Disciplines > Bekkentherapie
Bekkentherapie
> bekkentherapeuten in PMC
> Wat is bekkentherapie ?
> Incontinentie bij ouderen is onderschat probleem
Stoornissen bekkenbodemfunctie vaak onderschat
|
|
12 september 2009
Functiestoornissen van de bekkenbodem zoals incontinentie en verzakkingen komen veel voor bij vrouwen. De ernst van de stoornissen is mede afhankelijk van de kracht en souplesse van o.a. de bekkenbodemspieren, die kunnen worden getraind onder begeleiding van de bekkenfysiotherapeut.
Relevant
Hierdoor kan in de toekomst mogelijk een operatie worden voorkomen, maar het vergt alertheid en aandacht voor preventie. Dit en meer concludeert Marijke Slieker – ten Hove, bekkenfysiotherapeut, in haar proefschrift waarop zij op 9 september promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De resultaten van het promotieonderzoek zijn relevant voor de dagelijkse praktijk en dragen bij aan preventie en behandeling van stoornissen van de functie van de bekkenbodemspieren. Het is voor het eerst dat een dergelijk onderzoek in een algemene vrouwelijke populatie is verricht.
Chirurgisch ingrijpen
Slieker onderzocht de epidemiologische aspecten van de functie en disfunctie van de bekkenbodem in een algemene vrouwelijke populatie in de leeftijd van 45 tot 85 jaar in Nederland. Bekkenbodemfunctiestoornissen komen veel voor. Bij vrouwen zijn de meest bekende symptomen incontinentie en urogenitale prolaps (verzakking), maar ook vaginale geluidsvorming, niet kunnen plassen of ontlasten en seksuele disfunctie komen voor. De impact van bekkenbodemfunctiestoornissen is groot en gecompliceerd en heeft een belangrijke negatieve uitwerking op de kwaliteit van leven. Slieker: “Omdat heel veel vrouwen deze stoornissen krijgen en dit door de vergrijzing alleen maar zal toenemen, stijgen de kosten voor de gezondheidszorg voor wat betreft b.v. operaties van verzakkingen. Betere voorlichting voor bijvoorbeeld zwangeren en alertheid voor de risicofactoren zijn hard nodig om te voorkomen dat vrouwen met verzakkingen meerdere malen in hun leven geopereerd moeten worden. Bekkenfysiotherapie heeft de voorkeur boven chirurgisch ingrijpen.”
Dochters
De belangrijkste risicofactoren zijn een voelbare of zichtbare vaginale uitstulping tijdens de zwangerschap, een moeder met een urogenitale verzakking en het verrichten van zwaar lichamelijk werk. Alleen de laatste risicofactor is beïnvloedbaar. Slieker: “Artsen zouden zich op deze risicofactoren moeten richten bij de anamnese van zwangeren en vrouwen met prolaps klachten en hen informeren over de risico’s die zij en hun mogelijke dochters lopen.”
Obstipatie
11.4% van de onderzochte vrouwen heeft het meest opvallende symptoom van een urogenitale verzakking: een voelbare of zichtbare vaginale uitstulping (‘balgevoel’). 21% van de onderzochte algemene vrouwelijke populatie heeft een verzakking. Slieker ontwikkelde een zogenaamde prognostische index, waarmee het vóórkomen van klinisch relevante verzakkingen in een algemene vrouwelijke populatie kan worden geschat zonder een inwendig onderzoek. Urogenitale verzakking van de vaginale achterwand is geassocieerd met obstipatie. Daarom moeten maatregelen genomen worden om problemen met ontlasting zoveel mogelijk te voorkomen.
Vervolgstudies
In haar proefschrift beschrijft Slieker tevens de bekkenbodemspierfunctie. De bekkenbodemspieren moeten bij buikdrukverhoging (zoals bij hoesten of tillen) aanspannen zonder dat men zich er bewust van is. Slieker: “Een belangrijke bevinding is dat vrouwen met sterke bekkenbodemspieren minder goed in staat bleken om deze plotselinge buikdrukverhoging op te vangen met de bekkenbodemspieren. Dat betekent dat het testen van de kracht en uithouding van de bekkenbodemspieren niet genoeg is om voldoende zicht te krijgen op de functie van deze spieren. De belangrijkste bevinding is dat bij het onderzoek naar de rol van de bekkenbodemspieren in relatie tot de urogenitale verzakking is gebleken dat vrouwen zonder verzakking in 75% van de gevallen goed in staat blijken om het hoesten op te vangen. Vrouwen met een zeer lichte verzakking kunnen dat nog maar in 38% van de gevallen. De geregistreerde bekkenfysiotherapeut zal dus in het begeleiden van jonge vrouwen met de aangetoonde risicofactoren en vrouwen met verzakkingsklachten een rol moeten spelen om het opvangen van de buikdrukverhoging (zoals bij hoesten en zwaar tillen) efficiënt op te vangen. Het effect hiervan zal in vervolgstudies moeten worden onderzocht.”
Dr. Marijke Slieker – ten Hove is afdelingshoofd Bekkenfysiotherapie bij de Stichting Opleidingen Musculoskeletale Therapie.
Bron: Erasmus MC
Relevant
Hierdoor kan in de toekomst mogelijk een operatie worden voorkomen, maar het vergt alertheid en aandacht voor preventie. Dit en meer concludeert Marijke Slieker – ten Hove, bekkenfysiotherapeut, in haar proefschrift waarop zij op 9 september promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De resultaten van het promotieonderzoek zijn relevant voor de dagelijkse praktijk en dragen bij aan preventie en behandeling van stoornissen van de functie van de bekkenbodemspieren. Het is voor het eerst dat een dergelijk onderzoek in een algemene vrouwelijke populatie is verricht.
Chirurgisch ingrijpen
Slieker onderzocht de epidemiologische aspecten van de functie en disfunctie van de bekkenbodem in een algemene vrouwelijke populatie in de leeftijd van 45 tot 85 jaar in Nederland. Bekkenbodemfunctiestoornissen komen veel voor. Bij vrouwen zijn de meest bekende symptomen incontinentie en urogenitale prolaps (verzakking), maar ook vaginale geluidsvorming, niet kunnen plassen of ontlasten en seksuele disfunctie komen voor. De impact van bekkenbodemfunctiestoornissen is groot en gecompliceerd en heeft een belangrijke negatieve uitwerking op de kwaliteit van leven. Slieker: “Omdat heel veel vrouwen deze stoornissen krijgen en dit door de vergrijzing alleen maar zal toenemen, stijgen de kosten voor de gezondheidszorg voor wat betreft b.v. operaties van verzakkingen. Betere voorlichting voor bijvoorbeeld zwangeren en alertheid voor de risicofactoren zijn hard nodig om te voorkomen dat vrouwen met verzakkingen meerdere malen in hun leven geopereerd moeten worden. Bekkenfysiotherapie heeft de voorkeur boven chirurgisch ingrijpen.”
Dochters
De belangrijkste risicofactoren zijn een voelbare of zichtbare vaginale uitstulping tijdens de zwangerschap, een moeder met een urogenitale verzakking en het verrichten van zwaar lichamelijk werk. Alleen de laatste risicofactor is beïnvloedbaar. Slieker: “Artsen zouden zich op deze risicofactoren moeten richten bij de anamnese van zwangeren en vrouwen met prolaps klachten en hen informeren over de risico’s die zij en hun mogelijke dochters lopen.”
Obstipatie
11.4% van de onderzochte vrouwen heeft het meest opvallende symptoom van een urogenitale verzakking: een voelbare of zichtbare vaginale uitstulping (‘balgevoel’). 21% van de onderzochte algemene vrouwelijke populatie heeft een verzakking. Slieker ontwikkelde een zogenaamde prognostische index, waarmee het vóórkomen van klinisch relevante verzakkingen in een algemene vrouwelijke populatie kan worden geschat zonder een inwendig onderzoek. Urogenitale verzakking van de vaginale achterwand is geassocieerd met obstipatie. Daarom moeten maatregelen genomen worden om problemen met ontlasting zoveel mogelijk te voorkomen.
Vervolgstudies
In haar proefschrift beschrijft Slieker tevens de bekkenbodemspierfunctie. De bekkenbodemspieren moeten bij buikdrukverhoging (zoals bij hoesten of tillen) aanspannen zonder dat men zich er bewust van is. Slieker: “Een belangrijke bevinding is dat vrouwen met sterke bekkenbodemspieren minder goed in staat bleken om deze plotselinge buikdrukverhoging op te vangen met de bekkenbodemspieren. Dat betekent dat het testen van de kracht en uithouding van de bekkenbodemspieren niet genoeg is om voldoende zicht te krijgen op de functie van deze spieren. De belangrijkste bevinding is dat bij het onderzoek naar de rol van de bekkenbodemspieren in relatie tot de urogenitale verzakking is gebleken dat vrouwen zonder verzakking in 75% van de gevallen goed in staat blijken om het hoesten op te vangen. Vrouwen met een zeer lichte verzakking kunnen dat nog maar in 38% van de gevallen. De geregistreerde bekkenfysiotherapeut zal dus in het begeleiden van jonge vrouwen met de aangetoonde risicofactoren en vrouwen met verzakkingsklachten een rol moeten spelen om het opvangen van de buikdrukverhoging (zoals bij hoesten en zwaar tillen) efficiënt op te vangen. Het effect hiervan zal in vervolgstudies moeten worden onderzocht.”
Dr. Marijke Slieker – ten Hove is afdelingshoofd Bekkenfysiotherapie bij de Stichting Opleidingen Musculoskeletale Therapie.
Bron: Erasmus MC
bekkentherapeuten in PMC
![]() ![]() |
Marjan van Rooij-Koreman en Angelique de Jong-Gommeren, gespecialiseerde bekkenfysiotherapeuten
Bekkenfysiotherapie in het PMC
Het PMC heeft reeds jaren een belangrijke functie verworven met betrekking tot fysiotherapie bij bekken- en bekkenbodemproblemen.De therapie wordt uitgevoerd door daarvoor gekwalificeerde bekkentherapeuten die ingeschreven zijn bij de NVFB, de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en pre- en postpartum gezondheidszorg.
Bij bekkentherapie moet u denken aan b.v. pijnklachten tijdens zwangerschap, urineverlies, verzakkingsklachten, ontlastingsproblemen, enz. Patiënten worden vaak verwezen door de huisarts, gynaecoloog, uroloog, chirurg of verloskundige.
Hoe gaat een bezoek aan de bekkenfysiotherapeut in zijn werk ?
Als u voor de eerste keer komt wordt er een anamnese ( is een vraaggesprek over de klachten) afgenomen, waarna uitleg volgt over uw klacht en een eventuele behandeling.Ze zal u vragen om een mictielijst ( dagboekje wanneer en hoeveel u plast) bij te houden en soms een vragenlijst in te vullen.
Ook is het mogelijk om ( bij bekkenbodemklachten) via een inwendig onderzoek de functie van de bekkenbodem te onderzoeken en te meten.Indien dit noodzakelijk is zal dit eerst met u besproken worden en pas worden ingepland tijdens de 2º of 3° behandeling.
De behandeling zal bestaan uit oefentherapie voor bekken en/of bekkenbodem, uitleg over toiletgedrag, houdingsadviezen en adviezen m.b.t. het dagelijkse leven.
Ook bij de bekkenfysiotherapeut kunt u zonder verwijzing van een arts terecht, alhoewel wij ons kunnen voorstellen dat u bekkenklachten als urineverlies of verzakkingsproblemen wellicht liever eerst met uw eigen huisarts bespreekt.
Bij bekkenklachten bij kinderen wordt intensief samengewerkt met een kinderfysiotherapeut.
Voor informatie :
mail : info@pmc-roosendaal.nl
tel. : 0165 559261
vraag naar : Marjan van Rooij of Angelique de Jong
Wat is bekkentherapie ?
Bekkentherapie wordt verzorgd door daarvoor speciaal opgeleide fysiotherapeuten en is gericht op de behandeling van klachten die te maken hebben met het functioneren van het bekken zelf en de organen die daarin liggen. Zo zal de bekkentherapie gericht zijn op klachten als: bekkeninstabiliteit, ongewild urineverlies, ontlastingsverlies, verzakkingsklachten, obstipatieklachten, begeleiding na gynaecologische en neurologische operatie.
De bekkentherapeuten van het PMC zijn als gespecialiseerde bekkentherapeuten geregistreerd bij het KNGF.
De bekkentherapeuten van het PMC zijn als gespecialiseerde bekkentherapeuten geregistreerd bij het KNGF.
De behandeling wordt vergoed door de zorgverzekeraars voor zover fysiotherapie in Uw aanvullende verzekering is opgenomen.
Behandeling van patiënten met een chronische aandoening (volgens de lijst chronische indicaties) en van kinderen tot 18 jaar wordt altijd vergoed.
Voor meer informatie:
Mevr. Angelique de Jong-Gommeren
Mevr. Marjan van Rooij-Koreman
Tel.: 0165 559261
E-mail: info@pmc-roosendaal.nl

Bekkenfysiotherapie is een erkende verbijzondering binnen de algemene fysiotherapie.
Leden van de NVFB zijn fysiotherapeuten met een speciale opleiding op het gebied van het voorkomen en behandelen van functiestoornissen en klachten binnen het gehele gebied van buik-, bekken- en lage rug bij vrouwen, mannen, kinderen en ouderen. Het bekken, de gewrichtsbanden, de bekkenbodem en de bekkenorganen beïnvloeden elkaar wederzijds. Een klacht in het bekken kan leiden tot een klacht in de bekkenbodem en omgekeerd.
U kunt hierbij denken aan:
*ongewild verlies van urine en/of ontlasting;
*niet te onderdrukken aandrang om te plassen en/of te ontlasten, veel te vaak plassen;
*moeizaam kwijt kunnen van ontlasting;
*verzakkingen van blaas, baarmoeder of darmen;
*pijnklachten in de onderbuik, rond de anus of de geslachtsdelen;
*seksuele problematiek, gerelateerd aan functiestoornissen van de bekkenbodem;
*voor en na operaties in de onderbuik (gynaecologische, urologische en colorectale operaties);
*bekkenpijn en lage rugklachten in de periode rond zwangerschap en bevalling;
*bij gezonde zwangeren vormen is de begeleiding met name gericht op preventie van bekkenpijn en bekkenbodemdysfuncties;
*bekkenpijn en lage rugklachten door andere oorzaken dan zwangerschap of bevalling.

1. urineblaas
2. baarmoeder
3. dikke darm
4. urineweg
Urine-incontinentie beter onder controle
Urine-incontinentie is goed te behandelen
Vaak begint het met een ‘klein ongemak’: u verliest zomaar een paar druppels urine. Gewoon als u lacht, iets optilt, tijdens het hoesten of terwijl u aan het sporten bent. Bij een inspanning, klein of groot, is er dan sprake van urine-incontinentie. Inspanningsgebonden urine-incontinentie wordt officieel stress-urine-incontinentie genoemd. Dit is op zich niet heel ernstig, maar vooral erg vervelend. U kunt zich onzeker gaan voelen. Sommige mensen ervaren hierdoor veel beperkingen in hun dagelijkse leven en/of houden op met sporten. En dat is begrijpelijk. Want incontinentie is een onderwerp waarover de meeste mensen uit schaamte niet zo makkelijk praten. Terwijl incontinentie meestal heel goed te behandelen is. Daarom raden we u aan uw incontinentie met uw huisarts of met een fysiotherapeut te bespreken. Want na behandeling kunnen uw klachten afnemen of zelfs verdwijnen.
Wat is incontinentie?
Incontinentie is het ongewild verlies van urine en/of ontlasting. De meeste mensen met incontinentie hebben last van urine-incontinentie. De hoeveelheid urineverlies kan bij iedereen verschillen: een druppeltje, een scheut, een straal of zelfs een hele plas. Het komt op alle leeftijden voor, hoewel meer ouderen dan jongeren er last van hebben. Er zijn verschillende vormen van urine-incontinentie. We behandelen nu alleen stress-urine-incontinentie bij volwassenen, dat wil zeggen: ongewild urineverlies bij plotselinge drukverhoging in de buik, zoals bij opstaan, bukken, tillen, hoesten, lachen of sporten. Deze vorm van incontinentie komt voornamelijk voor bij vrouwen. Ook mannen kunnen er last van krijgen, maar dan meestal pas op hogere leeftijd en/of na een prostaatprobleem. Een andere vorm is bijvoorbeeld drang (urge) urine-incontinentie, ofwel ongewild urineverlies in samenhang met plotselinge, zeer sterke niet te onderdrukken plasdrang. Op welke manier fysiotherapie waardevol kan zijn voor mensen met stress-urine-incontinentie, leest u hier.
Welke oorzaken kunnen een rol spelen bij stress-urine-incontinentie?
Volgens een schatting heeft ongeveer 5% van de Nederlandse bevolking last van urine-incontinentie. Sommigen hebben er veel last van, anderen maar weinig. Exacte cijfers zijn niet bekend, maar stress-urine-incontinentie is verreweg de meest voorkomende vorm van incontinentie. Het is géén ziekte. Er zijn verschillende oorzaken mogelijk en in een aantal gevallen ontstaat de incontinentie zelfs zonder duidelijke reden. Vaak is de incontinentie terug te voeren op het niet goed functioneren van de bekkenbodemspieren. Deze spieren onderin het bekken vormen samen de bodem. Ze geven steun aan de blaashals zodat deze gesloten blijft als de blaas zich vult, ook bij plotselinge druk zoals bij hoesten of lachen. Wie gaat plassen ontspant zijn of haar bekkenbodem. Dan gaat de blaashals open en kan de urine wegstromen. Bij iemand met stress-urine-incontinentie werken de bekkenbodemspieren meestal niet goed als het gaat om het ondersteunen van de blaas tijdens buikdrukverhogende momenten.
Factoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van stress-urine-incontinentie zijn onder andere zwangerschap en bevalling. Het kan beïnvloed worden door veel hoesten en zwaar tillen of door de overgang. Ook kan het ontstaan na operaties aan buik, bekken of prostaat. Soms hangt de incontinentie samen met medicijngebruik, gynaecologische aandoeningen of psychische factoren zoals onderdrukte emoties (verdriet, angst of boosheid), spanningen of een zware mentale belasting. Stress-urine-incontinentie is niet alleen afhankelijk van de conditie van de bekkenbodem, maar ook van de houding, de ademhaling, de manier van bewegen en de algemene lichamelijke conditie.
Fysiotherapie kan incontinentie verminderen of zelfs verhelpen. In overleg bepaalt u met uw huisarts welke behandeling het meest geschikt is. Is dit fysiotherapie, dan wordt u verwezen naar een fysiotherapeut. Voor specifieke deskundigheid kunt u verwezen worden naar een bekkenfysiotherapeut, die een opleiding heeft gedaan voor het behandelen van deze klachten. De (bekken)fysiotherapeut gaat samen met u op zoek naar de oorzaak van uw urineverlies en stelt met u een behandelplan op. Tijdens uw behandeling en in de advisering en begeleiding door de fysiotherapeut komen aan de orde:
Informatie over de (vermoedelijke) oorzaak van uw incontinentie.
Een persoonlijk advies m.b.t. ademhaling, houding en beweging, drinken en toiletgedrag.
Leren bewust uw bekkenbodemspieren aan te spannen en te ontspannen.
Leren bewust buikdruk op te vangen.
U kunt met hulp van de fysiotherapeut die daarvoor is opgeleid uw incontinentie verminderen of zelfs verhelpen met oefeningen en door het opvolgen van adviezen. Oefentherapie voor de bekkenbodemspieren in combinatie met advies vormt de basis van de fysiotherapeutische behandeling. Dat blijkt zeer succesvol. Met bekkenbodemtraining wordt gestreefd naar een zo goed mogelijk werkende bekkenbodem. Bij sommigen zal dit nooit helemaal worden bereikt, maar anderen worden relatief snel en eenvoudig weer droog.
Blijf trouw uw oefeningen doen!
Mensen met urine-incontinentie krijgen meestal individuele therapie. Soms is groepstherapie mogelijk. Het voordeel van groepstherapie is dat u anderen ontmoet met hetzelfde probleem. U kunt elkaar dan stimuleren om de oefeningen te blijven volhouden. Want dat is heel belangrijk. Voor een blijvend succes zult u de aangeleerde oefeningen en vaardigheden trouw moeten blijven doen. Geef ze daarom een vaste plaats in uw dagelijkse leven.
Wat kunt u verder verwachten van (bekken)fysiotherapie?
Met de oefeningen krijgt u een actieve rol in uw behandeling en kunt u nieuwe problemen helpen voorkomen. U ontwikkelt een beter spiergevoel en gaat bewuster om met het gebied rond uw bekken. Doordat u een beter inzicht krijgt in de oorzaken en gevolgen van uw incontinentie, kunt u er ook beter mee omgaan. En als er een operatie nodig is, heeft u een betere uitgangspositie. Want hoe beter uw conditie, hoe beter u herstelt.
Tot slot: is stress-urine-incontinentie te voorkomen?
Er zijn een aantal factoren genoemd die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van stress-urine-incontinentie. Niet op al die factoren kunt u zelf invloed uitoefenen. Waar u echter meestal wel zelf voor kunt zorgen is een goede lichamelijke conditie en dat u alle tijd neemt voor toiletbezoek.
Als u nog vragen heeft, overleg dan met uw fysiotherapeut.
Incontinentie bij ouderen is onderschat probleem

Gevulde blaas

bij verhoging van de druk
door bijv. hoesten, springen, niezen
ontstaat stress-incontinentie
door bijv. hoesten, springen, niezen
ontstaat stress-incontinentie
Bron(nen): Radboud Universiteit Nijmegen
Van de ouderen die te maken hebben met ongewild urineverlies gaat slechts de helft voor een behandeling naar de huisarts. De anderen passen hun activiteiten aan of nemen hun toevlucht tot incontinentiemateriaal. Dat hoeft niet, want urine-incontinentie is goed te behandelen, aldus de Deventer huisarts Doreth Teunissen, tevens verbonden aan de afdeling Huisartsgeneeskunde van het UMC St Radboud in Nijmegen. Zij promoveerde op dit onderwerp.
Ongewild urineverlies komt bij oudere mensen vaak voor. Van de zelfstandig wonende vrouwen boven de zestig heeft 29 procent minimaal twee maal per maand te maken met ongewild urineverlies. Bij de mannen boven de zestig is dat 9 procent. Dat komt neer op een half miljoen Nederlanders van zestig jaar of ouder. Hierbij zijn bewoners van verzorgings- en verpleeghuizen niet meegerekend. Gezien de toenemende vergrijzing van de Nederlandse bevolking zal dit aantal de komende decennia sterk groeien.
Deze gegevens zijn afkomstig uit het promotieonderzoek van Doreth Teunissen naar urine-incontinentie bij ouderen die nog zelfstandig wonen. Het is een vervolg op eerder onderzoek van prof.dr. Toine Lagro-Janssen, die incontinentie bij vrouwen van middelbare leeftijd in kaart bracht.
Training en medicatie
Teunissen interviewde 370 ouderen met incontinentieproblemen. Slechts de helft van hen had hiervoor de dokter geraadpleegd. Veel ouderen met incontinentie denken dat er toch niets aan te doen is. Vrouwen hebben doorgaans weinig moeite met het gebruik van incontinentiemateriaal, mannen zijn eerder geneigd hun activiteitenpatroon aan te passen. Zij gaan bijvoorbeeld minder de deur uit. Teunissen: ‘Dat is jammer, want de meeste vormen van incontinentie zijn met een bekkenbodemtraining, een blaastraining en eventueel aanvullende medicatie goed te behandelen. Mensen kunnen dan weer gewoon de deur uit en het gebruik van incontinentiemateriaal kan worden beperkt.’ Aan incontinentiemateriaal gaven de zelfstandig wonende Nederlanders in 2002 104 miljoen euro uit. Hierbij komt nog het bedrag dat verpleeghuizen hieraan besteden.
Huisartspraktijk
Teunissen ontdekte dat mannen en vrouwen verschillend tegen incontinentie aankijken. De meeste vrouwen accepteren het probleem als een onvermijdelijk gevolg van doorgemaakte zwangerschappen en ouderdom. Mannen zijn bang dat er misschien iets mis is met hun prostaat en gaan daarom met hun klachten eerder naar de huisarts dan vrouwen. Deze angst is veelal ongegrond. Bij de huisarts blijkt dan dat de incontinentie in de meeste gevallen niet samenhangt met prostaatproblemen en goed te behandelen is.
Het behandelen van incontinentie bij ouderen is typisch een zaak voor de huisartspraktijk en niet voor de tweede lijn, vindt Teunissen. Oudere patiënten hebben vaak nog andere gezondheidsproblemen, die de behandeling kunnen beïnvloeden. De huisarts is hiervan op de hoogte, terwijl de tweede lijn de incontinentie veeleer als geïsoleerd probleem bekijkt, stelt zij. Praktijkondersteuners of wijkverpleegkundigen zouden ingezet kunnen worden voor de uitleg en de begeleiding van bekkenbodem- of blaastraining. De bestaande huisartsenrichtlijn is gericht op urine-incontinentie bij vrouwen van middelbare leeftijd. Teunissen beveelt aan om deze richtlijn aan te passen, zodat hij ook geschikt wordt voor ouderen.
|
© Copyright 2010 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 30-07-2010
|



