn even vaak ziek. Het aantal dagen verschilt echter wel enorm. Sporters zijn gemiddeld 15 en niet-sporters gemiddeld 29 dagen ziek!!
Dat is een van de belangrijkste conclusies uit onderzoek dat GfK Panel Services Benelux voor NOC*NSF heeft uitgevoerd in het kader van de bedrijfssport. Sporters scoren ook hoger op well-being dan niet-sporters. Mensen met een hoge score op well-being of mentale gezondheid zijn gelukkiger dan mensen met een lagere score. NOC*NSF ziet de resultaten van dit onderzoek dan ook als een belangrijke stimulans voor werkgevers om met sport te investeren in haar werknemers.
Bron: Sport.nl

Bij een promotieonderzoek werd aangetoond dat sommige ondersteuningmogelijkheden bij RSI de klachten kan doen verergeren.
Bart Visser richt zich in zijn proefschrift op het effect van laag intensief werk bij chronische pijn en discomfort aan de spieren, pezen of gewrichten in nek, schouder, arm en hand, rsi (repetitive strain injury). In een literatuurstudie ontdekte Visser dat ononderbroken spieractiviteit, ook bij lage intensiteit, schade aan spiercellen kan veroorzaken.
Daarnaast kan belemmering van de doorbloeding van spieren een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van spierklachten. De benodigde spieractiviteit voor de uitvoering van een taak hangt niet alleen af van de grootte van de te leveren krachten, maar ook van stabiliteit, taakprecisie en mentale druk.
In een aantal experimenten heeft Visser deze factoren bestudeerd. Visser laat zien dat hoge precisievereisten leiden tot een selectieve belasting van delen van onderarm en hand. Hoe hoger de precisievereiste hoe lager de uitvoeringsvrijheid; het dragen van een tas kan bijvoorbeeld met beide armen, schoonschrijven slechts met de voorkeurshand. Hoge eisen met betrekking tot de positionering van de muis in computertaken, al of niet in combinatie met mentale druk, bleken te leiden tot een verhoogde spieractiviteit. Goede ondersteuning van de arm tijdens computertaken kan de spieractiviteit verlagen, terwijl sommige polsondersteuningen een tegengesteld effect hadden.
Tenslotte toonde Visser aan dat verhoogde spieractiviteit in de nek-schouderregio de doorbloeding van de onderarm verminderde. Visser beveelt aan in de praktijk aandacht te besteden aan het reduceren van precisievereisten en mentale druk tijdens werk. De gebruiker kan de precisievereisten reduceren door bijvoorbeeld grote lettertypes en iconen te kiezen. Maar vooral ontwerpers van software en invoermiddelen dienen meer aandacht te besteden aan precisievereisten in hun producten.
Bron: VUmc
Dit concluderen Ivan Steenstra en Han Anema in hun promotieonderzoek aan het VUmc, dat in opdracht van TNO is uitgevoerd. In het onderzoek wordt de Nederlandse variant van een in Canada ontwikkeld programma om werknemers die verzuimen door rugklachten weer snel aan het werk te krijgen geëvalueerd.
Een jaar na de interventie is 91% van de werknemers met werkaanpassingen weer aan het werk, terwijl dit in de groep met de gebruikelijke begeleiding 83% was. Zij verzuimden bovendien gemiddeld 27 dagen korter dan de groep die het programma niet had gevolgd.
De interventie bestaat uit het aanpassen van het werk in overleg met alle betrokkenen (werknemer, leidinggevende en arbo-adviseurs) na 2 tot 6 weken verzuim. Het doel van de werkaanpassingen is om belemmeringen voor werkhervatting weg te nemen. Indien dit niet leidt tot hervatten van het werk, volgt na 8 tot 10 weken verzuim, een uitgebreid oefenprogramma gericht op herstel van functioneren en niet op pijnbestrijding. Om dit programma te evalueren zijn 196 werknemers in twee groepen verdeeld: een groep die gebruikelijke zorg krijgt, en een groep die hiernaast werkaanpassingen krijgt. De werknemers die na 8 weken nog steeds verzuimden van het werk als gevolg van hun klachten, zijn weer in twee groepen verdeeld: in een groep die een oefenprogramma krijgt en een groep die de gebruikelijke zorg ontvangt.
De resultaten laten zien dat de werkaanpassingen, waarin de werknemer zelf ook een stem heeft, bij werknemers met rugklachten leiden tot een snellere werkhervatting. Een jaar na de interventie is 91% van de werknemers met werkaanpassingen weer aan het werk, terwijl dit in de groep met de gebruikelijke begeleiding 83% was. De groep met werkaanpassingen hervat het werk na gemiddeld 77 dagen, de groep met de gebruikelijke begeleiding na gemiddeld 104 dagen verzuim: een verschil van 27 dagen. Het oefenprogramma voor mensen die na 8 tot 10 weken nog verzuimden droeg niet bij aan een snellere werkhervatting. De kosten van de werkaanpassingen bedragen €19 voor één dag sneller hervatten van het werk. Een gemiddelde verzuim reductie van 27 dagen is voor bedrijven met relatief geringe kosten te bereiken. Als dit programma voor werkaanpassingen op grote schaal in Nederland wordt ingevoerd dan levert dit de maatschappij en het bedrijfsleven per saldo zeer aanzienlijke besparingen op.
Op grond van deze resultaten wordt aanbevolen bij werknemers die verzuimen met rugklachten, na 2-6 weken het werk in overleg met alle betrokkenen aan te passen om een snelle werkhervatting te bevorderen.
Bron: TNO VU medisch centrum
23 december 2004 - Het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat (Kenniscentrum AKB) heeft een meetinstrument ontwikkeld, waarmee bedrijfsartsen de arbeidsgerelateerdheid van lage rugklachten kunnen bepalen.
Er zijn duidelijke verbanden bekend tussen bepaalde risicofactoren in werksituaties en het optreden van rugklachten, maar meestal kon onvoldoende worden aangetoond of er sprake is van een arbeidsgerelateerde aandoening. Daarom hebben het Kenniscentrum AKB, het NCvB en het Coronel Instituut voor Arbeid, Milieu en Gezondheid (AMC), het Instrument Arbeidsgerelateerdheid Aspecifieke Lage Rugklachten ontwikkeld. De bedrijfsarts kan hiermee bij een individuele werknemer beoordelen in hoeverre zijn of haar klachten door het werk zijn veroorzaakt en of het zinvol is de werkbelasting aan te passen.
Daarnaast kan de bedrijfsarts het instrument gebruiken om te bepalen of preventieve maatregelen op de werkvloer nodig zijn om zo herhaling van klachten of klachten bij andere werknemers te voorkomen. Ook andere behandelaars kunnen het instrument gebruiken, als zij voldoende kennis hebben van de werksituatie van de werknemer.
Het instrument begint met een checklist. Hoe zwaar en hoe vaak iemand tilt, met gebogen of gedraaide romp werkt of blootstaat aan lichaamstrillingen wordt zo in kaart gebracht. Vervolgens kan de bedrijfsarts in een tabel aflezen hoe groot de kans is dat de klachten zijn toe te schrijven aan de combinatie van risicofactoren in het werk. De gevonden informatie ondersteunt de bedrijfsarts in het professionele oordeel bij de begeleiding van werknemers en bij de beoordeling of sprake is van een beroepsziekte. Als de kans groter is dan vijftig procent wordt aanbevolen de werkbelasting aan te passen en de klachten te melden als beroepsziekte. Bij een kans kleiner dan of gelijk aan vijftig procent is de aanpak van specifieke risicofactoren gewenst.
Het instrument is te downloaden vanaf de website van het Kenniscentrum AKB: www.kenniscentrumakb.nl
Auteur : Radboud Universiteit/Michel Kooij
Bron :
Radboud Universiteit Nijmegen
Niet saai monotoon werk, maar mentaal inspannende taken vreten de meeste energie. Onderzoek naar cognitieve energiebronnen aan de Radboud Universiteit Nijmegen heeft de algemeen aanvaarde theorie, dat aanhoudend saaie klusjes doen vermoeiender is dan hard denken, ontkracht.
Promovenda Annika Smit ontdekte dat mentale en fysieke vermoeidheid zich anders manifesteert in de hersenen.
Volgens de onderzoekster zal iemand die mentaal vermoeid is zich slechter kunnen concentreren, vaker over vermoeidheid klagen en niet geneigd zijn zich mentaal in te spannen. “Het is niet verstandig om dan mentale taken uit te voeren, omdat waarschijnlijk veel fouten gemaakt zullen worden. Het beste is om een tijdje uit te rusten. Hoelang heb ik niet precies onderzocht, maar wel heb ik gevonden dat tien minuten te kort is,” aldus Smit.
Smit: “Iemand die fysiek vermoeid is, zegt wel dat hij moe is, maar voelt zich tegelijkertijd 'geestelijk' of 'mentaal' actiever. Een fysiek vermoeid iemand heeft minder weerstand tegen een mentale taak en kan daardoor normaal presteren.”
Pluk de dag
Ook onderzocht Smit het verloop van de beschikbare energie over de dag en komt met het volgende advies: "Doe het grootste denkwerk aan het eind van de ochtend. Fysieke inspanning kun je dan het beste aan het eind van de dag doen; niet omdat het dan het beste gaat, maar puur omdat je dan tijd hebt om 's ochtends te denken."
Fysiotherapie geven op de werkvloer heeft vrachtwagenfabrikant Scania Nederland een forse besparing opgeleverd. In drie jaar tijd zijn de ziekteverzuimkosten met vijf miljoen gedaald.
Dat hebben Scania, zorgverzekeraar Groene Land Achmea en het Centrum Integrale Rugzorg (CIR) donderdag bekendgemaakt. Scania voerde de fysiotherapie 'on the job' in 1999 in. Dat gebeurde in samenwerking met de zorgverzekeraar, het CIR en met ondersteuning van de Rijksuniversiteit Groningen.
Uit analyses blijkt nu dat het algemeen verzuimpercentage bij Scania in drie jaar tijd daalde met 23 procent. Ook het gemiddeld aantal behandelingen dat medewerkers nodig hadden, was een stuk lager dan wanneer zij de fysiotherapeut buitenshuis bezocht zouden hebben.
Bron: ANP
Het CIR onderbouwt haar diensten waar mogelijk met wetenschappelijk onderzoek. Bij de opzet van de interventies wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijk gefundeerde nationale en internationale richtlijnen en standaarden. De resultaten van de interventies worden voortdurend beoordeeld in effectiviteitsmetingen. De uitkomsten daarvan zijn een belangrijke leidraad voor het verbeteren van de interventies. Daarnaast is het CIR ook tijdens de interventies continue bezig met het monitoren van de kwaliteit van de interventies.
Recentelijk is in opdracht van het CIR, een zorgverzekeraar en de betreffende werkgever, een onderzoek afgerond door R. van de Boer en G. de Jong (2004) over de effectiviteit van interne fysiotherapie op de werkvloer.
De centrale vraagstelling van het onderzoek luidde als volgt:
“Heeft de inzet van interne fysiotherapie (behandelen, trainingen en preventie) het verzuim als gevolg van klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat teruggebracht, en zijn de baten hoger dan de kosten?”
De conclusie luidde als volgt:
Het algemene verzuimpercentage is in 2002 met 23% gedaald ten opzichte van 1999. Verder valt op dat medewerkers die intern fysiotherapie consumeren gemiddeld korter verzuimen dan medewerkers die extern fysiotherapie consumeren.
Het aantal aangevangen verzuimgevallen met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat is gedurende de onderzoeksjaren sterk gedaald. In 2002 is het aantal verzuimgevallen met 21% gedaald ten opzichte van 2000. Dit zijn cijfers die bevestigen dat de preventieve trainingen hun goede uitwerking hebben.
Verder is het aantal recidivisten sinds 2000 fors gedaald. Het aantal recidivisten met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat is in 2002 gedaald met 38, 5 % ten opzichte van 2000 . Verder valt op dat de medewerkers die recidiveren met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat zich voornamelijk intern laten behandelen of adviseren. Gemiddeld 80% van alle recidivisten brengt een bezoek aan de interne fysiotherapeut.
Tot slot kan gezegd worden dat de duur van de recidiven sterk is gedaald in 2002 ten opzichte van 2000. De daling komt uit op ruim 35%. In 2000 was de gemiddelde verzuimduur van de recidive nog 59,41 in 2002 is de gemiddelde verzuimduur gedaald naar 38,6.
De kosten van het project zijn lager dan de baten. In 2002 heeft de werkgever een winst behaald van bijna 1,4 miljoen euro over alle onderzoeksjaren. Als de medewerkers meer interne fysiotherapie consumeren zullen de kosten nog lager worden voor de werkgever. Hierdoor zal het voordeel voor de werkgever in de verzuimkosten verder toenemen.
Dit zal ook een positief effect hebben op de baten van de zorgverzekeraar, omdat men intern veel korter behandeld dan extern.
Eindconclusie:
Interne fysiotherapie is voordelig voor alle partijen, omdat men gemiddeld korter verzuimt dan medewerkers die extern fysiotherapie consumeren. Verder zijn er intern minder behandelingen nodig om de medewerkers weer aan het werk te krijgen.
Bron: website van het CIR (Centrum Integrale Rugzorg) :www.cir3.nl
Meer bewegen op het werk verhoogt uw rendement
Werknemers die voldoende bewegen zijn gezonder, fitter en hebben minder kans op overgewicht. Bovendien verzuimen sportende werknemers minder. Toch beweegt meer dan de helft van Nederlandse werknemers onvoldoende. Werk is nog steeds een belangrijke bron voor dagelijkse beweging, maar deze bron dreigt op te drogen.
TNO Arbeid heeft aangetoond dat sportende werknemers minder vaak en vooral korter verzuimen dan hun niet sportende collega’s. Dit geldt vooral voor werknemers die zittend werk doen. Over een periode van vier jaar verzuimen sporters gemiddeld 25 dagen korter dan niet-sporters en zelfs ruim 50 dagen korter dan werknemers die nooit gesport hebben.
Voordelen van bewegen
· Minder ziekte verzuim
· Gezonder, fitter en actiever personeel
· Minder klachten van rug, nek, schouders en armen
· Minder psychische klachten en burn-out
· Beter functionerend personeel
· Betere werksfeer, meer tevreden personeel
· Positief imago van de organisatie
Bewegingsarm werk komt steeds vaker voor: op kantoor, aan de assemblagelijn, achter het beeldscherm of achter het stuur. Om werknemers optimaal inzetbaar en productief te houden, wordt het actief stimuleren van voldoende lichaamsbeweging en het voorkomen van lichaamsbeweging en het voorkomen bewegingsarmoede op het werk steeds belangrijker. Maar hoe pakt u dit op een (kosten-) effectieve manier aan? TNO Arbeid levert u maatwerk, geeft u advies en werkt samen met u aan oplossingen voor uw organisatie
Psychische klachten kunnen niet alleen negatieve gevolgen voor de werknemer hebben, maar ook voor de betrokken werkgever en organisatie. Annet de Lange heeft in haar proefschrift de relatie tussen psychosociale werkkenmerken (zoals werkdruk en regelmogelijkheden) en psychische klachten (zoals depressie en burnout) nader onderzocht.
De vraag was of werkkenmerken een oorzaak zijn voor psychische gezondheid, of dat psychische gezondheid daarnaast ook deze werkkenmerken beïnvloedt. Het onderzoek van De Lange laat zien dat de werkbeleving inderdaad de psychische gezondheid van werknemers voorspelt. Eerder onderzoek had al een dergelijk verband aangetoond, maar uit De Lange's studie blijkt dat er sprake is van een oorzaak-gevolg relatie. Bovendien is de relatie tussen werk en psychische gezondheid ingewikkelder dan tot dusver werd gedacht. Het werk beïnvloedt niet alleen de psychische gezondheid van de werknemers maar het omgekeerde is ook het geval. De Lange's onderzoek laat namelijk zien dat werknemers met psychische klachten het werk anders kunnen beleven.
Unieke gegevens
De Lange maakte in haar onderzoek gebruik van een grootschalige en ook in internationaal verband unieke dataset, die werd verzameld door TNO in Hoofddorp. In dit onderzoek werden 1789 werknemers uit 34 verschillende bedrijven drie jaar lang gevolgd. In die periode werden zij vier keer bevraagd. Zo verkreeg de onderzoekster een betrouwbaar beeld van werkkenmerken en eventuele gezondheidsproblemen. Hoge werkdruk, het ontbreken van regelmogelijkheden en sociale steun op de werkvloer bleken belangrijke voorspellers van psychische klachten te zijn. Wanneer deze aspecten niet in balans zijn kan een werknemer binnen een jaar psychische gezondheidsklachten ontwikkelen, met arbeidsongeschiktheid als meest vergaande consequentie.
Veranderende versus stabiele werkomgeving?
De onderzoekster kon bovendien werknemers die gedurende het onderzoek in dezelfde werkomgeving bleven werken vergelijken met werknemers die van baan veranderden. De werknemers die drie jaar lang een baan met hoge werkdruk en weinig regelmogelijkheden hadden, rapporteerden de meeste psychische klachten. Werknemers die van een baan met lage werkdruk en veel regelmogelijkheden veranderden naar banen met hoge werkdruk en weinig regelmogelijkheden rapporteerden zelfs een duidelijke toename in klachten. Eigenlijk is het vrij simpel: werknemers die een hoge werkdruk ervaren zijn daar beter tegen bestand als ze zelf beslissingen kunnen nemen in de uitvoering van hun werk en als ze steun ervaren van hun collega's of supervisors. Zo blijven ze psychisch gezond en dat is niet alleen goed voor hen zelf, maar ook voor de werkgever. De Lange beveelt het management aan om goed, dus systematisch, in de gaten te houden of de werkdruk, regelmogelijkheden en sociale steun van werknemers in balans zijn. Dat kan geregeld worden via de Arbo-afspraken binnen een organisatie, maar ook via het periodieke functioneringsgesprek tussen leidinggevende en werknemer. Afspraken over werkplekmonitoring (bijvoorbeeld door werknemers te vragen wat zij van hun werk vinden) kunnen worden vastgelegd in de CAO's. "Preventie en maatwerk staat echter voorop", aldus De Lange.
Complexe relatie werk en mentale gezondheid
"De relatie tussen werk en mentale gezondheid blijkt complexer dan men in eerste instantie denkt", aldus De Lange: "Werk kan ziek maken, maar andersom kunnen werknemers met psychische klachten deze klachten ook meenemen naar het werk. Daardoor kan een werknemer bijvoorbeeld dezelfde werklast zwaarder gaan waarnemen, of zelf besluiten een andere functie te zoeken. Deze wederkerige effecten tussen werkkenmerken en psychische klachten is nog maar heel weinig onderzocht. Wij weten dus nog niet zo goed hoe vaak deze effecten voorkomen en hoe wij deze effecten kunnen verklaren."
Annet de Lange heeft in haar onderzoek veel aandacht besteed aan de effecten van psychische klachten en geprobeerd meer theorie hierover te ontwikkelen. "De effecten van mentale gezondheid kunnen positief of negatief zijn en kunnen door verschillende mechanismen verklaard worden", aldus De Lange. Een werknemer kan de werkomgeving door zijn of haar mentale gezondheid anders gaan waarnemen of een leidinggevende kan zien dat de werknemer niet goed presteert door de psychische klachten en daarom de werknemer minder taakeisen toebedelen. Kort samengevat, kunnen psychische klachten perceptie-effecten of echte omgevingsveranderingen tot gevolg hebben. Indien deze effecten negatief zijn, kan de werknemer gebaat zijn bij tijdige interventie op het werk; zoals trainingen of coaching, gericht op het vergroten van de vaardigheden van de werknemer, of een aanpassing van het takenpakket.
Interventies
Het is in het belang van werkgevers en werknemers om psychische klachten te voorkomen of te verminderen. Hoe? Dat is afhankelijk van de arbeidssituatie. De Lange: "Iemand die weinig sociale steun ervaart, zou je kunnen helpen met meer aandacht van de leidinggevende. Een ander moet bijvoorbeeld meer mogelijkheden krijgen om het werk anders aan te pakken, of flexibeler te kunnen plannen. Het is erg belangrijk dat de overheid wettelijke aanbevelingen (zoals in de ARBO-wet) blijft geven omtrent het ontwerpen van een gezonde werkomgeving en dat de werkgevers deze aanbevelingen ook daadwerkelijk opvolgen. De werkgever moet het werk zo ontwerpen dat werknemers er hard, maar ook met plezier kunnen werken. Werknemers moeten in staat gesteld worden te herstellen van de geleverde inspanning." Inmiddels is Annet de Lange als universitair docent aan de VU Amsterdam bezig met een grootschalig project waarin zij samen met prof. dr. Paul Jansen onderzoek doet naar de motivatie van oudere werknemers om langer door te blijven leren en te werken. Verder werkt De Lange mee aan internationaal vergelijkend onderzoek.
What about causality? Examining longitudinal relations between work characteristics and mental health, A.H. de Lange, promotie 31 maart 2005.
Bron: Nieuwsbank

Inkopers kunnen indirect de prestaties van hun collega's verbeteren door bij aankoopbeslissingen ook ergonomische criteria te gebruiken. Dit stellen adviseurs van TNO op basis van hun ervaringen met de inzet van goede ergonomische producten.
Karen Reijneveld, Dianne Commissaris en Ernst Koningsveld
Een inkoper koopt niet alleen spullen die direct of indirect bij een klant belanden, maar ook producten die zijn collega's nodig hebben om hun werk te doen. Voor zijn collega's in het ziekenhuis moet de inkoper bijvoorbeeld operatie-instrumenten, tilhulpmiddelen en laboratoriuminstrumenten aanschaffen. Met goede ergonomische producten worden werkzaamheden makkelijker en minder zwaar. Een inkoper weet waarschijnlijk wel dat hij bij voorkeur een ergonomisch product moet kopen, maar wat is dat dan? Veel producten worden tegenwoordig 'ergonomisch' genoemd, maar hoe weet een inkoper nu wat ergonomisch gezien de beste keuze is? Een inkoper heeft immers van huis uit geen kennis over ergonomie. Hij kan niet beoordelen welke consequenties bepaalde productkenmerken op de prestaties van zijn collega's hebben. En er zijn productkenmerken waar je in het dagelijkse werk niet zoveel van merkt, maar die wel degelijk invloed hebben op de prestaties. Bijvoorbeeld de vorm van de handgreep van een laparoscoop of scalpel; die bepaalt de spierkracht waarmee de hand het instrument vasthoudt en zo hoe snel een chirurg een moe gevoel of zelfs pijn in zijn handen krijgt. De grootte van een tillift bepaalt of hij wel gebruikt kan worden op een meerpersoonskamer en in hoeverre hij in de weg staat op de gang. De logische ordening en de kleur van de knoppen op het bedieningspaneel van een apparaat op de intensive care bepalen hoe snel een verpleegkundige kan ingrijpen als er iets mis gaat met de patiënt en ook de kans op fouten. De vraag is of de verpleegkundige of chirurg ooit terug gaat naar de inkoper om te melden dat het materiaal niet zo goed is. Waarschijnlijk hoort de inkoper alleen iets als de spullen die hij voor zijn collega's aanschaft slechter of minder prettig werken dan ze gewend zijn.
Prijs-prestatieverhouding
Inkopers worden betaald om goedkoop in te kopen, dus het is terecht dat ze daarvoor gaan. Maar het product met de laagste aanschafprijs is uiteindelijk niet altijd de beste en goedkoopste keuze. Een inkoper die zijn vak verstaat baseert zijn aankoopbeslissing op de beste prijs-prestatieverhouding. Om volledig te zijn in de beoordeling van de prestatie die met een product kan worden bereikt, kan een lijst met ergonomische criteria voor inkopers een belangrijk hulpmiddel zijn. Prestatie wordt namelijk bevorderd door ergonomie. Direct omdat de gebruiker er sneller mee kan werken of langer kan doorwerken voordat hij moe wordt. En indirect omdat de gebruikers bijvoorbeeld minder verzuimen of gewoon prettiger werken met het product.
Je denkt nu waarschijnlijk dat ergonomisch goede producten altijd duurder zijn dan de wat minder verantwoorde producten, waar de professional in het ziekenhuis op zich goed genoeg mee kan werken. In aanschaf is dat meestal zo, maar de aanschafprijs is niet het enige dat telt in het financiële plaatje. Je moet ook kijken naar wat de investering het bedrijf op langere termijn oplevert. En dan telt mee dat het ziekteverzuim minder kan worden, dat de productiviteit hoger kan worden, dat de kwaliteit van het geleverde werk beter kan worden of dat de kans op een werknemer in de WAO minder wordt. Het kan zelfs zo zijn dat de exploitatie- en onderhoudskosten van de machines en gereedschappen waarmee gewerkt wordt minder worden. Dit zijn allemaal positieve gevolgen van de inkoop van een ergonomisch verantwoord product.
Als je alle investeringen (of kosten) en alle financiële voordelen (of baten) op een rij zet in een zogenaamde kosten/baten-analyse blijkt dat de aanschaf van een ergonomisch product zich op termijn bijna altijd terugverdient. De aanschaf van een dure bestratingsmachine (18.500 euro) bijvoorbeeld kost een stratenmaker ruim 11.000 euro per jaar. Dit zijn éénmalige investeringskosten en jaarlijkse operationele kosten. De machine wordt afgeschreven in 5 jaar. Elf duizend euro per jaar is veel geld voor een klein bestratingbedrijf. Maar omdat de machine het werk van 2 opperlieden overneemt, bespaart hij wel 34 euro per uur aan loonkosten. Dus als de machine elk jaar 330 uur ingezet wordt, heeft hij zichzelf al terugverdiend. Daarnaast wordt het werk van die ene opperman die nu met de machine gaat werken een stuk minder zwaar. Bij medische instrumenten en apparatuur zitten de baten naar verwachting in een beperking van de kans op fouten en in de snelheid van werken. Het eerste is moeilijk in geld uit te drukken omdat de reductie van fouten alleen is te schatten; omdat het om mensen gaat is het hoe dan ook een belangrijk punt. En de snelheid van werken bespaart veel als we denken aan de hoge uurtarieven van medisch personeel, operatiekamers, ziekenhuisbedden en zorg. Zo verdienen duurdere instrumenten en apparaten zichzelf al snel terug.
Ergonomische criteria
Even terug naar de vraag hoe een inkoper weet wat ergonomisch gezien de beste keuze is. Omdat ergonomie niet zijn vak is, kan een lijst met eisen en regels, zogenaamde ergonomische criteria, hem helpen. Op deze lijst staat waar de verschillende aspecten van het aan te schaffen product aan moeten voldoen. Een handgreep van een operatie-instrument voor een precisietaak moet bijvoorbeeld anders zijn dan die voor een krachttaak. Voor de eerste taak moet de greep tussen duim en wijsvinger passen, want daar kan een mens heel precies mee werken. Voor de krachttaak moet de greep juist de vorm van een vuistgreep hebben, want een mens kan de grootste kracht zetten met zijn hele hand. Ook moet het materiaal van de handgreep wat stroever zijn, zodat de hand niet wegglijdt als hij kracht zet. Voor alle handgrepen geldt, dat ze niet te glad mogen zijn. Als het materiaal te glad is dan moet hij onnodig hard knijpen om het instrument vast te houden. Een ander belangrijk punt is de feedback die je krijgt van hoe het instrument aangrijpt op het weefsel; die terugkoppeling moet passen bij de taak die wordt verricht. Kortom, een goede afstemming van het product op de handen of andere lichaamsdelen van diegene die er mee moet werken, let best nauw. De lijst met criteria geeft precies aan wat de beste afstemming is. Belangrijk is dat op de lijst alleen regels en eisen staan die in praktijk ook aanwezig zijn bij een product. Het heeft geen zin en werkt alleen maar frustrerend om een ideaal product te eisen dat nergens verkocht wordt. Maar hoe maak je zo'n lijst met ergonomische criteria?
Kennis en draagvlak binnen de branche
Ten eerste is het belangrijk om het opstellen van zo'n lijst branchebreed aan te pakken. Dat wil zeggen je hiermee niet als afzonderlijk bedrijf aan de slag moet gaan, maar steun moet zoeken bij een branchevereniging die meerdere bedrijven vertegenwoordigt. Zo worden de kosten gedeeld, want voor één bedrijf is het al gauw te duur. Ook kunnen alle bedrijven in de branche dan mee profiteren van zo'n lijst en de voordelen die die heeft voor de mensen op de werkvloer. Vervolgens moet je niet achter je bureau blijven zitten. Je moet gaan praten met en kijken naar de mensen die uiteindelijk met de spullen gaan werken: de professionele gebruikers en misschien ook vakdocenten en hun leerlingen. Maar dat niet alleen. Als je voor inkopers in een hele branche zo'n lijst wilt maken, moet je ook de mensen betrekken die de ergonomische criteria gaan gebruiken: de inkopers zelf. Ten slotte moeten de mensen voor wie zo'n lijst consequenties kan hebben, namelijk de leveranciers van de producten, niet vergeten worden. Je moet immers wel een beeld hebben of de criteria haalbaar zijn. Door al deze partijen te betrekken verzamel je niet alleen belangrijke praktijkkennis, maar werk je ook aan het draagvlak binnen de branche.
Praktisch toepasbare criteria
Bij het opstellen van ergonomische criteria moet je goed in de gaten houden dat zo'n lijst praktisch blijft: de criteria moeten hanteerbaar en toetsbaar zijn. Dat wil zeggen dat je simpel vast moet kunnen stellen of een product aan de criteria voldoet. Met schuifmaat, rolmaat, weegschaal, de specificaties van de fabrikant en het bekijken van het product moet een inkoper een heel eind kunnen komen.
Expertise nodig
Het bovenstaande maakt duidelijk dat er expertise nodig is om te komen tot een breed gedragen, praktische en toetsbare lijst. Ten eerste vereist het inzicht in en respect voor de belangen van alle betrokken partijen. Tegelijk zijn vaardigheden nodig om bijeenkomsten met die betrokkenen te leiden, zodat op een efficiënte manier zoveel mogelijk kennis uitgewisseld wordt. Tenslotte is specifieke ergonomische kennis noodzakelijk om criteria op te stellen en wetenschappelijk te onderbouwen.
Meer informatie
TNO Arbeid heeft in opdracht van de Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (RAS) in 2003 ergonomische criteria opgesteld voor een aantal schoonmaakmachines en hierbij in Excel een kosten/baten-overzicht gemaakt dat aan te passen is voor elk bedrijf. Zie www.zowerkjeprettiger.nl onder de link 'rapporten'.
Karen Reijneveld, Dianne Commissaris, Ernst Koningsveld zijn adviseurs bij TNO

AMSTERDAM - Rsi-patiënten zijn mentaal net zo sterk als de gemiddelde Nederlander. Zo komen depressies en burn-out niet vaker voor dan bij de doorsneebevolking. Dit blijkt uit onderzoek van het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, verbonden aan het AMC in Amsterdam.
De studie ontkracht het vooroordeel dat werknemers met rsi-klachten, die problemen hebben met nek schouder of armen, psychisch zwakker zouden zijn. Dat psychosociale factoren een rol spelen bij rsi, heeft niet te maken met de mentale gezondheid, zegt onderzoeker Judith Sluiter van het Coronel Instituut.
Doorzetters
Desondanks de klachten blijkt dat driekwart van de rsi-patiënten geheel of gedeeltelijk aan het werk is. “Kennelijk hebben mensen er veel voor over. Ze stoppen energie in hun werk, waardoor ze minder over hebben voor hun sociale leven”, zegt Sluiter. Dat psychosociale factoren een rol spelen bij rsi, heeft niet te maken met de mentale gezondheid, vindt zij.
Nekhijgerij
Uit recent TNO-onderzoek blijkt dat vijftien procent van de werknemers wel eens met klachten aan arm, nek of schouder kampt. Dat kost de samenleving jaarlijks twee miljard euro. “Er valt nog veel te winnen en niet alleen economisch”, meent Corrie Kooijman van de rsi-patiëntenvereniging. “Als werkgevers een iets flexibeler houding zouden aannemen, minder in de nek van werknemers hijgen en erop zouden letten dat mensen niet te lang achter de pc zitten. Maar ja, de meeste managers geven zelf het slechte voorbeeld.”
Aanpassing
Uit de studie van het Coronel Instituut blijkt ook dat bij slechts een derde van de werknemers met rsi de werkplek is aangepast. Maar negen procent heeft langere of meer pauzes of andere werktijden gekregen. “En dan nog weten we niet of die soms dure aanpassingen werken”, onderstreept onderzoeker Sluiter.
Publicatiedatum: dinsdag 28 februari 2006
Bron: Trouw
Auteur: Nieuwsredactie Elsevier Gezondheidszorg
|
|
CME Author: Penny Murata, MD
November 28, 2007
"The management of low back pain and determining the patient's safe return to work are common issues encountered by family physicians," write Trang H. Nguyen, MD, and David C. Randolph, MD, MPH, from the University of Cincinnati College of Medicine in Milford, Ohio. "Challenges include unfamiliarity with the patient's job demands, complex workers' compensation systems, and a vast array of diagnostic and therapeutic interventions with questionable effectiveness and value. The objectives of this article are to encourage conservative care in patients with occupational nonspecific low back pain (i.e., pain occurring predominantly in the lower back without neurologic involvement or serious pathology), to promote early return to work, and to prevent prolonged disability."
Up to 90% of patients with occupational nonspecific low back pain can return to work relatively quickly. Provided there are no warning signs of serious underlying pathologic conditions, the patient should be encouraged to minimize bed rest and to remain as active as possible, to use ice or heat compresses, to take anti-inflammatory or analgesic medications as needed, to exercise at home, and to return to work as soon as possible.
Warning signs, or "red flags" that should prompt consideration of diagnostic testing beyond thorough function and physical examination include drug or alcohol abuse, fever, genitourinary tract difficulties, history of malignancy, immunocompromised status, long history of steroid use, lower extremity weakness or numbness, major trauma, osteoporosis, pain at rest, suspected ankylosing spondylitis, and worsening neurologic symptoms.
When the patient is still unable to successfully reenter the workplace after 4 to 6 weeks, medical and surgical intervention should be minimized, provided there are no abnormalities on physical examination. To expedite recovery and prevent long-term disability, personal and occupational psychosocial factors should be thoroughly addressed, and multidisciplinary rehabilitation should be strongly considered. The goals of patient advocacy are to prevent unnecessary and ineffective medical and surgical interventions and to minimize work loss, joblessness, and long-term disability.
Specific recommendations for practice are as follows:
*In patients with low back pain, antidepressants and nonsteroidal anti-inflammatory drugs can decrease severity of pain (level of evidence, A).
*For patients who are having difficulty returning to work, clinicians should address personal and occupational psychosocial barriers (level of evidence, A).
*For patients with chronic low back pain, multidisciplinary programs can facilitate return to the workplace while reducing pain and improving function (level of evidence, A).
*To minimize complications and prolonged time lost from work, clinicians should encourage patients with low back pain to remain active and should provide conservative care (level of evidence, A).
*To facilitate return to work, clinicians should communicate with the patients, their employer, insurance companies, and other healthcare providers (level of evidence, C).
When indicated, temporary modified duty may encourage early return to work and should be requested (level of evidence, B).
"Psychosocial variables, both personal and occupational, are strong risk factors for work absenteeism and chronic disability," the study authors write. "Lifting requirements at work and the unavailability of modified duty can delay early return to work. Patients older than 50 years are more likely to have prolonged, severe low back pain and are less likely to respond to treatment."
Some of the relevant psychosocial risk factors noted by the study authors are depression, educational level, excessive pain level, fear avoidance, job dissatisfaction, legal representation, somatization disorder, unemployment, and having filed a workers' compensation claim.
Documentation in the medical history should include age, comorbid conditions, medication use, and history of diagnostic testing and response to treatment. The physical examination should thoroughly document search for and assessment of serious spinal pathologic conditions and neurologic complications.
Because radiography and magnetic resonance imaging findings do not correlate with clinical symptoms of nonspecific low back pain or ability to work, these studies should be reserved for patients with radicular symptoms who do not respond to conservative care and for those with worsening neurologic findings, objective weakness, uncontrolled pain, or suspected cauda equina syndrome.
There is no clear evidence supporting the use of acupuncture, epidural steroid injections, muscle relaxants, spinal manipulation, transcutaneous electrical nerve stimulation, trigger point injections, heat therapy, and therapeutic ultrasound. Although antidepressants decrease the intensity of pain, they do not improve the ability to perform activities of daily living.
Electromyography biofeedback, shortwave diathermy, botulinum toxin type A injections, facet injections, prolotherapy, tractions, and lumbar braces and supports are not recommended. Bed rest should not exceed 2 days, and patients should be encouraged to be as active as possible.
"Exercise conducted under the supervision of a therapist three to five times per week is highly recommended as first-line therapy in the treatment of low back pain," the study authors conclude. "However, there is conflicting evidence as to which type of exercise therapy is most effective."
Clinical Context
Of the estimated annual 149 million lost work days from lumbar injuries, two thirds are from occupational injuries, according to Maetzel and Li in the January 2002 issue of Best Practice & Research Clinical Rheumatology. The losses in productivity from lost work days are approximately $28 billion per year, and 10% of patients with low back pain have pain that lasts for more than 3 months. In the March 2005 issue of Current Opinion in Rheumatology, Manek and MacGregor report that in 90% of patients with low back pain, the cause is not clear.
This article describes conservative management for patients with occupational nonspecific low back pain, promotion of early return to work, and prevention of prolonged disability.
Study Highlights
*1 episode of low back pain is associated with recurrence in 1 year in 20% to 44% of patients and lifetime recurrence in up to 85%.
Psychosocial risk factors for work absenteeism and long-term disability are depression, educational level, excessive pain, fear avoidance, job dissatisfaction, legal representation, somatization disorder, unemployment, and workers' compensation.
*Patients older than 50 years are more likely to have persistent severe pain, disability, and less response to treatment.
*Pain documentation includes quality, location, severity, duration, frequency, onset, aggravating and alleviating factors, and effect on activities of daily living.
*Patient documentation includes age, job and duties, current work restrictions, comorbidities, medication, and previous pain care.
"Red flags" of potentially serious pathologic conditions are drug or alcohol abuse, fever, genitourinary tract problems, cancer, immunocompromise, long-term steroid use, leg weakness or numbness, major trauma, osteoporosis, pain at rest, possible ankylosing spondylitis, and worsening neurologic symptoms.
*Magnetic resonance imaging and other studies are indicated for increasing neurologic findings, weakness, uncontrolled pain, or possible cauda equina syndrome.
*Treatment includes analgesic and anti-inflammatory medications, and massage plus exercise.
*First-line therapy includes therapist-supervised exercise 3 to 5 times weekly with home exercise.
*Treatment should change from passive to active with time.
*Antidepressants improve pain symptoms but not activities of daily living.
*Patients should be as active as possible and limit bed rest to less than 2 days.
*Treatments with unclear efficacy are acupuncture, epidural steroid injection, muscle relaxants, spinal manipulation, transcutaneous electrical nerve stimulation, trigger point injection, heat, and ultrasound.
*Treatments with no benefit are electromyography biofeedback, shortwave diathermy, botulinum toxin type A injection, facet injection, prolotherapy, traction, and lumbar brace or support.
*Surgery, including electrothermal therapy, spinal or nerve root decompression, and lumbar fusion, is not recommended because of limited or conflicting evidence.
*Returning to work early or remaining at work, even if symptomatic, does not increase risk for reinjury and can decrease missed work days, chronic pain, and disability.
*Short-term modified work duty can decrease work absenteeism.
*Communicating with the patient, employer, insurance company, and case manager will help the worker-employer relationship and assessment of the patient's work duties.
*Improvement should be documented to continue physical therapy.
*A multidisciplinary rehabilitation program is recommended if no improvement after 2 weeks of exercise therapy or if unable to return to work after 4 to 12 weeks.
*Programs include exercise, goals for return to work, vocational rehabilitation, biopsychosocial therapy, and medication management by a clinician, physiotherapist, and psychologist.
*Behavioral therapy includes operant strategy of positive reinforcement, cognitive strategy to identify and modify pain beliefs, and respondent strategy of using relaxation techniques.
*Education on back anatomy and function by itself or combined with exercise is not effective.
*Current methods to evaluate functional capacity of the back to assess work readiness are not valid or reliable.
*Joblessness and disability are linked to poverty, depression, suicidal behavior, family problems, domestic violence, infant mortality, crime, cancer mortality, and heart disease.
*Missing work for 4 to 12 weeks is linked to 40% chance of missing work the next year.
Pearls for Practice
*Conservative treatment of adults with occupational nonspecific low back pain includes analgesic and anti-inflammatory medications, massage, and supervised and home exercise.
*Adults with nonspecific low back pain should return to work, which might need to be modified on a short-term basis; a multidisciplinary rehabilitation program is recommended for those unable to resume work after 4 to 12 weeks.
Medscape Medical News 2007. ©2007 Medscape
|
© Copyright 2010 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 06-09-2010
|


