> Artrose ? Blijf oefenen !
> Artrose in de heup
> Artrose van de grote teen
> Nieuwe behandeling voor patiënt met artrose
> Paracetamol effectief bij artritis
> Welke heupartrose zal verslechteren?
> Fysiotherapie en manuele therapie
> Sportief bewegen met artrose
> Heupartrose en operatiemethoden
> Chondroitin of Little Benefit for Osteoarthritis
> Artrose in hand voorspellend voor artrose elders
> Artrose, een revalidatiegeneeskundige benadering
- Wat weet ik van artrose ? Toets u zelf
- Inleiding
- Hoe vaak komt artrose voor ?
- wanneer spreken we van artrose als een aandoening ?
- Wat is artrose ?
- Wat is een gewricht ?
- Hoe ontstaat artrose ?
- Wat zijn de symptomen bij artrose ?
- Waar komt artrose het meest voor ?
- Risicofactoren voor het ontstaan van artrose
- Is artrose te voorkomen ?
- Mag men sporten met artrose ?
- Hoe wordt de diagnose van artrose gesteld ?
- Behandelmogelijkheden bij artritis en artrose
- Waar kan ik meer lezen over artrose ?
- Heeft U nog vragen ?
Artrose
Iedereen in Nederland heeft wel een mening over artrose. Op feestjes, visites, enz. is het een veel besproken onderwerp. De meningen die daar verkondigd worden zijn vaak gebaseerd op ervaring, van horen zeggen, over gelezen, enzovoorts. Is de visie die u als lezer heeft ook een juiste visie?
Om dit te toetsen zullen we uw visie op dit veel besproken onderwerp vooraf met u doornemen middels een lijst met 11 stellingen. U kunt deze beantwoorden met waar of niet waar.
Als u de informatie heeft doorgelezen kunt u zelf deze lijst nogmaals beantwoorden en bekijken of uw mening over artrose is veranderd.
- Artrose wordt in Nederland " slijtage " genoemd.
Versleten is versleten en daar is niets aan te doen. U moet er mee leren leven
Waar / Niet waar - Artrose is een aandoening die altijd pijn veroorzaakt
Waar / Niet waar - Artrose is een aandoening die veroorzaakt wordt door het verrichten van zwaar werk.
Waar / Niet waar - Artrose is geen ziekte en komt voor bij alle mensen boven de 50 jaar.
Waar / Niet waar - Een gewricht dat artrose vertoont moet minder worden belast.
Waar / Niet waar - Bij een artrotische heup is lopen niet goed. Het is beter om te fietsen en te zwemmen.
Waar / Niet waar - Bij artrose van de nek, lage rug, heup of knie is het beter om niet te sporten.
Waar / Niet waar - Artrose heeft niets te maken met botontkalking ( osteoporose)
Waar / Niet waar - Pijnklachten bij artrose kunnen volledig herstellen
Waar / Niet waar - Artrose gaat gepaard met gewrichtsontsteking
Waar / Niet waar - Aan artrose kan een fysiotherapeut niets doen.
Waar / Niet waar
Maar liefst 650.000 Nederlanders bezoeken jaarlijks hun huisarts met klachten door artrose:
ongeveer dertig procent van hen is jonger dan 65 jaar. Per jaar komen er zo'n 60.000 nieuwe patiënten bij. In het jaar 2000 is dat aantal naar schatting tot een miljoen gestegen.
Ouderen beschouwen artrose veelal als een slijtageverschijnsel dat verbonden wordt aan het ouder worden. Het is van belang dat ouderen met gewrichtsklachten van lendenwervelkolom(LWK),heup en/of knie een aangepaste leefstijl ontwikkelen. Het doel daarvan is om beperkingen in het functioneren te voorkomen of om te voorkomen dat ze verergeren.
Artrose betekent degeneratie van het gewricht. In Nederland wordt het "gewrichtsslijtage" genoemd, een term waar je niet vrolijk van wordt. Slijtage of versleten klinkt zo definitief en veronderstelt dat er niets meer aan te doen is.
Gelukkig is dit niet helemaal waar zoals verderop duidelijk zal worden.
In het medische jargon zal artrose meestal beschreven worden met de termen arthrosis, arthrosis deformans of osteoarthrosis.
Veel mensen denken dat artrose hetzelfde is als reuma, maar dat is niet helemaal waar.
De oorzaak daarvan ligt bij de Wereldgezondheids Organisatie ( W.H.O.) dat reuma beschrijft als: " Alle primaire aandoeningen van het bewegingsapparaat die niet traumatisch zijn ". In die zin is artrose een aandoening van het bewegingsapparaat, welk niet direct het gevolg hoeft te zijn van een trauma en dus onder de grote groep valt van aandoeningen, die de WHO als reuma omschrijft.
In Nederland echter wordt met reuma meestal reumatoïde arthritis of chronische reuma bedoeld en dat is een andere aandoening met een andere oorzaak en een ander ziekteverloop. Ook heeft artrose niets te maken met botontkalking ( osteoporose).
Hoe vaak komt artrose voor?

Maar liefst 650.000 Nederlanders bezoeken jaarlijks hun huisarts met klachten door artrose. Per jaar komen daar zo'n 60.000 nieuwe patiënten bij ( T.N.O., Preventie en Gezondheid).
In procenten betekent dit,dat tussen de 10 en 12 % van alle volwassenen klachten heeft van deze gewrichtsaandoening.
Beperken we ons tot de ouderen dan komt het bij ongeveer 20% van alle vrouwen voor en bij 14% van alle mannen ( Goedhard en Knook, 1993).
Deze cijfers betreffen dan alleen nog maar de patiënten die er last van hebben, want artrose komt nog véél meer voor bij mensen die er geen last van hebben. De röntgenfoto kan wel artrose aangeven maar dat wil niet zeggen dat deze klachten geeft.
Uit voorgaande blijkt wel dat het geen aandoening is die alleen bij oudere mensen voorkomt. Uit onderzoek blijkt dat artrose van de lage rug al op de röntgenfoto zichtbaar is bij 40% van alle 30-jarigen, bij 70% van alle 40- jarigen en op 50- jarige leeftijd is niemand meer vrij van artrotische veranderingen aan de wervelgewrichten. Gelukkig maar dat dit niet altijd leidt tot klachten in de zin van pijn of beperkingen, want dan zou boven de 50 jaar nagenoeg iedereen patiënt zijn.
Men kan dan ook stellen dat artrose een normaal ouderdomsverschijnsel is dat ons allen kan overkomen. Het gewricht vertoont verschijnselen die normaal zijn bij het ouder worden. Alle weefsels en organen zullen veranderingen vertonen door het ouder worden. Kijk hierbij maar naar de huid, de ogen, de haren, de bloedvaten, enz. Zo ook vergaat het onze gewrichten.
Wanneer spreken we dan van artrose als een aandoening?
Een 70- jarige heeft normaal gewrichten die bij een 70-jarige horen. Het kan echter ook zijn dat de gewrichten het beeld vertonen van een 60-jarige. In dit geval is er wel sprake van artrose, maar in feite is dat een zeer gunstige toestand.
Ook dient er sprake te zijn van een gelijke toestand van het linker en rechter gewricht.
Hoe het komt dat de ene persoon er wel last van heeft en de andere niet wordt besproken in de volgende hoofdstukken.
Wat is artrose?
Artrose is een chronische aandoening van de gewrichten waarbij het gewrichtskraakbeen kapot gaat en het onderliggende bot woekeringen kan gaan vertonen. (TNO, maart 1998)
Om dit goed uit te leggen wordt eerst ingegaan op de bouw van een gewricht en het kraakbeen daarvan.

Wat is een gewricht?
Dit slijmvlieslaagje produceert een gewrichtsvocht, ook wel gewrichtsmeer genoemd, dat ervoor zorgt dat het kraakbeen spiegelglad is, zodat beweging zeer soepel kan verlopen. Vergelijk het maar met twee glasplaten die je over elkaar schuift. De glasplaten zijn zeer glad, maar als je ze overelkaar schuift, dan ontstaan er toch kleine krasjes. Als je er een druppeltje water tussen doet, dan wordt het oppervlak nog gladder en blijft beschadiging uit. In het gewricht is dit ook zo en zodoende is het mogelijk dat gewrichten zo'n 80 jaar en meer goed kunnen functioneren.
Het gewrichtsmeer heeft nog meer functies nl. het zorgt voor de voeding van het kraakbeen en daarnaast zorgt het ervoor dat de gewrichtsvlakken dicht tegen elkaar blijven. ( vergelijk ook dit met de glasplaten. Als je er een druppel water tussen doet en je pakt de bovenste glasplaat vast, dan blijft het onderste eraan hangen ).
Als dit niet zo zou zijn, dan zou b.v. in het heupgewricht de kop van het bovenbeen t.o.v. de kom uitzakken als het been van de grond is en tijdens het plaatsen van het been op de grond weer tegen de kom aankomen, hetgeen beschadiging van het kraakbeen kan veroorzaken.

1. botweefsel
2. kraakbeen
3. banden
4.kapsel
5. kraakbeenverandering
6. botafbraak/botwoekering
Kraakbeen bestaat uit een laagje bindweefsel dat over de botuiteinden ligt en heeft tot doel de gewrichtsoppervlakken glad te maken, zodat de botuiteinden goed en soepel over elkaar kunnen schuiven. Daarnaast werkt dit laagje als een soort schokdemper. Het bestaat voor 60-85% uit water en kan bij compressie grote krachten opvangen. Als het gewricht wordt belast, b.v. in de knie tijdens de standfase bij lopen, dan wordt het vocht uit het kraakbeen geperst ( alsof je een spons uitknijpt). Tijdens de zwaaifase van het been wordt het water weer door het kraakbeen opgezogen, zodat het volume van het kraakbeen weer wordt hersteld. Dit vocht bevat voedingsstoffen, dat ervoor zorgt dat het kraakbeenlaagje telkens wordt gevoed en zodoende in prima conditie blijft. Tijdens de compressiefase worden met het uitgeperste water de afvalstoffen afgevoerd.
Hoe ontstaat artrose?
Bij artrose is er sprake van een abnormale slijtage die meer is dan past bij de leeftijd. Het kraakbeen slijt dan te snel en op te jeugdige leeftijd. Kraakbeen kun je zien als een kooi van hele strakke vezels, die opgevuld is met een soort sponsachtige moleculen. Die moleculen zuigen water aan, waardoor het weefsel gaat zwellen. Als het kraakbeen onder druk komt, wordt er een klein laagje water uitgeperst. Dank zij de vloeistof in het gewricht glijden de kraakbeenlagen gemakkelijk over elkaar heen, zijn ze elastisch en kunnen ze de druk goed opvangen.
Kraakbeen heeft geen bloedvaten en is dus voor de energievoorziening aangewezen op bewegen. Bij belasting van het gewricht wordt het vocht uit de sponsachtige moleculen geperst, terwijl de vloeistof bij ontlasten weer terug wordt "gezogen". Bij ritmisch bewegen wordt op deze manier een constante vloeistofstroom onderhouden.
Zowel de vezels als de moleculen worden aangemaakt en afgebroken door cellen en zolang dat proces in evenwicht is, is er niets aan de hand. De problemen van artrose ontstaan pas wanneer dit natuurlijk evenwicht is verstoord, op de een of andere manier in de vezelkooi breuken ontstaan en het kraakbeen een andere, rommelige samenstelling krijgt.
Voor de smering van gewrichten speelt de synoviale vloeistof een belangrijk rol. De viscositeit van de synoviale vloeistof veroorzaakt een gewrichtssmering met een uitermate lage weerstand. De synoviale vloeistof zorgt ervoor dat de gewrichtsoppervlakken elkaar daarbij niet raken, een proces dat enigszins te vergelijken is met "aquaplaning".
Het in kwaliteit achteruitgaande kraakbeen wordt dof, ondoorzichtig en ruw aan de oppervlakte. Er ontstaan eerst kleine scheurtjes die steeds uitgebreider en dieper worden. Het oppervlak wordt steeds ruwer, zodat het gewricht tijdens belasting krakende geluiden kan laten horen. De eindfase is kaal bot waarop geen kraakbeen meer aanwezig is. Het botweefsel dat daar direct eronder ligt gaat veranderen. Het wordt harder en dikker. Dit proces verloopt niet mooi met egaal bot, maar het vertoont meestal holtes ( cysten) en botuitwassen of botwoekeringen (osteofyten). Dit heeft wel een functie nl. hierdoor neemt de beweging af ( dus ook de verder beschadiging) en de stabiliteit toe.
Ook gebeurt het weleens dat er stukjes kraakbeen of bot afbreken die dan vrij in het gewricht rond kunnen zwerven ("gewrichtsmuizen"). Deze losse deeltjes kunnen veel pijn veroorzaken als ze worden ingeklemd en kunnen ook ervoor zorgen dat het gewricht "op slot " komt te zitten.
De pijn en de stijfheid worden vooral veroorzaakt door reacties in het kapsel van het gewricht. Dit kapsel wordt door de veranderde belasting van het gewricht geïrriteerd. Dit heet dan een artritis, synovitis of gewrichtsontsteking. De knie vertoont dan ontstekingsverschijnselen als roodheid, zwelling, warmte, pijn en bewegingsbeperking. Het kapsel is aan de binnenkant te vergelijken met een keel bij keelontsteking. Het ziet er rood, gezwollen en glanzend uit.
In deze fase van de aandoening is er meestal veel pijn, waarvoor de patiënt zijn arts bezoekt die dan meestal medicijnen zal voorschrijven. Deze medicijnen zorgen ervoor dat de ontstekings-verschijnselen worden verminderd, waardoor de klachten zullen afnemen. (N.B. deze ontstekingen hebben niets met een infectie te maken !)
Gelukkig leidt niet elke artrose tot een artritis. Veelal verloopt het proces probleemloos. En als artrose door overbelasting of een klein trauma toch tot een artritis komt, dan wil dit niet zeggen dat dit niet meer zal kunnen genezen. Na herstel van de artritis is de pijn verdwenen, de grootste bewegingsbeperking weer afgenomen en kan men weer goed functioneren. De artrose zelf blijft wel bestaan, maar dit hoeft op zich geen klachten te geven. De uitspraak "het is versleten en U moet er mee leren leven" wil absoluut niet zeggen dat U niet meer van de klachten afkomt. Beter zou de uitspraak zijn "er is een slijtage, dit hoeft op zich geen klachten te geven, maar u moet er wel goed mee omgaan".
Bij erge artrose kan er stijfheid en bewegingsbeperking ontstaan, vooral 's morgens bij het opstaan uit bed of bij het opstaan na zitten. Na korte tijd is dit meestal weer verdwenen.
De stijfheid, die altijd hetzelfde is, komt door de veranderingen in het gewricht zelf. Doch de startstijfheid en ochtendstijfheid worden veroorzaakt doordat er in het gewricht wat meer vocht vrijkomt. Tijdens bewegen zorgt de pompfunctie van het gewricht dat dit vocht voldoende wordt afgevoerd. Als je stilzit of ligt dan is deze pompfunctie tijdelijk verminderd, waardoor het gewricht wat meer vocht bevat. Als je dan gaat bewegen is er even een forse stijfheid, die vrij snel weer afneemt, afhankelijk van de hoeveelheid vocht en de functie van het gewricht.
Ook de spieren rondom het gewricht ondergaan veranderingen. Enerzijds door de veranderde functie in het gewricht en anderzijds doordat er vanuit het gewricht een veranderde reflexwerking uitgaat op de spier. Hier wordt niet verder op ingegaan, maar het resultaat daarvan is spierkrachtvermindering, stijfheid van de spier, kramp en spierpijn. Door de verminderde spierfunctie neemt de stabiliteit van het gewricht verder af.
De belangrijkste symptomen bij artrose (gewrichtslijtage) zijn:
- bewegingsbeperking
- stijfheid en vooral startstijfheid (bij opstaan na liggen of zitten)
- soms startpijn
- functiebeperkingen
- vaak neem het gewricht een typische vorm aan.
De belangrijkste symptomen bij artritis (gewrichtsontsteking) zijn:
- sterk toegenomen gewrichtsbeperking
- sterk toegenomen stijfheid en startstijfheid. De startstijfheid duurt ook langer.
Hoe langer de startstijfheid duurt, hoe erger de artritis is. - toegenomen pijn, welke nu zowel tijdens rust als tijdens bewegen kan voorkomen. Na belasten neemt ook de pijn in rust toe.
- instabiliteit (het gevoel hebben dat je tijdens belasten plots even door het gewricht zakt.
- zwelling van het gewricht; vocht in het gewricht
- lokale temperatuursverhoging van het gewricht dat vaak van buitenaf voelbaar is
- soms ook roodverkleuring van het gewricht
- afname van de belastbaarheid en functie
Artritis als gevolg van artrose is een verschijnsel dat meestal na overbelasting ontstaat of toeneemt. Dit verergeren van de klachten is er meestal de oorzaak van dat men de arts bezoekt. Onderzoek van het gewricht toont dan de aanwezige artrose. Meestal is het echter zo dat het artritisbeeld weer goed zal herstellen. De artrose blijft dan wel bestaan, doch hoeft niet altijd klachten te veroorzaken.
Waar komt artrose het meest voor ?
Artrose komt het meest voor in de halswervelkolom, het onderste deel van de lendewervel-kolom en in de handen. Daarna volgen in frequentie van vóórkomen de grote teen, de knieën en de heupen. Ellebogen, polsen, schouders en enkels zijn relatief weinig aangedaan.
Hierbij dient wel vermeld te worden dat artrose van knieën en handen bij vrouwen meer voorkomt dan bij mannen. Heupartrose komt bij mannen iets vaker voor dan bij vrouwen.
Er zijn ook sterke verschillen tussen de verschillende rassen. Zo komt bijv. bij Chinezen heupartrose maar zelden voor. Knie-artrose komt bij zwarte vrouwen meer voor dan bij blanke vrouwen.

Risicofactoren voor het ontstaan van artrose
De belangrijkste risicofactor is leeftijd. Daarna volgen geslacht en ras (zie eerder). Ook erfelijke aanleg (genetische predispositie) is een belangrijke factor. Als de ouders veel artrose-klachten hebben, is de kans groot dat de kinderen dat ook krijgen.
Aan bovenstaande risicofactoren kunnen we totaal niets doen.
Andere belangrijke factoren zijn:
- overgewicht
- overbelasting in beroep, hobby of sport
- trauma of ongeluk in het gewricht
- doorgemaakte andere aandoeningen in het gewricht, bijv. een vorm van reuma
Bovenstaande vraagt nog om enige uitleg. Overgewicht is een belangrijke risicofactor voor alle vormen van artrose, maar vooral van de knieën. Ook overbelasting in het beroep is een belangrijke factor en het gaat hierbij vooral om zware eenzijdige belasting bijv. arbeid waarbij je lange tijden op één plaats moet staan of veel moet tillen. Zo hebben boeren een 5 tot 9 maal grotere kans op heupartrose, wat toegeschreven wordt aan zwaar tilwerk. Artrose van de handen werd aangetoond bij mensen die erg veel handenarbeid verrichten.
Ook heeft men bij bepaalde sporten een grotere kans op artrose. Zo is aangetoond dat voetballers meer kans hebben op knie-, voet- en enkelartrose. Die voetballers die veel "koppen" hebben een duidelijk grotere kans op artrose van de nekgewrichten.
Daar staat tegenover dat lange-afstandlopers helemaal niet meer kans op knieartrose hebben dan niet-hardlopers. De oorzaak daarvan ligt in het feit dat hardlopen wel meer belasting geeft van de knieën, doch het kraakbeen niet beschadigt. Bij voetballen treden er meer kleine trauma' tjes op van het kraakbeen in knieën, voeten en nek.
Elk gewrichtstrauma leidt tot het ontstaan van een vroegtijdige artrose. De bekendste trauma's zijn dan het meniscusletsel en de kruisbandscheuringen in de knie. Ook elke breuk die zich voordoet tot in het gewricht geeft een grotere kans op artrose.

Over het algemeen kan gesteld worden dat elke verandering in of om het gewricht een predispositie (=vergrote kans) kan zijn voor het ontstaan van artrose:
- Overgewicht, eenzijdige belasting, te zware belasting kunnen een directe beschadiging van het kraakbeen geven.
- Een letsel van het gewrichtskapsel of de gewrichtsbanden kan ook een oorzaak zijn. Een gewrichtsband die gescheurd is, herstelt meestal niet of maar in geringe mate en dit kan aanleiding zijn tot een veranderde stand of beweging van het gewricht, waardoor kraakbeen anders wordt belast. Zowel onder- als overbelasting geeft verandering van de structuur van kraakbeen en kan daardoor een directe aanleiding geven tot het ontstaan van artrose.
Een letsel van het kapsel herstelt meestal wel snel, maar niet met het oorspronkelijke kapselweefsel, doch met littekenweefsel, dat een andere samenstelling heeft en daarmee een andere functie. De veranderde trekspanning van het littekenweefsel geeft irritatie van de aanhechtingsplaats en stimuleert het bot tot woekering aan de randen. Ook kan het littekenweefsel een veranderde belasting van het kraakbeen veroorzaken, waardoor het artroseproces versneld kan gaan optreden. - Elke bewegingsbeperking van een gewricht geeft een veranderde belasting van het kraakbeen. Op sommige plekken wordt het kraakbeen overbelast en op andere plaatsen wordt het onderbelast. Beide veranderen de belasting van het kraakbeen en zijn zodoende een predispositie voor artrose.
Is artrose te voorkomen ?
Primaire preventie betekent het voorkomen van artrose. Mogelijkheden hiertoe moeten gezocht worden in het verminderen van de risicofactoren zoals:
zorgen dat je niet te zwaar wordt/ geen langdurige eenzijdige arbeid verrichten en als je dan toch dergelijk werk hebt, zorgen voor regelmatige afwisseling in stand en beweging/ handwerken kan leuk zijn, maar overdrijf het niet in tijd/ til niet te zware voorwerpen, roep liever de hulp in van anderen:"vele handen maken licht werk"/ probeer bij sporten het veroorzaken van blessures zoveel mogelijk te vermijden door goed schoeisel, goede terreinen, betere regels, maar vooral ook veiliger gedrag op het sportveld.
Secundaire preventie betekent dat je maatregelen neemt om reeds aanwezige artrose in progressiviteit af te remmen. Oplossingen moeten dan gezocht worden in gewichtsafname; aanpassing op het werk; beter schoeisel met schokabsorberende zolen.
Alles komt neer op het aanpassen van de belasting op de belastbaarheid van het artrotische gewricht. Dit betekent zeker niet dat je het gewricht niet meer mag belasten. Goede en gezonde beweging is een voorwaarde tot afremmen van de progressie. Een goede stabiliteit en spierversterking zorgen ervoor dat het gewricht beter beschermd wordt tegen overbelasting en trauma's.
Natuurlijk is dit afhankelijk van de ernst van artrose. Als de mobiliteit van het artrotische gewricht goed is, dan is een lichte vorm van sport eerder aanbevolen dan verboden. Elke vorm van overbelasting dient hierbij wel te worden voorkomen. Zoek ook geen sport die de kans op blesseren van het gewricht verhoogt. Wandelen, hardlopen, gymnastiekoefeningen, fietsen en zwemmen zijn over het algemeen goede vormen van sport. De conditie van het gewricht kan daardoor toenemen. Sporten als badminton, tennis, golf en volleybal kunnen bij bepaalde vormen van artrose zeer goed zijn. Zorg wel altijd voor goed schoeisel met een schokabsorberende zool.
Voorbeelden:
- Bij heupartrose is wandelen en zwemmen zeer goed; wandelen geeft door de afwisselende belasting en ontlasting van het gewricht een betere voeding van het kraakbeen, waardoor een progressie wordt tegengegaan en soms zelfs een licht herstel mogelijk is. Zwemmen draagt bij tot een training van de mobiliteit van het gewricht; fietsen mag wel indien dit geen problemen geeft, ook niet na het fietsen. Bij fietsen is de schuifbelasting over het kraakbeen groter dan bij wandelen en daarom meer belastend voor het kraakbeen.
- Bij knie-artrose geldt hetzelfde als bij heupartrose. Sport, die overbelasting of de kans op microtrauma's (kleine blessures) doet toenemen, is niet verstandig. Bij tennis is de kans hierop groter dan bijv. bij golf.
- Bij artrose van de handen is een keuze in volleybal wel een hele slechte. Kies dan een sport die de handen wel doet bewegen, maar weinig belast. Zwemmen kan een goede keuze zijn.
- Bij artrose van de lage rug zijn wandelen en zwemmen een goede keuze. Fietsen is goed voor de algemene conditie, doch geeft geen bijdrage aan verbetering van het probleem.

Kortom:
BELAST !! MAAR BELAST GOED.
Niet bewegen of niet belasten leidt alleen maar tot verdere toename van de klachten.
Hoe wordt de diagnose van artrose gesteld ?
Bij klinisch onderzoek kan het vermoeden wel groot zijn, doch de echte vaststelling ligt bij beeldvormend onderzoek. Soms zal het inspuiten van een contraststof in het gewricht nodig zijn. Het artritisbeeld is op zich niet door een foto vast te stellen.Hier zal het klinisch onderzoek bepalend zijn, waarbij er sprake moet zijn van pijn, zwelling, temperatuurtoename, eventueel roodheid en bewegingsbeperking volgens een voor het gewricht kenmerkend patroon (kapselteken).
In de medische en paramedische beroepen probeert men de artrose in te delen in graden van ernst.
- 1º (eerste graads) artrose:
de röntgenfoto vertoont geen of nauwelijks afwijkingen. Er is geen beperking van de mobiliteit. Wel is er een geringe kraakbeenverandering. - 2º (tweede graads) artrose:
lichte botwoekering; normale gewrichtspleet; kraakbeenverandering; geringe bewegingsbeperking volgens kapsulair patroon(=kapselteken). - 3º (derde graads) artrose:
matige botwoekering (osteofyten); gewrichtspleetversmalling; sclerose ofwel verharding van bot onder beschadigd kraakbeen; mogelijk gewrichtsdeformatie; forse bewegingsbeperking volgens kapsulair patroon. - 4º (vierde graads) artrose:
grote osteofyten (botwoekering); sterke gewrichtspleetversmalling; ernstige verharding en verdikking van botuiteinden (sclerose); gewrichtsdeformatie; forse bewegingsbeperking volgens kapsulair patroon tot volledige bewegingsbeperking.
De behandeling van de artrose zal afhankelijk zijn van de graad van artrose en het al of niet aanwezig zijn van een artritis.
1. Bij artritis zal de behandeling bestaan uit:
- adviezen tot het geven van rust aan het gewricht in de zin van het minder belasten van het gewricht zodat de ontstekingsreactie kan herstellen. Dus adviezen m.b.t. de ADL (Aktiviteiten in het Dagelijks Leven), sport en beroepsuitoefening.
- Medicijnen:bijv. paracetamol om de pijn te dempen. Om de ontstekingsreacties te remmen, waardoor tevens de pijn zal afnemen, wordt meestal een NSAID (= Non Steroïd Anti Inflammatory Drug), een ontstekingsremmer gegeven. Deze worden ook wel anti-reumatica genoemd.
- injecties in het gewricht met corticosteroïden (bijnierschorshormonen) al of niet tesamen met een pijnstiller kan soms nodig zijn bij een ernstige gewrichtsontsteking.
- afkoeling bij sterke pijn en temperatuurverhoging kan tijdelijk de pijn dempen. Het afkoelen kan m.b.v. een koude- of ijspakking worden toegediend.
- soms kan een brace of bandage worden voorgeschreven met het doel het gewricht tijdelijk rust te geven zodat de ontstekingsreactie sneller zal herstellen.
2. De behandeling van artrose:
- Uit het voorgaande is gebleken dat artrose meestal een normaal verouderings-verschijnsel is van de gewrichten dat ons allen zal kunnen overkomen. Zolang het hierbij gaat om een normale, leeftijdsgebonden mate van artrose, zal over het algemeen geen behandeling nodig zijn.
We kunnen wel ervoor zorgen dat deze onvermijdelijke veranderingen van onze
gewrichten zo gering mogelijk blijven. Onderzoek heeft aangetoond dat gezonde lichamelijke activiteit leidt tot toename van de dikte van het kraakbeen en een betere voeding daarvan. Immobilisatie (niet bewegen) daarentegen leidt tot
een vermindering van de voeding van het kraakbeen en daardoor tot een vermindering van de kwaliteit. Onbelast bewegen alleen (bijv. bewegen in water)
is daarom niet voldoende. Het kraakbeen heeft een goede afwisselende druk
nodig om goed gezond te blijven.
KORTOM: een gezonde en actieve leefwijze is de beste preventie !!!!!
Bij lichte vorm van artrose (1e graad en 2e graad)
- adviezen m.b.t.:
- lichaamsgewicht verminderen
- verminderen van bepaalde belastingen in ADL, sport en arbeid
- activeren tot goede en gezonde lichaamsbeweging
- uitleg omtrent artrose. Zo zal het belangrijk zijn om uit te leggen dat artrose niet hetzelfde is als reuma en dat het bij alle mensen voorkomt
- ergotherapeutische adviezen:
aanpassen van de arbeidsomstandigheden, zodat de overbelasting van gewrichten zal afnemen. Dit kan zowel op het werk als in de huishouding plaatsvinden. - medicijnen:
indien artrose oorzaak is van artritisbeschijnselen zal naast aanpassing van de belasting het soms nodig zijn dat medicijnen worden voorgeschreven. Meestal worden pijnstillers (bijv. paracetamol) of NSAID'S (ontstekingsremmers) voorgeschreven. - fysiotherapie:
Bij de behandeling van lichtere vormen van artrose speelt de fysiotherapie een zeer belangrijke rol. De behandeling zal vooral bestaan uit oefentherapie, voorlichting en fysische therapie in engere zin. - fysische therapie in engere zin:
vormen van therapie die vooral gericht zullen zijn op pijndemping en ontspanning van de spieren. De fysiotherapeut kan hierbij gebruik maken van electrotherapie (niet pijnlijke stroompjes die de zenuwen, die de pijn veroorzaken, zullen beïnvloeden en daardoor de pijn doen afnemen). Vormen hiervan zijn bijv. TENS en interferentie-stroom. Ook hoogfrequentie electrotherapie zoals Ultra Korte Golf zal kunnen worden toegepast. Dit zal alleen plaatsvinden bij aanwezige artritis en hevige pijn.
Vormen van thermotherapie: - warmtetherapie kan worden toegepast ter ontspanning en pijndemping
- cryotherapie of koude therapie (bijv. in de vorm van ijs-pakkingen) wordt toegepast ter vermindering van ontstekingsverschijnselen (bij artritis) en pijn.
Over het algemeen kan gesteld worden dat fysische therapie in engere zin alleen geïndiceerd zal zijn bij ontstekingsverschijnselen en/of hevige pijn. Bij artrose, waarbij pijn of ontsteking niet op de voorgrond staan, zijn deze vormen van therapie meestal niet nodig. Bovenstaande therapievormen geven beslist géén verbetering van de artrose, doch zijn alleen maar gericht op tijdelijke verzachting van de verschijnselen ervan! - oefentherapie of bewegingstherapie:
Dr. M.Hopman - Rock: "leven met artrose", 1997, schrijft in haar proefschrift:
"met artrose kun je leren leven, mits je blijft bewegen, zelfs wanneer het lijf zeer doet". Blijven bewegen, ook als je pijn hebt en inderdaad..... na de pijn wordt het fijn".
De fysiotherapeut speelt daarbij een zeer belangrijke rol. Behalve een sturende en begeleidende rol bij het herstel zal de fysiotherapeut bewegingstherapie toepassen met als doel de gevolgen van de aandoening te verminderen en/of verergering te voorkomen.( Zie onderzoek TNO 2002)
De oefentherapie heeft tot doel: - de mobiliteit (bewegingsmogelijkheid) verbeteren
- de spieren rondom het gewricht te versterken
- verkortingen van spieren op te heffen
- de stabiliteit en coördinatie te verbeteren
- de pijn te verminderen
Naast de oefentherapie op stoornisniveau zal de fysiotherapeut aandacht besteden aan verbetering van de activiteiten die verloren zijn gegaan of in kwaliteit zijn verminderd. Zo is er aandacht voor het staan, zitten,gaan staan, lopen, traplopen, fietsen, enz.
Uitgebreide studies geven aan dat oefeningen die gericht zijn op het normaal functioneren in ADL, arbeid en sport het meeste effect geven. Vooral Graded Activity programma's, waarbij de belasting van activiteiten uit het dagelijkse leven, als lopen, fietsen, traplopen,enz. langzaam, maar volgens een vastgesteld plan, worden opgevoerd, blijken zeer effectief.
Belangrijk hierbij is ook dat de patiënt een oefenschema of trainingsschema heeft dat thuis moet worden voortgezet.
Bij sterkere vorm van artrose (3e graads)
Deze vorm wordt gekenmerkt door een forse bewegingsbeperking volgens het kapsulair patroon. Dit betekent dat de bewegingsbeperkingen in een bepaalde volgorde in ernst aanwezig zijn, hetgeen veroorzaakt wordt door het totale kapsel van het gewricht. Voor elk gewricht is dit anders en typisch voor dat gewricht. Daarnaast kan er ook een beperking zijn die veroorzaakt wordt door de botwoekering van het gewricht zelf. Aan dit laatste is niet veel te verbeteren, doch de beperkingen als gevolg van de kapselveranderingen zijn wel veel te verbeteren.
De fysiotherapeut of manueel therapeut zal tracties uitvoeren en oefeningen geven die de mobiliteit van het gewricht zullen optimaliseren en de verkregen mobiliteit handhaven.
Zo heeft klinisch onderzoek uitgewezen dat tractiemanipulatie van de heup een snelle verbetering kan geven van de mobiliteit. De bewegingen van het betreffende gewricht zijn dan niet alleen beter mogelijk, doch ook de pijn is daarbij verminderd. Als de functie van het gewricht en rondom het gewricht is verbeterd, dan zijn er voldoende voorwaarden aanwezig om te gaan oefenen op activiteitenniveau. (zie proefschrift Hugo Hoeksma,februari 2004)
Voorbeeld: het looppatroon trainen bij een ernstige bewegingsbeperking heeft weinig zin en doet de klachten alleen maar toenemen. Daarom zal de fysiotherapeut of manueeltherapeut eerst de voorwaarden moeten scheppen, alvorens een verbetering van het looppatroon te kunnen of mogen verwachten. Zodra de mobiliteit, de spierkracht en de coördinatie en stabiliteit voldoende zijn, zal er een training volgen op activiteitenniveau met een oefenschema voor thuis.
Indien er een artritisbeeld is, dan zal er tijdelijk niet veel getraind kunnen worden en zal de patiënt een behandeling kunnen verwachten zoals al eerder is vermeld.
Bij maximale vorm van artrose (4e graad)
Bij ernstige artrose die gepaard gaat met pijn en (start)-stijfheid is het soms nodig dat de orthopedisch chirurg een operatie uitvoert.
De bekendste methoden hierbij zijn:
- arthrodese
Het vastzetten van het gewricht. Het voordeel hiervan is, dat de patiënt geen pijn meer heeft. Het nadeel is, dat er totaal geen beweging meer mogelijk is in dit gewricht. Dit nadeel echter is maar heel relatief, want de patiënt had al nauwelijks of geen beweging meer in dat gewricht.
Het nadeel van het niet kunnen bewegen geeft in de nek of lage rug weinig verdere verslechtering van het totale bewegingspatroon. Indien er een heup is vastgezet, dan kan de patiënt dit nadeel bij zitten bijv. opvangen door te zitten in een speciale arthrodese-stoel. - osteotomie
een operatietechniek die bij artrose van de heup en knie wordt toegepast en waarbij er een wigvormig stukje bot wordt weggenomen waardoor het aangedane gewricht een andere stand inneemt. Voorwaarde is dan wel dat het bot en kraakbeen in het nieuw te belasten gedeelte van de gewrichtsoppervlakken goed moet zijn. Deze techniek wordt nog vaak uitgevoerd bij jonge patiënten bij wie nog geen vervangend gewricht kan worden geplaatst. - synovectomie
een operatietechniek waarbij het aangedane en telkens ontstoken kapsel wordt weggenomen. Het voordeel hiervan is dat de chronisch optredende artritis direct wordt verminderd. Voor de functie en voeding van het gewricht geeft deze techniek veel nadelen, maar in individuele gevallen kan dit soms de beste oplossing zijn. - kunstgewricht/gewrichtsprothese
voor steeds meer gewrichten is het mogelijk een kunstgewricht te plaatsen. Het eigen gewricht wordt dan weggenomen en vervangen door een prothese of ook plastiek genoemd. (N.B. dit heeft niets met plastic te maken).
Deze techniek is voor steeds meer gewrichten mogelijk en wordt bij 4e graads artrose steeds vaker toegepast, waardoor de kennis, kunde en technische toepassingen de laatste jaren sterk zijn verbeterd en waardoor ook de resultaten sterk zijn verbeterd. Zowel voor wat betreft de pijn als de bewegingsbeperking zal er over het algemeen een verbetering optreden. - fysiotherapie:
bij alle orthopedisch chirurgische ingrepen zal de fysiotherapeut worden ingeschakeld voor oefentherapie. De taak van de fysiotherapeut zal hierbij gericht zijn op:
- verbeteren van de functie van het geopereerde gewricht
- spierversterking van de spieren rondom het gewricht
- erg veel aandacht zal er zijn voor het functioneren van de patiënt met het geopereerde gewricht. Het oefenen heeft tot doel de verschillende activiteiten als gaan, staan, zitten, gaan zitten, gaan staan, opstaan uit lig, traplopen, enz. te verbeteren en te optimaliseren.
Als patiënt wordt geopereerd aan de heup, knie of enkel zal deze altijd een periode met hulpmiddel moeten lopen. Dit kunnen krukken, stokken, rollator, enz. zijn. De fysiotherapeut zal de patiënt dit moeten aanleren t.b.v. een goed looppatroon en i.v.m.de veiligheid.
Meestal zal de fysiotherapeut de patiënt, vóórdat deze geopereerd gaat worden,al leren te lopen met elleboogkrukken. De patiënt leert het dan sneller aan in vergelijking tot na de operatie. Na de operatie is het lopen dan een stuk gemakkelijker EN veiliger!
Waar kan ik meer lezen over artrose ?
Voor meer informatie kunt U terecht bij:
www.medicinfo.nl klik op leven met artrose
Nationaal Rheumafonds, postbus 80208, 2508 GE Den Haag, telnr. 070-3503231
Reuma patiëntenbond, postbus 1370, 3800 BJ Amersfoort, telnr. 033-4616364
Nederlands instituut voor Sport en Gezondheid (NISG), postbus 302, 6800 AH Arnhem,
telnr. 026-4834427
TNO Verouderingsonderzoek, postbus 2215, 2301 CE Leiden, telnr. 071-5181210
Wat kan het Paramedisch Centrum voor U als patiënt met artrose doen ?
Voor alle duidelijkheid :
Wij kunnen de structurele veranderingen van het gewricht niet verbeteren. Wel kunnen we ervoor zorgen dat de pijn vermindert of verdwijnt en dat de functie geheel of gedeeltelijk wordt hersteld.
Veel aandacht zal worden besteed aan oefentherapie. Dit is individueel mogelijk, doch ook in groepsverband. In de oefenzaal zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om veelvuldig en uitgebreid te oefenen, waarbij U altijd deskundig zult worden begeleid.
Door een brede paramedische bezetting zijn wij in staat om U die behandeling te geven, die voor U nodig is en die het beste bij U past.
Veel aandacht zal ook worden besteed aan voorlichting omtrent het optimaal omgaan met artrose.
Enkele keren per jaar wordt er een Thema-avond "artrose" georganiseerd. Deze avond duurt ongeveer 2½ uur en er wordt voorlichting gegeven over artrose in alle aspecten: over het ontstaan van de klachten, over de behandeling, de preventie , enz. Ook is er voldoende gelegenheid om vragen te stellen.
De data van deze thema-avonden worden gepubliceerd:
- in BN/De Stem
- in de Gazet
- in de Bode van Roosendaal
- op deze site
Opgeven voor deze thema-avond kan:
- in het PMC zelf
- via telefoon 0165-559261
- via fax 0165-566946
- via E-mail
Het PMC heeft meegewerkt aan het landelijk onderzoekproject van TNO :
"Hup met de heup", een voorlichting- en oefenprogramma voor patiënten met artrose van de heup.
In het PMC zijn er verscheidene oefengroepen waar personen met eenzelfde soort klacht en ongeveer gelijke mate van ernst gezamenlijk kunnen oefenen, met als doel een optimale verbetering van Uw probleem en daarnaast een optimale algemene belastbaarheid (conditie) te verkrijgen. Hier is ook alle gelegenheid voor voorlichting en beantwoording van Uw vragen.
Heeft U nog vragen?
U kunt Uw vraag stellen via E-mail aan het einde van deze site. Wij zullen deze graag voor U proberen te beantwoorden.
Heeft U opmerkingen of aanmerkingen over de inhoud van deze site?
Wij zullen deze graag van U vernemen met het doel deze site steeds te verbeteren. U kunt Uw op- of aanmerkingen weergeven via E-mail: info@pmc-roosendaal.nl
|
Artrose ? Blijf oefenen! |
13 oktober 2007
Mensen met artrose hebben baat bij oefentherapie, maar ze moeten wel blijven oefenen. Terugkomsessies bij de fysiotherapeut kunnen daarbij helpen. Fysiotherapeuten van het NIVEL publiceren hun bevindingen vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Arthritis Care & Research. (Bron: NIVEL)
Minder pijn en beperkingen
Oefentherapie is effectief bij mensen met artrose aan de knie of heup. Nadat de behandeling is gestopt, hebben ze minder pijn en minder beperkingen bij activiteiten als lopen of fietsen. Een half jaar later zijn deze effecten echter weer verdwenen, al vinden de patiënten zelf dat ze er baat bij hebben gehad. Bij patiënten die terugkomsessies bij de fysiotherapeut hadden gekregen, had de behandeling na een half jaar nog steeds effect. NIVEL-onderzoeker Martijn Pisters pleit daarom voor terugkomsessies. “In terugkomsessies stimuleer je patiënten hun oefeningen te blijven doen, waardoor het effect van de oefentherapie behouden kan blijven. Onderzoeken waarin oefentherapie in combinatie met terugkomsessies werd onderzocht tonen een relatief hoge therapietrouw op de lange termijn (50-75%).”
Langetermijneffecten
Pisters keek in de wetenschappelijke literatuur over oefentherapie naar effecten op de lange termijn bij artrose. Hij keek specifiek naar pijn, fysiek functioneren, en in hoeverre patiënten de behandeling als effectief ervaren. Therapietrouw lijkt belangrijk om het effect van oefentherapie ook na de behandeling te behouden. “Maar tot op heden is er relatief weinig onderzoek gedaan naar therapietrouw bij mensen met artrose. Het meeste onderzoek naar therapietrouw is gericht op de periode van behandeling, maar niet op de periode daarna. Terwijl juist daar winst te behalen valt.”
Functioneel
“Het is heel belangrijk dat artrosepatiënten blijven oefenen”, vervolgt Pisters. “Je kunt dit waarschijnlijk makkelijker maken voor patiënten door de oefeningen zo functioneel en taakgericht mogelijk te maken. Door bijvoorbeeld in terugkomsessies patiënten te adviseren en stimuleren om iedere dag te gaan lopen in plaats van met de bus te gaan. Het is nu eenmaal makkelijker om iets te doen wat je normaal ook doet, dan om tijd vrij te maken voor oefeningen.”

Wat is het ? Waardoor kan het komen ? Hoe wordt het vastgesteld ? Wat kan helpen ? Wie kan helpen ? Ermee leven ?
Bij gewrichtsslijtage (artrose) in de heup wordt het gladde kraakbeenoppervlak van het gewricht aangetast. Het kraakbeen kan zo beschadigd raken dat de gewrichtsvlakken niet meer soepel langs elkaar kunnen glijden. De botuiteinden schuren langs elkaar. Daardoor gaat bewegen moeilijker, het gewricht gaat pijn doen en de belastbaarheid neemt af. Het heupgewricht is steeds slechter in staat om het lichaamsgewicht te dragen tijdens het lopen, opstaan en andere inspanningen.
Stijfheid, pijn en bewegingsbeperkingen zijn de meest voorkomende klachten. Meestal zit de pijn in de liesstreek maar deze kan uitstralen over het dijbeen en naar de knie. De meeste klachten treden op aan het begin van een beweging of bij belasting van een gewricht. Bijvoorbeeld bij het opstaan uit een stoel. Dit wordt ook wel startpijn of startstijfheid genoemd.
Door de beperkingen en pijn in de heup gaat men anders en ook minder bewegen. De conditie van de spieren neemt dan af en komt er meer druk op de gewrichten te staan. Hierdoor kunnen de slijmbeurzen weer ontstoken raken.
Deze aandoening komt vooral voor bij mensen van 55 jaar en ouder, maar ook jongeren kunnen het krijgen. Vrouwen hebben vaker artrose in de heup dan mannen.
Waardoor kan het komen ?
Artrose in de heup kan een gevolg zijn van erfelijke aanleg (heupdysplasie), ovebelasting (bijvoorbeeld door overgewicht, het verrichten van zwaar lichamelijk werk, veel en zwaar sporten) of een andere ziekte (reumatoïde artritis of de ziekte van Perthes). Het is ook mogelijk dat de klachten het gevolg zijn van een klein lengteverschil tussen de beide benen of van verkeerde schoenen. Hierbij kan de heup overbelast worden.
Vaak is de oorzaak van slijtage (artrose) in de heup onbekend. Meestal ontstaan de klachten op latere leeftijd maar de slijtage van het heupgewricht is dan vaak al tien tot twintig jaar aan de gang.
Hoe wordt het vastgesteld ?
De arts zal door middel van vragen (anamnese) en lichamelijk onderzoek meestal de diagnose artrose kunnen stellen.
Wanneer de klachten of de beperkingen toenemen, kan de huisarts een röntgenfoto laten maken.
Artrose is niet vast te stellen door middel van bloedonderzoek. De arts kan wel bloedonderzoek uitvoeren om andere oorzaken zoals artritis of jicht uit te sluiten.

Wat kan helpen ?
Omdat de oorzaak van artrose nog niet bekend is, kan artrose nog niet genezen worden. Maar met een goede behandeling kunnen klachten van pijn en stijfheid wel verminderen. Zo kan de huisarts medicijnen of fysiotherapie voorschrijven. Als de huisarts dat nodig vindt, kan er ook een foto gemaakt worden. Als er op deze foto veel schade te zien is, wordt u doorverwezen naar de reumatoloog of orthopeed.
Als het heupgewricht ernstig is aangetast, kan het vervangen worden door een prothese door middel van een operatie.
Wie kan helpen ?
De huisarts, fysiotherapeut, reumatoloog en othopeed kunnen bij de behandeling betrokken zijn.
Ermee leven
Artrose is ingrijpend en verandert veel in iemands leven. De dingen die voorheen moeiteloos leken te gaan, zijn niet meer vanzelfsprekend. Het kan zijn dat iemand zijn of haar manier van leven aan moet passen bijvoorbeeld door andere dingen in de vrije tijd te doen.
Artrose en werk
Als iemand door artrose verzuimt van het werk of de werkzaamheden niet goed uit kan voeren, kan de bedrijfsarts worden ingeschakeld. Deze kan helpen bij de begeleiding of de mogelijkheden voor aangepast werk onderzoeken. Ook kan men te maken krijgen met een verzekeringsarts of ergotherapeut.
Hulpmiddelen
Bij artrose kunnen hulpmiddelen nuttig zijn. Met hulpmiddelen worden de gewrichten ontlast en ze helpen mensen met artrose om zo zelfstandig mogelijk te blijven. Er zijn veel hulpmiddelen te krijgen, vraag hiervoor advies bij de reumaconsulent of reumaverpleegkundige bij de thuiszorg.
Er is ook een boek over hulpmiddelen te krijgen: het 'Hulpmiddelenboek Gewrichtsslijtage (artrose)'. Dit boek geeft uitgebreide informatie over de verschillende hulpmiddelen, het kiezen daarvan, advies, hulpverlening en vergoedingsregelingen. Het is voor euro 6,- te koop bij de apotheek. Dit soort 'zorgboeken' zijn ook te bestellen op www.boekenoverziekten.nl.
Artrose en seks
Klachten zoals pijn, stijfheid en vermoeidheid kunnen een negatieve invloed hebben op het seksleven. Het verlangen naar seks met de partner kan afnemen en ook kan de daad zelf problemen opleveren. Het is belangrijk om hierover met elkaar te praten. Tevens kan men een pijnstiller voor het vrijen innemen of een andere houding proberen.
Reumapatiëntenverening en bond
Een reumapatiëntenvereniging zet zich in voor de belangen van reumapatiënten en organiseert daarnaast ook lotgenotencontacten, gespreksgroepen en bewegingsactiviteiten. Ook geeft de vereniging voorlichting over reuma, medicijnen en leven met reuma.
De reumapatiëntenbond verenigt en ondersteunt 109 patiëntenverenigingen die lokaal werkzaam zijn. De reumapatiëntenbond behartigt ook de belangen van alle mensen met reuma in Nederland. Kijk hiervoor op www.reumabond.nl
Bronnen: Reumafonds.nl, Sint Maartenskliniek
|
![]() |
Artrose van de grote teen is een vorm van slijtage die vrij vaak voorkomt op oudere leeftijd. Het betreft het gewricht tussen de middenvoet en de grote teen. Bij alle vormen van artrose in de voet komt dit het meeste voor. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat dit het gewricht is dat bij lopen het meest belast wordt en bij de afwikkeling van de voet de grootste beweging vraagt. Het kraakbeenoppervlak versmalt en verdunt. Om de druk per cm² van het kraakbeen te verminderen, verdedigt het gewricht zich door het gewrichtsoppervlak te vergroten. Dit vormt een soort van botaangroei of osteofytose en rigiditeit of stijfheid. Daarom wordt het ook wel hallux rigidus genoemd, wat letterlijk “stijve grote teen” betekent.
De omvang van het gewricht neemt toe,er ontstaat een pijnlijke bewegingsbeperking, het afwikkelen tijdens het lopen wordt pijnlijk en daarom is er een neiging om te gaan afwikkelen over de buitenrand van de voet.
Als de voet meer belast wordt is er de kans dat er een artritis gaat ontstaan: het gewricht wordt dan erg pijnlijk( ook in rust), gaat zwellen, wordt rood en warm. Dit is dan meestal het moment dat men de hulp gaat inroepen van een arts of therapeut.
De belangrijkste oorzaak is primaire artrose, waarbij de leeftijd een rol speelt in de ontwikkeling van deze aandoening. Erfelijke aanleg speelt hierbij zeker een belangrijke rol. Intensief gebruik van de voet in sport of arbeid hoeft geen rol te spelen, maar overbelasting ( te zware belasting of te langdurige belasting) heeft wel zeker invloed op het ontstaan. Schoenen kunnen tevens een sterke invloed hebben op het ontstaan : te smalle of te nauwe schoenen of het frequent dragen van hoge hakken ( waarbij de voorvoet zeer zwaar wordt belast).
Bij secundaire artrose kan op basis van een andere aandoening of ziektebeeld een versnelde slijtage optreden van dit gewricht. De belangrijkste oorzaken zijn jicht, reuma en een eerder doorgemaakte botbreuk. Ook kan een langer bestaande standsafwijking van de grote teen (hallux valgus) oorzaak zijn van asymmetrische belasting waardoor slijtage ontstaat.
|
|
Symptomen bij artrose :
· Langzaam toenemende stijfheid t.h.v. het gewricht
· Steeds toenemende pijn vooral bij begin van bewegen ( startpijn)
· Toenemen van de omvang van het gewricht
· Buigen (flexie) is beperkt en eindstandig pijnlijk
· Strekken (extensie) is beperkt en eindstandig pijnlijk
· Beperkte afwikkeling bij gaan en lopen
· (vaak afwikkelen over de buitenrand van de voet)
|
![]() |
Symptomen bij artritis :
· Sterk toenemende pijn bij gaan en lopen en ook in rust
· Drukpijn t.h.v. het gewricht
· Sterk toenemende omvang/zwelling van het gewricht
· Gewricht wordt warmer en gloeit soms
· Gewricht wordt roder van kleur
· Afwikkeling is sterker gestoord door de pijn
· Lopen op schoenen met dunne en beweeglijke zooltjes wordt erg pijnlijk
Diagnose :
De diagnose kan vermoed worden tijdens het klinische onderzoek door aanwezigheid van bovenstaande symptomen, maar alleen een röntgenfoto kan de diagnose bevestigen.
Therapie bij artritis :
· Bij artritis zal de arts ontstekingsremmers voorschrijven (NSAID’S)
· Rust / vermijden van belasting ( dit betekent niet dat u met de voet omhoog moet gaan zitten;u kunt wel staan en lopen, maar vermijd te zware belasting en geef de teen de kans om te herstellen!)
· Koelen met ijs ( niet uit de diepvries, maar uit vriesvak van de koelkast, omdat dan de temperatuur niet lager is dan 0 tot -4 graden) kan tijdelijke verlichting van de pijn geven
Therapie bij artrose :
· De fysiotherapeut zal het gewricht mobiliseren. Dit betekent dat deze de beweeglijkheid van het gewricht in buig- en strekrichting zo goed mogelijk probeert te herstellen, waardoor de pijn bij afwikkelen zal verminderen. Het looppatroon zal hierdoor verbeteren en de kans op overbelasting wordt hierdoor verminderd.
· De fysiotherapeut zal u inzicht geven in wat er aan de hand is met het gewricht en ook adviezen geven omtrent het goed omgaan met het probleem.
· Draag geen schoenen met hoge hakken.
· Draag ook geen schoenen met dunne, slappe zooltjes, maar draag schoenen met een stevige en wat stijve zool, zodat de afwikkeling meer over de zool loopt en minder over de grote teen. Meestal is dit voldoende.
· Indien bovenstaande onvoldoende effect heeft gegeven kan onder de schoen een afwikkelrolletje worden geplaatst. Elke schoenmaker kent deze aanpassing. Eventueel kan er ook een speciale inlegzool gemaakt worden door de podotherapeut of aangepaste schoenen door de orthopedisch schoenmaker.
|
|
· Als al deze maatregelen niet voldoende effect hebben gegeven kan de orthopedisch chirurg een operatie overwegen. Er zijn verschillende operatietechnieken mogelijk.
Mensen die door artrose van de heup of knie weinig meer kunnen, hebben meer baat bij de zogenaamde ‘GRADIT-behandeling’ dan bij de standaardbehandeling volgens de richtlijn fysiotherapie.
GRADIT is er op gericht om patiënten stapsgewijs hun activiteiten te laten opvoeren. Fysiotherapeuten kunnen bij artrose-patiënten die lichamelijk slecht functioneren beter kiezen voor die nieuwe behandeling.
Dat blijkt uit het promotieonderzoek dat Cindy Veenhof op 14 september verdedigt aan de Vrije Universiteit. Het onderzoek werd uitgevoerd op het onderzoeksinstituut NIVEL (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) in samenwerking met het EMGO instituut (Vrije Universiteit Amsterdam) en het Universitair Medisch Centrum Utrecht, en gesubsidieerd door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ). Veenhof onderzocht bij 200 patiënten met artrose van heup of knie of zij op de lange termijn meer baat hebben bij GRADIT dan bij een behandeling volgens de richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF).
Ruim 650.000 Nederlanders hebben last van artrose. In 2001 stond artrose samen met migraine en hoge bloeddruk bovenaan de lijst van zelf-gerapporteerde chronische aandoeningen (Tweede Nationale Studie, 2001). Vergrijzing, overgewicht en te weinig beweging zullen naar verwachting in de toekomst leiden tot een forse toename van het aantal artrose-patiënten. Bij artrose gaat het gewrichtskraakbeen in kwaliteit achteruit en op den duur kan het zelfs verdwijnen. Dat leidt tot pijnklachten, gewrichtsstijfheid, spierzwakte, beperkingen in het dagelijks leven en een inactieve levensstijl. Die inactiviteit kan de klachten vervolgens nog eens versterken. Onder ouderen is het de meest voorkomende gewrichtsaandoening, maar er zijn in Nederland naar schatting ook 25.000 jonge patiënten (25 tot 44 jaar).
De belangrijkste doelen bij het behandelen van artrose zijn het controleren van de pijn, het verbeteren van het functioneren en het verminderen van beperkingen. Normaalgesproken bestaat de behandeling bij de fysiotherapeut uit oefentherapie om spieren te versterken, ‘huiswerkoefeningen’ en informatie en advies. Hoewel die aanpak op de korte termijn effectief is, blijkt het vasthouden van het behandelingseffect op de lange termijn altijd lastig. Gebrekkige therapietrouw (mensen doen hun huiswerkoefeningen na een poosje niet meer) is daarbij waarschijnlijk de boosdoener.
Niet klagen over pijn
Ook GRADIT is een oefentherapeutische aanpak, waarbij het uitgangspunt is om een gedragsverandering te bewerkstelligen. In het onderzoek van Veenhof is het voor het eerst (in aangepaste vorm) toegepast bij artrose. Bij GRADIT bekijken patiënten samen met de fysiotherapeut welke activiteiten ze het belangrijkste vinden, en bij welke ze het meeste last hebben. Vervolgens worden er drie uitgekozen, bijvoorbeeld lopen, fietsen en tuinieren, waarvan de intensiteit dan stapsgewijs in de tijd wordt opgevoerd (bijvoorbeeld elke dag een minuut meer wandelen, onafhankelijk van de hoeveelheid pijn). Patiënten hebben daarbij een grote eigen verantwoordelijkheid. De fysiotherapeut treedt alleen op als ‘coach’.
Bijzonder aan GRADIT is verder dat de therapeut actief gedrag beloont met complimenten en aanmoedigingen, en ongewenst gedrag, zoals het gericht zijn op pijn en daar steeds over klagen, probeert ‘uit te doven’ door het te negeren. Terwijl de standaardbehandeling wordt afgestemd op de hoeveelheid pijn, is het idee bij GRADIT dan ook: de pijn zul je waarschijnlijk houden, maar met dezelfde pijn moet je meer kunnen doen.
Bij patiënten die veel moeite hadden met bijvoorbeeld lopen, fietsen of traplopen, bleek GRADIT effectiever dan de standaardbehandeling. Waarschijnlijk komt dat doordat juist die groep patiënten de neiging heeft om activiteiten te vermijden. Door die inactiviteit verslechtert hun fysieke conditie waardoor ze nog minder kunnen. GRADIT zorgt er voor dat mensen hun dagelijkse activiteiten, ongeacht de pijn, weer stapsgewijs opbouwen.
De behandeling lijkt ook bij alle patiënten te leiden tot een hogere therapietrouw: na een jaar deed 56% van de GRADIT-patiënten nog steeds hun oefeningen, tegenover 33% van de mensen die volgens de richtlijn fysiotherapie waren behandeld. Veenhof wil dan ook na vijf jaar nogmaals in beide groepen kijken hoe het met de therapietrouw gesteld is, en of de aanvankelijk hogere therapietrouw in de GRADIT-groep bijvoorbeeld ook geleid heeft tot een beter functioneren.
HuisartsVandaag/Nivel
Chronische pijn veroorzaakt door artritis (gewrichtsontsteking) kan beter en veiliger worden behandeld met goedkope pijnstillers dan met de nieuwe en duurdere ontstekingsremmers. Dat blijkt uit Australisch onderzoek. Ontsteking
Artritis is een ziekte die gepaard gaat met een pijnlijke ontsteking in de gewrichten. De gewrichten van bijvoorbeeld handen, polsen, enkels of voeten voelen pijnlijk aan, ook zonder ze te bewegen of te belasten. Ook raken ze stijf en opgezwollen. Vooral 's ochtends is de stijfheid erg en kan het enkele uren duren voordat er weer normaal kan worden gefunctioneerd. Door de ontsteking voelt het gewricht soms warm aan. Bij gewrichtsklachten wordt geadviseerd in beweging te blijven, zodat het gewricht niet 'vast' gaat zitten.
Soms is bewegen juist door de pijn niet meer mogelijk. Dan is het nodig om een pijnstiller te slikken. Om de ontsteking te remmen en de pijn te minderen, worden ibuprofen en aspirine voorgeschreven. Deze medicijnen worden ook NSAID's genoemd. NSAID is de afkorting voor Non-Steroidal Anti-inflammatory Drugs, ofwel ontstekingsremmers. Deze middelen werken snel en voor een korte tijd. De reumatoloog kan ook een andere ontstekingsremmer geven om beschadiging van gewrichten uit te stellen of te voorkomen.
Paracetamol
De universiteit van Queensland onderzocht gedurende drie jaar 188 mensen met artritis. Tweederde van hen vond paracetamol beter werken dan ibuprofen, aspirine of de nieuwere ontstekingsremmers zoals Celebrex. Hoogleraar Michael Yelland van de universiteit zei dat 90 procent van de patiënten uit het onderzoek niet wist welk middel hij of zij gebruikte. "Wij ontdekten dat bij tweederde van de patiënten paracetamol net zo goed of effectiever was dan ontstekingsremmers tegen de pijn en de stijfheid", zei Yelland. Hij voegde eraan toe dat aspirine en middelen die ibuprofen bevatten, ernstige maagproblemen kunnen veroorzaken.
Bron: American Journal of Therapeutics, ANP
Aan de hand van een röntgenfoto zijn potentiële patiënten te identificeren die een verhoogd risico hebben op het ontstaan van heupartrose of op het verslechteren van heupartrose. Dit stelt Max Reijman in zijn proefschrift Determinanten van progressie van heupartrose waarop hij woensdag 1 december 2004 promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Artrose is een van de meest voorkomende aandoeningen van het bewegingsapparaat. Gezien de vergrijzing van de bevolking in de westerse maatschappij zal het aantal gevallen alleen maar toenemen.
Reijman verrichtte onderzoek in het kader van een groot bevolkingsonderzoek onder mannen en vrouwen van 55 jaar en ouder uit de Rotterdamse deelgemeente Ommoord, in Nederland bekend als het ERGO-onderzoek (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen).
In een periode van zes en half jaar kregen 9,3 procent van de personen last van heupartrose. Personen met acetabulaire dysplasie hadden een verhoogd risico op het ontwikkelen van heupartrose vergeleken met personen zonder acetabulaire dysplasie.
Bij dertien procent van de personen die bij het begin van de studie al heupartrose hadden, verslechterde de ziekte. Het identificeren van de groep die een verhoogd risico loopt op progressie, is met name van belang om de geschikte mensen te vinden voor gerichte therapie. Op het moment lopen er meerdere onderzoeken naar therapievormen die het artroseproces kunnen afremmen of zelfs stop kunnen zetten.
De promovendus vindt dat de mate waarin de artrose al zichtbaar is op de röntgenfoto een sterke toegevoegde waarde heeft. Dit gold voornamelijk voor die personen met heuppijn tijdens de zg. baseline meting. Een specifieke kraakbeen degradatiemarker (CTX-II) bleek, vergeleken met de gegevens verkregen door anamnese, lichamelijk onderzoek en röntgenonderzoek, een matige voorspeller te zijn voor progressie van heupartrose.
Promotoren: prof.dr. B.W. Koes, Huisartsgeneeskunde en prof.dr. J.M.W. Hazes, Reumatologie
Bron: Erasmus MC

Hugo Hoeksema is gepromoveerd op basis van een proefschrift over manuele therapie bij heupartrose. Hugo is fysiotherapeut,manueel therapeut en epidemioloog en was ten tijde van het onderzoek werkzaam in het Leyenburgziekenhuis in Den Haag.
Uit eerder onderzoek door TNO was al gebleken dat fysiotherapie zeer succesvol is bij patiënten met artrose van de heup.Dat onderzoek was vooral gericht op het uitvoeren van activiteiten van het dagelijkse leven en op het normaal kunnen deelnemen aan het sociale leven.
Het onderzoek van Hoeksema is gericht op de verbetering van de functie van de heup zelf.Op alle aspecten van het onderzoek was de score goed.De bewegingsmogelijkheid van de heup neemt sinificant toe en de pijn neemt significant af.
Gematigd oefenen is effectief om pijn te verminderen en de gewrichtsfunctie te verbeteren. De mogelijkheid om artrose te behandelen met oefentherapie wordt onvoldoende toegepast. Het kenmerk van artrose is kraakbeenverlies. Omdat artrose wordt gezien als een slijtage ziekte is de belangrijkste rem om te oefenen de gedachte dat oefenen schadelijk zou zijn voor het kraakbeen. Echter studies met het laten oefenen van dieren tonen aan dat oefenen tegen kraakbeenachteruitgang kan beschermen. Het effect van oefenen op menselijk kraakbeen is grotendeels onbekend doordat voorheen het kraakbeen niet in vivo onderzocht kon worden. Om kraakbeenveranderingen in een vroeg stadium te kunnen bestuderen is een MRI techniek ontwikkeld. Deze techniek bepaalt de kraakbeenkwaliteit door de dichtheid van glycosaminoglycanen in het kraakbeen te meten. Glycosaminoglycanen vormen blokken van proteoglycanen en zijn onmisbaar voor de belangrijke visco-elastische kwaliteiten van kraakbeen. Om aan te tonen dat gematigd oefenen de kraakbeenkwaliteit bij mensen met tekenen van beginnende artrose kan verbeteren pasten Roos et al. bij een groep mensen van middelbare leeftijd, die een meniscectomie hadden ondergaan, een oefenprogramma toe. Met de MRI meting tonen Roos et al. aan dat door gematigd oefenen het gehalte aan glycosaminoglycanen in kraakbeen toeneemt. Tevens namen de klachten af en nam de gewrichtsfunctie toe.
Zij concluderen dan ook dat gematigd oefenen een goede keuze kan zijn bij de behandeling van artrose.
Bewegen: gezond en nog leuk ook!
Regelmatig bewegen heeft een positieve invloed op de gezondheid en is nog leuk ook. Dit geldt voor jong en oud, chronisch ziek of niet. Ook voor mensen met artrose is het goed om meer te bewegen. Door regelmatig in beweging te komen én te blijven, zult u zich een stuk prettiger voelen.
Bewegen en gezondheid
Sommige mensen met artrose gebruiken medicijnen tegen de pijn of de ontsteking van het gewricht. Mensen die meer gaan bewegen ervaren soms minder pijn. Zij hoeven dan ook minder medicijnen in te nemen.
Omgekeerd kunnen pijnstillers u helpen om in beweging te komen. Omdat het begin pijnlijk kan zijn, kunt u met pijnstillers de startpijn onderdrukken. Uw arts kan u hierover adviseren.
• Artrose en bewegen
Door beweging wordt kraakbeen ‘wakker gemaakt’ en behoudt het zijn functie. Beweging helpt de voedselvoorziening van het kraakbeen. Dat gewrichten ‘slijten’ door beweging is dus een misverstand!
Spieren, pezen en banden rondom het gewricht kunnen het gewricht ondersteunen en mee helpen om schokken op te vangen. Door regelmatige lichamelijke activiteit kunt u deze weefsels versterken.
Ook de fysiotherapeut kan u helpen om weer beter te bewegen. Dit kan hij door u oefeningen te leren, u te begeleiden bij het ontdekken van wat uw lichaam aankan en met adviezen gericht op uw dagelijkse leven.
• Beweegadvies
In het algemeen zijn alle bewegingsvormen goed waarin veelzijdig wordt bewogen. Goede activiteiten zijn bijvoorbeeld wandelen, fietsen en activiteiten in het water. Ook golf, tai-chi of activiteiten in een fitnesscentrum zijn heel geschikt voor mensen met artrose. Overbelasting kunt u voorkomen door een rustige opbouw van de bewegingsactiviteiten en door het correct uitvoeren van oefeningen. Uw begeleider kan daarop letten. Meer weten over uw bewegingsmogelijkheden? Vraag uw therapeut.

• Samen bewegen
Sportief bewegen in een groep heeft als voordeel dat u samen beweegt met anderen die ongeveer net zo fit zijn als u. Veel mensen vinden dat stimulerend. De deskundige begeleiding zorgt ervoor dat u zich niet te veel maar ook niet te weinig belast.
Beweegtips
Hier volgen tips om op verantwoorde wijze in beweging te komen en te blijven:
• Kies een activiteit die u leuk vindt en die bij u past.
• Minimaal een half uur per dag sportief bewegen is een gezond streven.
• Houd de aangedane gewrichten goed warm.
• Bij artrose van de enkel, knie en/of heup is bewegen op een zachte
ondergrond of in warm water wenselijk.
• Raadpleeg uw arts of fysiotherapeut voordat u intensief gaat bewegen.
U voelt zich prettiger als u regelmatig in beweging komt!
Meer informatie over leefstijladvies en bewegen met artrose?
Neem dan contact op met het reumafonds of de reumapatientenbond.
Voor goede en volledige informatie over artrose van de heup en vele verschillende operatietechnieken : klik op onderstaande link.
NEW YORK (Reuters Health) Apr 16
Use of chondroitin should be discouraged for patients with advanced osteoarthritis and for those with milder disease, and its use should be restricted to clinical trials, senior author Dr. Peter Juni, from the University of Bern in Switzerland, and colleagues conclude.
The findings, which appear in the Annals of Internal Medicine for April 17, stem from an analysis of data for 3846 patients enrolled in 20 trials, identified through a search of MEDLINE and related sources. A high degree of heterogeneity was noted between the trials.
The authors found that the apparent benefits of chondroitin were largely confined to studies of poor methodologic quality, such as those with small patient numbers or ones with unclear concealment of allocation. When the analysis was limited to the three best-designed studies with the largest sample sizes (40% of all patients), chondroitin offered virtually no relief from joint pain.
While not particularly effective, chondroitin use did not appear to be harmful either, according to a meta-analysis of 12 of the studies.
In a related editorial, Dr. David T. Felson, from Boston University, comments that despite the current findings, many patients are convinced that chondroitin works for them, possibly as a result of a placebo effect. He adds that because its use seems to be safe, "if patients say that they benefit from chondroitin, I see no harm in encouraging them to continue taking it as long as they perceive a benefit."
Ann Intern Med 2007;146:580-590,611-612.


10 november 2005
Mensen met artrose in hun hand lopen een twee maal grotere kans artrose ergens anders in het lichaam te ontwikkelen, bijvoorbeeld in de heup of de knie, dan mensen zonder handartrose. Dit concludeert Saeede Dahaghin in haar proefschrift "Hand Osteoartritis. Epidemiologie en klinische consequenties", waarop zij donderdag 10 november promoveert.
Dahaghin, werkzaam bij de afdeling Huisartsgeneeskunde van het Erasmus MC, bestudeerde gedurende zes jaar 1235 personen van 55 jaar of ouder die nog geen artrose in de heup of de knie hadden. In die zes jaar kreeg 20% van de personen met artrose in de hand ook artrose in de knie of de heup. Bij mensen zonder artrose in de hand lag dat getal op 10%.
Dahaghin vond verder dat deze tweemaal grotere kans op artrose in de knie of de heup voor mensen met handartrose uitliep op een driemaal grotere kans wanneer zij ook overgewicht hadden en op een viermaal grotere kans wanneer zij een familielid met artrose hebben.
In Nederland komen jaarlijks 100.000 patiënten bij de huisarts vanwege artrose in de hand. Voor artrose in de knie of de heup ligt dit aantal driemaal zo hoog. Tot nog toe was het niet volledig duidelijk of artrose in de hand inderdaad het ontwikkelen van artrose elders in het lichaam kon voorspellen. Deze studie toont aan dat dat wel het geval is. Dahaghin hoopt dat deze wetenschap helpt om personen te identificeren die een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van artrose in de knie of de heup. Met deze verhoogde risicogroep kan dan onderzoek worden gedaan naar veelbelovende strategieëen ter preventie van artrose in de heup of de knie. Zo kan in de toekomst veel mensen de pijn en het ongemak van deze pijnlijke aandoening aan gewichtsdragende gewrichten bespaard blijven.
Bron: Erasmus MC
door Dr. Peter H.T.G. Heuts, revalidatiearts
|
![]() artrose van de knie |
Deze samenvatting van het proefschrift "Artrose, een revalidatiegeneeskundige benadering in de huisartsgeneeskunde" is geschreven voor geïnteresseerde leken. Het onderzoek wordt in algemene Nederlandse taal uitgelegd, met vermijding van jargon en vakterminologie.
Hoofdstuk 1 Inleiding
Het hoofdonderwerp van deze dissertatie is artrose. De gevolgen voor het dagelijks functioneren van artrose staan centraal. In het eerste hoofdstuk van dit proefschrift worden de onderwerpen geïntroduceerd.
De volgende vragen komen aan de orde:
1. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van artrose?
2. Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen in de zorg voor mensen met artrose in de huisartsgeneeskunde?
3. Waarom pleiten wij voor een revalidatiegeneeskundige benadering?
4. Wat is de zin en het nut van "zelfmanagement" bij artrose?
5. Wat is een "stepped care approach" en waarom zou het nuttig kunnen zijn bij artrose?
Artrose is een veel voorkomende gewrichtsaandoening. Gewrichtspijn en stijfheid zijn de kenmerkende klachten bij artrose. Artrose is een klinisch syndroom. Een syndroom is een complex van verschijnselen, die kenmerkend zijn voor een bepaalde aandoening. Bij artrose is sprake van een complex van veranderingen rond een of meerdere gewrichten met consequenties voor functie en kwaliteit van leven. De lichamelijke veranderingen treden op in: gewrichtskraakbeen, gewrichtskapsel, bij het gewricht gelegen beenderen en in omliggende spieren. Het gewrichtskraakbeen vertoont bij artrose een verslechtering van kwaliteit in de vorm van defecten en vermindering van de dikte van de kraakbeenlaag. Op röntgenfoto’s is dat te zien als versmalling van de gewrichtspleet (de ruimte in het gewricht tussen de botten). De veranderingen in de beenderen bestaan uit veranderingen in de dichtheid van het bot nabij het gewricht (in vaktermen genaamd subchondrale sclerose: weefselverharding van het bot nabij het kraakbeen). Ook kan bij het gewricht nieuwvorming van bot optreden. Deze nieuwgevormde botstructuren hebben bij enkele gewrichten (bijvoorbeeld knieën en heupen) een kenmerkende vorm en worden osteofyten genoemd. Door de veranderingen van de gewrichtsruimten kan er ruimte ontstaan in de gewrichtskapsels met gevolgen voor de stabiliteit van de betreffende gewrichten.
Artrose komt veel voor en neemt toe met de leeftijd. Zowel de ernst van de afwijkingen neemt toe met de leeftijd, alsook het aantal mensen met artrose. Uit gegevens, die zijn verzameld in Nederlandse huisartspraktijken, zijn schattingen gemaakt die wijzen op artrose bij 14 mensen per 1000 aan de heup en 23 per 1000 aan de knie. Aangezien de levensverwachting van de Nederlandse populatie nog steeds toeneemt, zal de proportie van mensen met artrose deze eeuw zeker toenemen.
Artrose kan niet verholpen worden. De behandeling is gericht op het verminderen van pijn en stijfheid en het verbeteren van het functioneren met artrose. Uit diverse studies is gebleken, dat de kwaliteit van leven door artrose negatief wordt beïnvloed.
Aangezien er geen behandelingen beschikbaar zijn, die alle verschijnselen van artrose kunnen verhelpen, ziet een persoon met artrose zich gesteld voor de opgave de consequenties van pijn, stijfheid en verlies aan functie op te vangen, evenals de consequenties van behandelingen (bijvoorbeeld medicatie, oefeningen, operaties, veranderingen in leefstijl, en dergelijke). Een aantal verschijnselen bij artrose en ook sommige van de voorgeschreven behandelingen beïnvloeden dagelijkse activiteiten zoals werk, gezinsleven en vrijetijdsbesteding aanzienlijk. Mensen met artrose hebben dus niet alleen –zoals wel vaker het geval is bij chronische aandoeningen- te maken met veranderde lichaamsfuncties, maar ook met een veranderd activiteitenpatroon. Een revalidatiegeneeskundige benadering kan hierbij helpen. Zelfmanagement kan daar onderdeel van uitmaken.
Voor toepassing bij gewrichtsaandoeningen heeft Kate Lorig een zelfmanagement programma ontwikkeld en uitgebreid toegepast en onderzocht. Zelfmanagement gaat uit van partnerschap tussen patiënten en gezondheidszorg professionals. De opvattingen en problemen van mensen met chronische aandoeningen staan centraal. Van de professionals wordt gevraagd welke kennis voor patiënten nodig is en welke gedragsverandering in verband met hun aandoening. Deze inzichten worden dan gecombineerd tot de inhoud van een zelfmanagementprogramma. Deze programma’s zijn bedoeld om het vertrouwen en vermogen van patiënten te vergroten om effectief het leven te leiden dat ze nastreven met de chronische aandoening.
Zelfmanagementprogramma’s zijn gebaseerd op inzichten over "self-efficacy". Lorig vat het bondig samen: "In simpele woorden stelt deze theorie, dat mensen, wanneer ze denken dat ze iets kunnen, de kans groter wordt dat ze het voor elkaar krijgen."
Een "stepped care approach" (waarvoor nog geen gangbare Nederlandse vertaling bestaat) is een raamwerk voor de organisatie van hulpverlening gebaseerd op de aard en omvang van behoeften van de patiënt. Het is een beproefde strategie bij andere gezondheidszorgproblemen, zoals hoge bloeddruk, verhoogd gehalte aan cholesterol in het bloed, nicotineverslaving, en lage rugpijn. In een "stepped care approach" wordt gestart met de minst intensieve en vaak minst kostbare behandelvorm in een eerste fase om gezondheidswinst te behalen. Indien nodig wordt overgestapt ("stepped up") naar een intensievere behandeling, meestal complexer en ook kostbaarder. Het voordeel van deze "stepped care approach" is, dat behandelvormen goed aansluiten bij de noden van een individuele patiënt, terwijl onnodige en dure behandelingen veel mensen bespaard worden.
In dit onderzoek zijn de volgende vragen aan de orde geweest:
1. Welke zijn de effecten van een zelfmanagementprogramma op pijn, beperkingen in het functioneren, activiteiten alsook zelfstandigheid bij mensen van middelbare leeftijd met artrose?
2. Welke individuele karakteristieken van de patiënten bepalen de effectiviteit van het aanleren van zelfmanagement bij artrosepatiënten van middelbare leeftijd in een eerstelijnsgezondheidszorgsetting?
3. Wat zijn de effecten van zelfmanagement op gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen en indirecte kosten in deze groep artrosepatiënten?
Hoofdstuk 2 Effecten van een zelfmanagementbehandeling
In het tweede hoofdstuk wordt verslag gedaan van een studie naar de effecten van een zelfmanagement programma. De diagnose werd gesteld door de huisarts en de behandelingen werden verzorgd door vrijgevestigde fysiotherapeuten.
Het doel van deze studie was de werkzaamheid te bepalen van een zelfmanagement programma in de eerstelijnsgezondheidszorg. De studieopzet was een experiment, waarbij twee behandelvormen met elkaar werden vergeleken. De zelfmanagementbehandeling werd vergeleken met gebruikelijke zorg. Het lot bepaalde welke behandeling een deelnemer kreeg. Na de behandeling werden de groepen gedurende 21 maanden gevolgd, waarbij metingen werden verricht met behulp van vragenlijsten en door een fysiotherapeut, die niet op de hoogte was van de behandeling die een persoon had gehad. Aan het onderzoek namen 273 personen deel; hun leeftijd was tussen 40 en 60 jaar. Gelet werd op de veranderingen in pijn en fysiek functioneren. De resultaten tussen 3 en 21 maanden na behandeling werden met elkaar vergeleken. Daaruit bleek, dat de verschillen tussen de twee behandelgroepen bij 21 maanden groter waren dan bij 3 maanden, ten gunste van de zelfmanagement groep. De verschillen in pijn aan de knie en functioneren (gemeten met een vragenlijst: WOMAC) waren statistisch significant. Dat wil zeggen dat de verschillen niet aan toeval kunnen worden toegeschreven, maar hoogstwaarschijnlijk samenhangen met het verschil in behandeling.
Conclusies
Het zelfmanagement programma heeft een positieve invloed uitgeoefend op de kniepijn en het door de patiënt gerapporteerde niveau van functioneren in deze groep mensen met artrose. Opmerkelijk is de toename van het verschil tussen de groepen op lange termijn ten gunste van de zelfmanagementgroep.
Hoofdstuk 3 Kosten van een zelfmanagementbehandeling
Het derde hoofdstuk sluit nauw aan bij het tweede en gaat over de vraag of de toepassing van een zelfmanagement programma kosten bespaart. Daartoe werden gegevens verzameld over kosten gemaakt door alle deelnemers aan deze studie.
Ook voor deze vraagstelling was de studieopzet een experimentele waarbij de zelfmanagementbehandeling werd vergeleken met de controlegroep. Dezelfde groep mensen was in de studie betrokken en de analyses werden gecombineerd met verzamelde gegevens over kosten. Kostendagboeken werden bijgehouden gedurende periodes van een maand bij 3, 9, 15 en 21 maanden na de behandelfase. De behandeleffecten waren beter in de zelfmanagementgroep en de kosten verschilden niet tussen beide groepen.
Conclusies
Het zelfmanagement programma had positieve invloed op de pijn aan de knieën en het functionele niveau zoals dat door de persoon met artrose zelf werd beschreven. De investering van ongeveer 250 euro per persoon was de kostprijs voor de verbetering in deze groep artrosepatiënten tussen 40 en 60 jaar.
Hoofdstuk 4 Veranderingsbereidheid
Veranderingsbereidheid staat centraal in hoofdstuk 4. Omdat zelfmanagement alleen effecten kan sorteren, wanneer iemand gedrag verandert, is bereidheid tot gedragsverandering interessant. Recent is een theoretisch model over gedragsverandering in de belangstelling gekomen. In deze theorie worden fasen van veranderingbereidheid beschreven.
Het doel van deze deelstudie was om een vragenlijst te ontwikkelen om de bereidheid tot gedragsverandering bij mensen met artrose te bepalen. Op basis van het theoretische model zijn vragen ontwikkeld en voorgelegd aan alle deelnemers van de studie. Vervolgens is de vragenlijst nader onderzocht. De vragenlijst werd voorgelegd aan de 273 deelnemers aan ons onderzoek. Met behulp van een statistische procedure (een zogenaamde factoranalyse) is onderzocht of de aparte vragen in de lijst met elkaar samenhangen op een manier die overeenkomt met de veranderingsfasen zoals beschreven wordt in de theorie. De resultaten waren wat dat betreft bemoedigend. Echter: de factoranalyse is een statistische techniek, die niet aantoont dat de factoren ook overeenkomen met de werkelijkheid. Om dat aan te kunnen tonen is nader onderzoek nodig.
Conclusies
De ontwikkelde vragenlijst over veranderingsbereidheid bij mensen met artrose laat enkele gunstige "testeigenschappen" zien. Deze bevindingen kunnen aanleiding zijn tot verder onderzoek. De ontwikkelde vragenlijst is interessant voor researchdoeleinden, maar nog niet aan te bevelen voor toepassing in de klinische praktijk.
Hoofdstuk 5 Invloed van vrees en vermijding
Het dagelijks functioneren van mensen met artrose wordt niet alleen beïnvloed door de ernst van gewrichtspijn en de stijfheid. Uit recent onderzoek bij mensen met langdurige pijnklachten was gebleken, dat vrees voor pijn en letsel kan leiden tot vermijding van activiteiten, wat vervolgens weer kan leiden tot verdere achteruitgang in het functioneren.
In hoofdstuk 5 worden twee studies beschreven die vrees en vermijding bij artrose onderzoeken.
De bedoeling van de onderzoeken in dit hoofdstuk was tweevoudig: (1) allereerst wilden we de testeigenschappen van een veel toegepaste vragenlijst naar vrees voor bewegen nagaan bij artrosepatiënten; (2) tevens wilden we weten of pijngerelateerde vrees van invloed is op het functioneren en in welke mate ten opzichte van andere factoren, zoals pijn intensiteit of mate van afwijkingen op de röntgenfoto’s. Uit onderzoeken bij andere aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat (zoals lage rugpijn en fibromyalgie) was al duidelijk geworden, dat pijngerelateerde vrees een belangrijk verschijnsel is, omdat het functioneren negatief kan beïnvloeden. Bij artrose is nog relatief weinig studie hiernaar gedaan.
Met de in dit hoofdstuk beschreven studies zijn nieuwe gegevens aan het licht gekomen:
1. De onderzochte vragenlijst laat bij artrose dezelfde twee factoren zien als bij eerder onderzochte groepen (lage rugpijn en fibromyalgie);
2. Uit nadere analyses (zogenaamde regressieanalyses, die we hier niet nader zullen beschrijven) is een samenhang gebleken tussen pijngerelateerde vrees en functioneren bij artrosepatiënten. Die relatie is negatief; dat wil zeggen dat het functioneren slechter is naarmate de mate van pijngerelateerde vrees hoger uitvalt.
Conclusies:
Deze bevindingen onderstrepen het belang van de bestudering van pijngerelateerde vrees bij artrosepatiënten. Behandelingen gericht op het verminderen van pijngerelateerde vrees zijn wellicht ook zinvol bij artrose. Dit dient nader ontwikkeld en onderzocht te worden.
Hoofdstuk 6 Algemene discussie
In het laatste hoofdstuk van dit proefschrift worden 3 algemene vragen aan de orde gesteld:
1. Wat is de betekenis van de gepresenteerde studies voor de klinische praktijk?
2. Wat zijn er voor kansen met betrekking tot de toepassing van zelfmanagement programma’s?
3. Welke conclusies zijn getrokken betreffende verder te verrichten onderzoek?
Vooral de bevinding, dat de effecten op lange termijn gunstiger waren en de verschillen tussen de zelfmanagementgroep en de controle groep toenamen, is opmerkelijk. Dit pleit voor een bredere toepassing en vergroting van de beschikbaarheid van zelfmanagement programma’s. De specifieke kenmerken van een zelfmanagementbenadering worden daarom in het laatste hoofdstuk nog eens uitgewerkt.
Toepassing van zelfmanagement programma’s vereist wel nadere scholing van de hulpverleners, die de programma’s aanbieden. Opleidingen voor therapeuten zouden deze inzichten kunnen verwerken in scholingsprogramma’s. Op dit gebied is nog veel winst te behalen aangezien het om een vernieuwing gaat.
|
© Copyright 2010 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 30-07-2010
|




