> slijmbeursontsteking van de heup
> fysiotherapie en manuele therapie succesvol bij...
> manuele therapie bij coxartrose
> onderbroek die beschermt tegen breken van ........
> Gunstig effect van extra training na heupfractuur
> One-year mortality after hip fracture

Het betreft hier een zogenaamd kogelgewricht, waardoor het bovenbeen ten opzichte van het bekken in nagenoeg alle richtingen kan bewegen. Hierdoor is het mogelijk het bovenbeen ten opzichte van het bekken naar voren te bewegen, dit wordt buigen (flexie) van het heupgewricht genoemd. Het naar achteren bewegen wordt het strekken (extensie) genoemd. Het bovenbeen van het bekken afvoeren (naar buiten bewegen) wordt abductie en het bovenbeen ten opzichte van het bekken aanvoeren (naar binnen bewegen) wordt adductie genoemd. Tenslotte kan het bovenbeen naar binnen (endorotatie) en naar buiten (exorotatie) worden gedraaid.
Het gewricht is omgeven door gewrichtskapsel. Het gewrichtskapsel wordt verstevigd door banden. De bewegingen van het heupgewricht worden in feite alleen beperkt door het gewrichtskapsel. Hierdoor is het buigen beperkt tot 100°, het strekken tot 20°, het afvoeren tot 40° en het aanvoeren tot 30°. Bij volwassenen is het naar binnen draaien evenals het naar buiten draaien van het bovenbeen beperkt tot 30°. Jonge kinderen kunnen het bovenbeen 50° naar binnen en naar buiten draaien.




Soms is een oorzaak voor de slijtage aan te geven. Oorzaken kunnen zijn:
· overgewicht
· in slechte stand genezen fracturen die in de heupkop of heupkom doorlopen
· doorbloedingsstoornissen van de heupkop na een breuk door de nek van de heupkop
Een doorbloedingsstoornis kan ook optreden na langdurig gebruik van bepaalde medicijnen nl. bijnierschorshormonen (corticosteroïden). Oorzaak van slijtage van de heupkop kan ook zijn dat er onvoldoende overdekking van de heupkop door de heupkom is. Dit is een aangeboren afwijking die bekend staat onder de naam heupdysplasie. Op kinderleeftijd tussen de twee en twaalf jaar kan ook een doorbloedingsstoornis van de heupkop optreden bekend als de ziekte van Perthes. Hierdoor ontstaat er min of meer een misvormde kop die vervroegde slijtage op de leeftijd van 50 è 60 jaar kan veroorzaken.
Op de puberleeftijd kan de heupkop afglijden (epifysiolysis) hetgeen op zich ook weer een verhoogde kans op slijtage geeft. Dit gebeurt ook bij een zeldzame afwijking waarbij de heupkop te diep in de kom is gelegen (dit wordt protrusio acetabuli of de ziekte van Otto genoemd).
In het kraakbeen en in het bot zitten geen zenuwen. De pijn moet vanuit het gewrichtskapsel komen. De pijn wordt veroorzaakt doordat na inspanning kleine stukjes kraakbeen, welke losraken van het gewrichtsoppervlak door het gewrichtskapsel worden ingevangen en een locale irritatie, ook wel ontsteking genoemd, veroorzaakt.
Dit is een ontsteking waar normaal gesproken geen bacteriën of virussen aan te pas komen en wordt ook wel een steriele ontsteking genoemd. Het duurt enige tijd voordat deze ontsteking optreedt vandaar dat een groot aantal mensen pas 's avonds als ze tot rust komen, klachten krijgen.
Door deze ontstekingen treedt er verlies van de elasticiteit van het gewrichtskapsel op. Hierdoor kunnen patiënten ochtendstijfheid en startpijn krijgen. Dit wordt verklaard doordat het minder elastische gewrichtskapsel opgerekt wordt. Is gewrichtskapsel door in beweging te zijn eenmaal opgerekt dan verdwijnen de pijn en de ochtendstijfheid na enkele seconden tot maximaal vijftien minuten. Doordat het gewrichtskapsel minder elastisch is treedt er een beperking van de beweeglijkheid van het heupgewricht op. De beweging die het eerst beperkt is, is het naar binnen draaien van het heupgewricht.
Eén van de belangrijkste klachten is pijn die opkomt bij het gebruik van het gewricht en die vermindert bij rust. De pijn is zeurend van karakter en wordt in de regel in de lies aangegeven en kan naar het bovenbeen, soms tot in de knie uitstralen. Sommige patiënten hebben pijn aan de buitenzijde van het dijbeen of alleen aan de voorzijde van de knie. In dit laatste geval zijn ze er vaak van overtuigd dat het probleem niet in de heup, maar in de knie ligt. De pijn neemt na verloop van maanden of jaren langzamerhand toe.
Door de bewegingsbeperking van de heup ontstaan er problemen bij het knippen van nagels, het aantrekken van sokken en het strikken van veters.
Vaststelling slijtage
De arts kijkt naar het looppatroon van de betrokken patiënt en test de bewegingen van het heupgewricht. Wanneer de patiënt veel pijn heeft dan leunt hij met zijn bovenlichaam over de zijde van de pijnlijke heup. Door het verplaatsen van het bovenlichaam over de pijnlijke heup wordt het gewicht op deze heup verminderd. Daarnaast probeert de patiënt bij het lopen zo kort mogelijk op het betrokken been te staan om de tijd dat de pijnlijke heup het lichaam draagt zo kort mogelijk te houden.
Bij het bewegingsonderzoek is in een vroeg stadium alleen het naar binnen draaien van het heupgewricht beperkt en pijnlijk. Naarmate het proces voortschrijdt vermindert ook het strekken en het naar buiten bewegen van het heupgewricht. Wanneer de slijtage van het kraakbeen oppervlakkig is, dan is dit op de röntgenfoto's niet waarneembaar. Kraakbeen laat zich namelijk niet afbeelden op röntgenfoto's. Op röntgenfoto's wordt alleen bot gezien. Er kan sprake zijn van jarenlange klachten, zonder dat dit op röntgenfoto’s is te zien.
Naar gelang de tijd verstrijkt wordt in de regel in eerste instantie op röntgenfoto's alleen maar een versmalling van de gewrichtsspleet waargenomen doordat de kraakbeenlaag dunner is geworden. Wanneer het kraakbeen tot op het bot is versleten dan kan misvorming van de heupkop en de heupkom optreden.

Het heupgewricht bestaat uit een kop en een kom. De heupkop gaat over in de hals (collum) en via een tweetal verdikkingen (trochanters) waaraan krachtige spieren vastzitten, zit de hals vast aan het dijbeenbot (femur).
Diagnosestelling
Na de val zal een patiënt natuurlijk veel pijn hebben. Opvallend is vaak dat het been naar buiten ligt gedraaid en korter lijkt. Erop staan is meestal niet meer mogelijk.
Uw arts zal röntgenfoto's nemen van uw beide heupen om te bepalen waar precies het bot gebroken is en hoever de verschillende stukken uit elkaar staan. Indien er sterke verdenking is op een breuk, zonder dat de röntgenfoto dit duidelijk laat zien, kan een scan worden overwogen.
De meeste heupfracturen bestaan uit een drietal types:
· Dijbeenhals-breuk (collum-fractuur): deze ligt in het gebied van de hals zo'n 2,5 tot 5 cm. van de heupkop af. Deze breuken liggen binnen het heupkapsel. Hierdoor kan de bloedvoorziening naar de afgebroken kop in gevaar komen met afsterven (heupkopnecrose) als gevolg (zie plaatje).
· Breuken door de verdikkingen (pertrochantere fracturen): deze zijn vaak met meerdere fragmenten en daardoor minder stabiel en stevig.
· Breuken direct onder de verdikkingen (subtrochantere fracturen). Deze zijn wat zeldzamer en komen vaker voor bij ziektes die de sterkte van het bot hebben aangetast.
Wanneer andere maatregelen niet (meer) helpen dan is er een indicatie voor een 'nieuwe heup' (totale heupartroplastiek). Net als bij auto's zijn er verschillende merken kunstheupen. Eventueel kunt u aan uw orthopedisch chirurg vragen wat de internationale ervaring met heupprothesen is van de heup die hij van plan is bij u te plaatsen. Een redelijke indruk van de kwaliteit en overlevingsduur van heupprotheses kan verkegen worden uit de gegevens van een Zweedse databank. Al 25 jaar lang worden de gegevens van de kunstheupen die in Zweden worden geplaatst geregistreerd. Wanneer de kunstheup moet worden vervangen wordt dit wederom geregistreerd en hebben we een goede indruk over de overlevingsduur. Op grond van het vastzetten van de prothese in het bekken en het bovenbeen kunnen er in het algemeen twee typen heupprothesen worden onderscheiden. Dit betreffen de zogenaamde gecementeerde en de ongecementeerde totale heupartroplastieken.
Bij een gecementeerde kunstheup wordt de versleten heupkop verwijderd en eventuele resten van kraakbeen worden uit de kom gefreesd. In de uitgefreesde kom wordt een kunststoffen (polyethyleen) kom geplaatst en de versleten heupkop wordt vervangen door een metalen kop, meestal een metaalmengsel van chroom-kobalt-nikkel welke met een steel in het bovenbeen wordt geplaatst. Zowel de kom als de steel worden met botcement (polymethylmetacrylaat, een twee componenten lijm) aan het bot verankerd.
Bij de ongecementeerde totale heupartroplastiek worden de kom en de kop met steel niet met cement vastgezet, maar worden de kom en steel met kop zo vast mogelijk in het bot ingeklemd. Bij de ongecementeerde kunstheup is de kunststoffen kom aan de achterzijde in de regel bedekt met titanium. De steel welke in het bovenbeen wordt geplaatst is meestal ook van titanium. De kop is in de regel weer een samenstelling van chroom, kobalt en nikkel.
De buitenzijde van zowel de steel, welke in het bovenbeen wordt geplaatst, alswel de kom kan bedekt zijn met een laagje (hydroxy appetit) waarin het bot in kan groeien zodat de nieuwe heup nog vaster komt te zitten.
Een totale heupartroplastiek werkt zeer effectief tegen pijn. Patiënten kunnen weer nagenoeg normaal functioneren en worden weer onafhankelijk van anderen. Ze hebben daardoor minder kostbare verzorging nodig waardoor deze operatie economisch kosteneffectief is. In Nederland worden jaarlijks meer dan 15.000 kunstheupen geplaatst. Het succes van deze operatie heeft andere operatieve technieken om de pijn te bestrijden nagenoeg volledig verdrongen (technieken zoals het doorzagen en in een betere stand plaatsen van het dijbeen om betere drukverdeling in het heupgewricht te realiseren en een verstijvingsoperatie van de heup die een pijnloze, maar volledige stijve heup oplevert).
In geval van een beginnende slijtage bij een heup waarbij de heupkom onvoldoende overdekking van de heupkop (heupdysplasie) biedt wordt nog wel regelmatig een stuk bot welke uit het bekken wordt gehaald aan de buitenzijde van de heupkom geplaatst of wordt het bekken op drie plaatsen doorgezaagd en de kom in een betere stand geplaatst (de zogenaamde triple osteotomie) voor het verkrijgen van een betere drukverdeling op de heupkop.



- Een wc-potverhoger zorgt er voor, dat u niet te diep gaat zitten.
- Een kousenaantrekker geeft u veel gemak omdat u minder hoeft te bukken. *
- Een verlengde arm/klem (helping hand) geeft u meer armslag, zodanig dat u niet extra voorover hoeft te reiken.*
- Een douche-krukje is handig om met minder gevaar voor uit glijden zich te douchen.
- Handvatten op de W.C. om zich op te kunnen trekken of te laten zakken.
- Instapschoenen kunt u rechtop staande aantrekken met behulp van een lange schoenlepel. Hierdoor hoeft u niet voorover te buigen. *
- Een hoge stoel zorgt er voor, dat u niet te diep gaat zitten.
- Een autostoel is meestal laag en gemaakt in de vorm van een kuip. Het is zinvol om een kussen in deze kuip te leggen om hoger te zitten.
- Een hoog bed zorgt er voor, dat u niet te diep gaat*
- Drempels in huis zijn vaak hindernissen waar u gemakkelijk over kunt struikelen.
- Losse vloerkleedjes zijn vaak hindernissen waar u gemakkelijk over uit kunt glijden. Haal ze dus weg!
- Blijf bewegen!!!!! Het hoeft niet lang te zijn, als het maar vaak is.







- Overbelasting door te langdurig lopen
- Ander looppatroon door klachten in de heup, knie of bekken
- Te grote toename van spanning van de bilspieren
- Liggen op de aangedane zijde bij een slecht of te hard matras
- Val of stoten van de heup
Predisponerende factoren voor het ontstaan( de kans om klachten te krijgen is groter) :
- Bij vrouwen van middelbare leeftijd komt het vaker voor. Vrouwen hebben over het algemeen een breder bekken en een smallere voetbasis dan mannen. De pees drukt daardoor meer op de trochanter, waardoor de kans op frictie groter is.
- Bij een stand van de bovenbenen naar binnen gedraaid (endorotatiestand). De knieschijven staan daarbij niet recht naar voren, maar iets naar binnen gedraaid. De oorzaak daarvan kan gelegen zijn in de heupen, knieën of voeten.
- Bij een aangeboren grote trochanter major
- Bij (groot) beenlengteverschil, waarbij aan de kant van het langste been de frictie groter kan zijn
- Bij een “snapping hip”. De term “snapping hip” komt uit het Engels en betekent letterlijk 'knappende heup'. Bij een snapping hip voelt men iets verspringen aan de buitenkant van de dij of heup. Dit kan gepaard gaan met een 'knappend' gevoel of geluid. Over het algemeen is een snapping hip pijnloos en niet ernstig, maar het gevoel kan als onprettig worden ervaren. Bij deze vorm verspringt de peesplaat over de heup. Dit geeft meestal geen pijn, maar hierbij is de kans op frictie wel groter.
- Bij artrose van de heup komt een bursitis trochanterica vaker voor. Bij artrose zit de pijn echter meer in de lies.
- bij reuma komt de klacht vaker voor
Symptomen :
- Pijn lokaal t.h.v. de botpunt (trochanter major) met soms uitstraling aan de buitenkant van het bovenbeen
- Lokale drukpijn
- Soms tekens van een ontsteking ( zwelling, roodheid, warmte)
Wanneer treedt de pijn op ?
- Bij veel lopen, traplopen
- Bij erop drukken of erop liggen
- Bij het naar buiten brengen van het been ( abductie)
- Pijn kan ook optreden bij liggen op de gezonde zijde waarbij het aangedane been naar binnen ligt (adductie), zoals bij een stabiele zijlig
- In rust is er meestal geen pijn
Wat is er aan te doen ?
- Meestal gaat de klacht vanzelf over. De tijd dat de ontstekingsreactie duurt is doorgaans 3 á 6 weken.
- Bij acute aandoening kan koelen verlichting geven
- Rust, dus wat rekening houden met de belasting; niet op aangedane zijde liggen
- Uw arts kan u medicijnen of een injectie geven; smeren met een NSAID ( zoals Tantum,Advil,Voltarin K,e.d. kan soms heel goed helpen
- Heel zelden kan een operatie nodig zijn
- Bij langer bestaande bursitis kan fysiotherapie zinvol zijn. De behandeling zal dan vnl. gericht zijn op :
*Ontspanning van de bilspieren
* Rekken van de betrokken spieren
*Verbetering van de stand van de bovenbenen,knieën,voeten
*Verbetering van de functie van de heup
*Verbetering van het looppatroon
*Advisering over vermindering van de belasting van de
aangedane structuur
Hugo Hoeksema gepromoveerd op basis van een proefschrift over manuele therapie bij heupartrose.
Uit eerder onderzoek door TNO was al gebleken dat fysiotherapie zeer succesvol is bij patiënten met artrose van de heup.Dat onderzoek was vooral gericht op het uitvoeren van activiteiten van het dagelijkse leven en op het normaal kunnen deelnemen aan het sociale leven.Het onderzoek van Hoeksema is gericht op de verbetering van de functie van de heup zelf.Op alle aspecten van het onderzoek was de score goed.De bewegingsmogelijkheid van de heup neemt sinificant toe en de pijn neemt significant af.

Daar waar cognitieve gedragstherapie het panacee wordt voor psychische klachten, lijkt manuele therapie dat te worden voor klachten van het bewegingsapparaat. Hugo Hoeksema, manueel therapeut in het St Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein, deed een RCT waarin hij manuele therapie vergeleek met fysiotherapie bij verwezen patiënten met coxartrose. De RCT verscheen ook in zijn proefschrift. Het ging om 109 patiënten die al onder behandeling waren van orthopeden of reumatologen. Het is niet helemaal duidelijk hoe lang ze al onder behandeling waren. Meer dan helft van de patiënten had langer dan een jaar last. Bij de 56 patiënten in de manueletherapiegroep werden 9 keer volgens een vast protocol de spieren rond het heup gewricht gerekt. Daarna werd er tractie aan de heup gegeven in elke richting waarin een beperking was gemanipuleerd (high velocity thrust technique). De 53 patiënten in de oefengroep kregen standaard oefeningen. Na 5 weken was er een significant en relevant verschil op de primaire uitkomstmaat; de door patiënt beleefde verbetering op een 6-puntsschaal. In de manueletherapiegroep verbeterde 81% en in de oefengroep 50% (RR 1,62, 95%-BI 1,20-2,20). Na 29 weken was er nog steeds verschil.
Betekent dit nu dat de huisarts patiënten met een coxartrose eerst naar de manueel therapeut moet sturen? Misschien wel, maar dat is natuurlijk niet echt onderzocht. Daarbij werd de therapie ook maar door 2 therapeuten gegeven, en het is niet uitgesloten dat er verschil is tussen deze 2 en die bij u om de hoek. Veel kwaad lijkt een verwijzing echter niet te kunnen. Slechts bij 3 patiënten namen de klachten bij manuele therapie toe, in de oefengroep was dat het geval bij 2 patiënten. (JZ)
Hoeksma HL, et al. Comparison of manual therapy and exercise therapy in osteoarthritis of the hip: a randomized clinical trial. Arthritis Rheum. 2004 Oct 15;51:722-9.
Artikel uit tijdschrift "Huisarts en Wetenschap" januari 2005
Maar nu is er wel iets aan te doen:een onderbroek met een beschermende laag.Het materiaal dat de bescherming biedt is een technisch hoogstandje,dun,zeer elastisch en huidvriendelijk.Het is nauwelijks zichtbaar en vooral dit aspekt is een hele verbetering!Het kost wat......................maar u krijgt er ook wat voor. Dus,waarom nog risico lopen als het echt niet meer nodig is? Natuurlijk biedt het geen 100% garantie,maar onderzoek heeft aangetoond dat de kans op een breuk fors daalt bij gebruik.
De broeken worden verkocht in alle winkels die zorgmaterialen verkopen.

Heupfracturen komen veel voor bij ouderen en ondanks postoperatieve revalidatie herstellen veel patiënten niet volledig en krijgen niet meer hun ambulante en functionele status terug van voor de fractuur. Zes maanden langer revalideren, inclusief krachttraining, draagt echter bij aan beter functioneel herstel en kwaliteit van leven.
Dit blijkt uit een onderzoek waarin bij 90 mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder die waren geopereerd wegens een fractuur van de proximale femur en daarna het standaard revalidatieprogramma hadden voltooid, twee aanvullende trainingsprogamma’s werden vergelijken.
De ene groep deed gedurende 6 maanden thuis oefeningen, terwijl de andere groep in die periode fysiotherapie kreeg en onder supervisie krachttraining deed. Ook verbeterden in de groep die oefende onder supervisie significant de spierkracht, de loopsnelheid, het evenwicht en het gevoel gezond te zijn. De minerale dichtheid van het bot nam echter niet toe en de vetvrije massa verminderde niet.
Bron: Care4cure
|
|
News Author: Laurie Barclay, MD
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd
October 9, 2007 — One-year mortality after a second hip fracture (24.1%) was higher than 1-year mortality after a first hip fracture (15.9%), and the first hip fracture was an indicator for likelihood of a second hip fracture, according to results from the Framingham Heart Study reported in the October 8 issue of the Archives of Internal Medicine.
"Older persons with hip fractures remain at increased risk of subsequent hip fractures," write Sarah D. Berry, MD, MPH, from the Institute for Aging Research, Hebrew SeniorLife in Boston, Massachusetts, and colleagues. "However, little is known about the frequency and characteristics of persons who sustain a second hip fracture."
The study cohort consisted of 481 participants in the Framingham Heart Study who sustained an initial hip fracture between April 1952 and December 31, 2003. Follow-up continued until a second hip fracture, death, dropout, or study completion. Factors assessed as potential predictors of a second hip fracture were age, sex, falls, stroke, dementia, residence, recent weight change, body mass index (BMI), and functional status. Median follow-up was 4.2 years.
A second hip fracture occurred during follow-up in 71 (14.8%) participants. After a first hip fracture, 2.5% of participants had a second hip fracture within 1 year, and 8.2% of participants (9.7% of women) had a second hip fracture within 5 years.
One-year mortality after an initial hip fracture was 15.9% vs 24.1% after a second hip fracture. The risk of a second hip fracture was associated with increased age (hazard ratio [HR] per 5-year increase in age, 1.5; 95% confidence interval [CI], 1.1 - 1.8) and high functional status (HR vs moderate functional status, 2.7; 95% CI, 1.1 - 6.9).
There was a statistically nonsignificant trend toward an association between low functional status and the risk for a second hip fracture (HR vs moderate functional status, 3.7; 95% CI, 0.9 - 14.8). Stroke, falls, dementia, or nursing home residence was not associated with the risk for a second hip fracture in this study.
"Among survivors of an initial hip fracture, the incidence of a second hip fracture is substantial," the study authors write. "Older age and functional status may be important predictors of a second hip fracture. There seems to be adequate time between the first and second hip fractures for interventions that may reduce second hip fractures."
Limitations of the study include limited power to examine falls and residence as risk factors because information on these predictors was not collected until late in the study; failure to consider the effect of impediments after an initial hip fracture; possible confounding introduced because of the long follow-up period in this study because of improvements in surgical outcomes; certain predictors missing a large amount of data; modest number of second hip fractures; no information on bisphosphonate use; lack of data on other potential predictors of interest, including bone mineral density and visual acuity; and study sample lacking minority groups.
"Treatment with vitamin D is recommended for all persons with a hip fracture in an effort to improve bone mineral density and to reduce the risk of subsequent falls," the study authors conclude. "Clinicians should give special attention to age and functional status at the time of the first hip fracture when determining whether additional therapies are appropriate in an effort to reduce secondary hip fractures."
The National Heart, Lung, and Blood Institute; the National Institute of Neurological Disorders and Stroke; the National Institute of Aging; the National Institute of Arthritis and Musculoskeletal and Skin Diseases; Harvard/Hartford; and the Older Americans Independence Center funded this study. The study authors have disclosed no relevant financial relationships.
Arch Intern Med. 2007;167:1971-1976.
Clinical Context
Each year, more than 300,000 hip fractures occur in the United States with increased morbidity and mortality, but few clinicians initiate osteoporotic therapy after a hip fracture, especially in older persons, and the frequency of a second hip fracture has been described as 2% to 11%. The mean time between first and second hip fractures has been described as 2 to 4.3 years, with many occurring during the first year of follow-up. In postmenopausal women, falls, dementia, weight loss, maternal history, and poor visual acuity have been linked with second hip fractures, whereas regular walking, estrogen use, and normal visual acuity are associated with protection.
This is a prospective study of members of the Framingham Heart Study cohort, which enrolled adults aged 28 to 62 years to study cardiovascular risk factors. All members who had first hip fractures between April 1952 and December 31, 2003, were followed up until a primary outcome of a second hip fracture, death, dropout, or December 31, 2003, to examine the prevalence of and risk factors for second hip fractures.
Study Highlights
*Included were participants with first hip fractures identified by review of hospital and death records, traumatic hip fractures, motor vehicle crashes, and falls.
Excluded were periprosthetic fractures.
*Variables examined were sex, age, falls, stroke, dementia, 4-year weight change, functional stratus, nursing home residence, and BMI with respect to the risk for a second hip fracture.
*Functional status was measured with the modified Katz Activities of Daily Living Scale and the 3-item Rosow-Breslau Scale measuring the ability to perform housework, climb stairs, and walk one-half to 1 mile independently.
*High function was defined as the ability to perform all functions on both scales independently.
*Moderate functional status was defined as independence in all Katz items but the inability to perform at least 1 of the Rosow-Breslau Scale items.
*Low functional status indicated dependence in at least 1 item in each of both scales.
*481 participants (95 men and 386 women) were observed.
*The incidence of a first hip fracture was 0.28 cases per 100 person-years.
Mean age at the first fracture was 81 years (range, 45 - 99 years).
With a median of 4.2 years of follow-up, 14.8% (7 men and 64 women) experienced a second hip fracture.
92% of second hip fractures occurred on the opposite side of the initial fracture.
Among those with a first hip fracture, the incidence of a second hip fracture was 2.3 cases per 100 person-years.
*The incidence of second hip fractures among women was twice as high as among men (2.5 vs 1.3 cases per 100 person-years).
The median age at the second hip fracture was 86 years (range, 53 - 98 years).
The median time between the 2 fractures was 4.2 years (range, 1 month to 33.3 years).
2.5% of participants (3.1% of women) experienced a second hip fracture within 1 year.
*15.9% of those with first hip fractures died within 1 year.
During the first year of follow-up after the first hip fracture, the risk for death was greater than the risk for a subsequent fracture.
Men had higher mortality than women after the initial hip fracture (24.4% vs 13.8%; P = .03), and this was mainly accounted for by infections in men during the first year after hip fracture.
*1-year and 5-year mortality after a second hip fracture were 24.1% and 66.5%, respectively.
Thus, 1-year mortality after a second hip fracture was higher than that after a first hip fracture.
*58% of participants with second hip fractures were independent in walking one-half to 1 mile, climbing stairs, and performing housework at baseline vs 27.1% of those with the first hip fracture.
*Older age was a predictor of a second hip fracture with an HR of 1.5 after adjustments.
*Persons with high functioning had more than twice the risk for a second hip fracture vs persons with moderate functioning (HR, 2.7).
There was a suggestion of increased risk for second hip fractures with baseline low function, but this was not statistically significant.
Sex, falls, stroke, BMI, dementia, 4-year weight change, and nursing home residence were not associated with a higher risk for a second hip fracture.
Pearls for Practice
*The prevalence of a second hip fracture after the first hip fracture is 15%, and 1-year mortality is higher after the second vs the first hip fracture.
*Older age and high vs moderate functioning are risk factors for second hip fractures.
Medscape Medical News 2007. ©2007 Medscape
|
© Copyright 2010 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 30-07-2010
|


