> Door bewegen minder kans op hartfalen
> Bewegen belangrijk bij dementie
> Moderate Phys. Activity and Dementia Risk
> Wie regelmatig beweegt, slaapt veel beter
> Lichaamsbeweging verlaagt sterfterisico
> Lichaamsbeweging goed voor de grijze massa
> Invloed fitheid op metabool syndroom en stress
> Beweging vermindert kans op darmkanker
> Sport tegen osteoporose
> Bewegen voorkomt osteoporose
> Functioneel trainen effectiever
> Sporten helpt tegen diabetes bij ouderen
> Reuma en bewegen
> Minder zwikken en verstuiken
> Chronisch zieke patiënt moet bewegen
> Sportief bewegen met artrose
> Sport goed voor lichaam en en geest
> Meer bewegen : langer leven !
> Running May Reduce Pain Associated With Aging
> Bewegen vermindert kans op dementie
> Bewegen beschermt tegen dementie
> Gezonde leefstijl vertraagt optreden dementie
> Bewegen in groepsverband stimuleert
> Bewegen vermindert kans op borstkanker
> Sporten voor een gezonder leven
> Gezondheidsvoordelen van bewegen
> Norm Gezond Bewegen
> High-Intensity Interval Walking Training Benefits
|
Hoe is deze relatie te verklaren? Mogelijke verklaringen zijn: (1) een verbeterde doorbloeding en dus verbeterde zuurstofvoorziening van, en (2) meer celgroei in het brein, (3) meer aanmaak van hormonen (onder andere endorfines) waardoor kinderen minder stress ondervinden en zich beter voelen - en dus beter kunnen presteren.
De uitkomst van deze studie is extra interessant gezien de recente discussie om de tijd voor gym op scholen in te ruilen voor 'academische vakken' zoals wiskunde en talen.
Echter van de 14 bestudeerde studies over dit onderwerp waren er maar 2 van hoge kwaliteit. Ook wordt uit het literatuuronderzoek niet duidelijk hoeveel, en welke vorm van, lichamelijke activiteit nodig is voor betere schoolprestaties. De onderzoekers willen aanvullend onderzoek doen om deze uitkomst verder te verifiëren. Om welke lichaamsbeweging gaat het? Is buiten spelen, schoolgym of dagelijks wandelen of fietsen voldoende voor betere leerprestaties of moet er sprake zijn van specifieke sporten?
|
|
Wie naar zijn werk wandelt, heeft minder kans op hartfalen
Om het effect van bewegen op hartfalen in vrije tijd, van en naar het werk en op het werk na te gaan, zijn 60.000 mannen en vrouwen tussen 1972 en 2002 gevolgd.
In die tijd ontwikkelde 6 procent hartfalen. Bij hartfalen kan het hart niet genoeg bloed naar het hart pompen, waardoor een patiënt vaak last heeft van vermoeidheid en kortademigheid.
Hartfalen
Eerdere onderzoeken lieten al zien dat veel bewegen de kans op een hartaanval of beroerte verkleint. Het effect van bewegen op hartfalen was nog niet onderzocht. Ook was nog niet bekend welke vormen van beweging, welk effect hadden.
Uit het onderzoek blijkt dat mensen die tenminste drie keer per week flink bewegen, 47 procent minder kans hebben op hartfalen. Mannen die op hun werk veel bewegen – van staan en lopen tot zwaar fysiek werk – verkleinen hun kans op hartfalen met 25 procent, vrouwen zelfs met 33 procent. Wie daarnaast ook nog op de fiets of lopend naar zijn werk gaat heeft nog minder kans op hartfalen.
Het is volgens de onderzoekers belangrijk om niet alleen in je vrije tijd te bewegen, maar ook naar het werk en op het werk te bewegen. Dit kan door bijvoorbeeld de trap te nemen in plaats van de lift of te fietsen in plaats van de auto.
Het onderzoek is gepubliceerd in het tijdschrift van de American College of Cardiology.
Bron: GezondheidsNet
|
|
Twan van Venrooij
Er zijn allerlei positieve effecten gevonden van beweging op de cognitie, onder meer bij kinderen, pubers en ouderen met en zonder dementie. Het bestaan van deze positieve effecten van beweging deed Erik Scherder en collega’s van de afdeling Neuropsychologie van de Vrije Universiteit vermoeden dat een afname van de lichamelijke activiteit een nadelig effect heeft op cognitie en gedrag bij patiënten met dementie.
In de review beschrijven Scherder et al. het nadelige effect van opname in een verpleeghuis op de mate van lichaamsbeweging en de gevolgen hiervan op gedrag en cognitie. Bij opname in een verpleeghuis daalt de mate van lichaamsbeweging aanzienlijk. Uit één onderzoek bleek zelfs dat verpleeghuisbewoners meer dan 17 uur per dag in bed doorbrachten.
Daarbij benadrukken zij dat het vastbinden van onrustige patiënten leidt tot stress die de beschadiging van de hersenen verder versnelt. Onrust bij patiënten zou daarom niet behandeld moeten worden met het inperken van de bewegingsvrijheid maar met een verhoging van de lichamelijke activiteit, bijvoorbeeld door deelname aan een bewegingsprogramma.
Moderate Physical Activity Linked to Lower Dementia Risk
July 12, 2010 (Honolulu, Hawaii) — A new analysis from the Framingham Study suggests moderate to heavy physical activity is associated with a reduced risk for dementia during more than 20 years of follow-up.
Compared with those with lower levels of activity, participants reporting moderate to heavy physical activity had a 45% lower risk for dementia over time.
"A reduced risk of dementia may be one of the additional health benefits that can actually be derived from maintaining at least moderate physical activity," lead author Zaldy Tan, MD, MPH, from the Brigham and Women's Hospital, VA Boston, and Harvard Medical School, in Massachusetts, concluded.
![]() |
| Dr. Zaldy Tan |
Dr. Tan presented the results here at the Alzheimer's Association International Conference on Alzheimer's Disease 2010.
Divergent Findings
Previous findings from the Framingham original cohort have already shown moderate or high physical activity to be associated with a number of positive outcomes, including a reduced risk for stroke and cardiovascular disease, higher high-density lipoprotein cholesterol levels, a reduced risk for colon cancer, and lower overall rates of mortality, Dr. Tan noted.
"Interestingly, while there are many potentially modifiable risk factors that have been linked with Alzheimer's disease and dementia, physical activity seems to be one that is fairly consistent in being shown to be related to the risk of dementia," he said. A recent review showed that 20 of 24 population-based studies showed a link between physical activity and reduced risk for dementia or cognitive decline.
Still, Dr. Tan added, the evidence is not entirely consistent. "There are some studies that seem to show no relationship between physical activity and dementia," he said, including the Bronx Aging Study, the Religious Orders Study, and the Radiation Effects Research Foundation Study.
The present investigation then looked at this relationship in the Framingham Study original cohort — a longitudinal community-based sample of 5209 men and women living in Framingham, Massachusetts, that has been evaluated every 2 years since 1948 for cardiovascular risk factors. A dementia study began in 1975, with the administration of a battery of neuropsychological tests, and 3349 of the original participants free of dementia at that time were enrolled and subsequently assessed every 2 years.
In 1986 to 1987, a survey was introduced to calculate a daily physical activity index (PAI) based on estimated hours spent performing physical activity and weighting each activity by an assigned caloric equivalent. The study population for this current study, then, includes those participants who were both free of dementia in 1986 and 1987 and who had a PAI available, for a total of 1211 Framingham study participants.
Participants were asked to estimate the amount of time they spent in various activities, ranging from sleep and sedentary states; to slight physical activity, such as standing and walking; to moderate activity, including things like housework, climbing stairs, or light sports like golf or bowling; to heavy activity, including heavy household work or more intensive exercise such as jogging.
During a mean follow-up of 9.9 ± 5.5 years, ranging from 0 to 21 years, 242 participants developed dementia. Of these, 193 cases were Alzheimer's disease, defined according to Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th Edition/National Institute of Neurological and Communicative Diseases and Stroke/Alzheimer's Disease and Related Disorders Association criteria.
"What we found is that participants who spent at least 1 hour per day of moderate or heavy physical activity had a 45% lower risk of developing dementia," Dr. Tan said.
Risk for All-Cause Dementia With Moderate to Heavy Physical Activity vs Low Activity
| Outcome | Hazard Ratio | 95% Confidence Interval | P |
| All-Cause Dementia | 0.55 | 0.37 - 0.81 | .003 |
Furthermore, those with a PAI in the lowest quintile had a 45% higher risk for dementia vs the highest quintile.
Risk for All-Cause Dementia for Highest Quintile of PAI vs Lowest
| Outcome | Hazard Ratio | 95% Confidence Interval | P |
| All-Cause Dementia | 1.45 | 1.06 - 1.98 | .021 |
Kaplain-Meier curves showed that the difference between groups could be seen as early as at 2 years of follow-up, and the curves continued to separate over time.
Similar results were seen when the researchers looked at the risk for Alzheimer's disease alone, but the association was no longer statistically significant, Dr. Tan said. Adjustment for apolipoprotein E4 status did not change the relationship, he added.
However, stratification by sex showed that the beneficial effect of exercise was largely seen in men. Still, he said, "I don't think the gender differences mean that females do not benefit from exercise." Although there are several possible explanations, he added, "I suspect the finding may be just due to the fact that females of the generation recruited for the original cohort perhaps did not have as many occupational and social activities as men did at that time."
Physical activity is a potential preventive factor that would likely take years to manifest its effect, "so the fact that we've followed them for over 20 years, this is something that suggests that long-term physical activity actually works," Dr. Tan noted. The mechanism is not clear, he added, but reduction of cardiovascular risk factors such as hypertension, or the release of neurotrophic factors, are possible effects.
Stronger Evidence
William Thies, PhD, chief medical and scientific officer at the Alzheimer's Association National Headquarters in Chicago, Illinois, acted as moderator of the press conference here. He pointed out that a National Institutes of Health State of the Science Conference in April this year concluded that the literature on potential preventive factors was lacking in many respects.
![]() |
| Dr. William Thies |
"So we selected papers this morning really to respond to that at least partially, by picking papers that come from some of the biggest studies in the United States that have been responsible for defining many of the risk factors for other diseases," Dr. Thies said.
The strength of this paper in particular is that, "it comes from a really big, really good, historically dependable study" — the Framingham Study.
"The part of it that's a little hard to interpret is they got a sort of a dose-response curve, but they got their major effects at the highest levels of exercise. That doesn't necessarily agree with what's happened in other studies in other diseases as well, so I think that's something we should look at carefully," Dr. Thies told Medscape Medical News. "Because if you really look at the hazards, the only real hazard of exercise is overuse injuries, so you'd want to be a little careful of recommending everybody over 70 starts running marathons."
In addition, self-report is "notoriously error-prone really for anything — diet, exercise, alcohol intake."
Still, he said, "From a personal standpoint, there's no doubt that exercise results in public health good. There's no possibility that recommending exercise can be a bad thing, and I'm perfectly comfortable with that being one of our primary recommendations."
The Framingham Heart Study is funded by the National Heart, Lung, and Blood Institute; the National Institute on Aging; and the National Institute of Neurological Diseases and Stroke. The authors have disclosed no relevant financial relationships.
Alzheimer's Association International Conference on Alzheimer's Disease 2010: Abstract 01-01-03. Presented July 11, 2010.
Bron: Vrije Universiteit Brussel
|
![]() |
Regelmatige lichaamsbeweging in de late namiddag of vroege avond zorgt voor een algemene stressvermindering en werkt slaapbevorderend. Dit blijkt uit een onderzoek van de Belgische Vereniging voor Slaaponderzoek en Slaapgeneeskunde, onder leiding van Prof. Dr. Elke De Valck (Vrije Universiteit Brussel), Natacha Nujar (Vrije Universiteit Brussel) en Dr. Charles Doyen (CHR Tournai).
De voorbije maanden gingen zij in verschillende Belgische ‘Start-to-run’-groepen na welk effect de deelname aan het trainingsprogramma op de slaapkwaliteit van beginnende lopers heeft. Uit de analyse blijkt dat de lopers aan het eind van het trainingsprogramma een betere algemene slaapkwaliteit ervaren: ze slapen sneller in en slapen ook langer. Bovendien voelen de lopers zich minder slaperig overdag en vertonen ze minder symptomen van “overactiviteit”, zoals piekeren en een versnelde hartslag.
Er zijn minimum drie factoren die het effect van lichaamsbeweging op de slaap bepalen. De eerste is de intensiteit van de inspanning. Een te zware inspanning verstoort de slaap, ook al ben je in een goede conditie. Daarnaast is de timing van de inspanning doorslaggevend. De inspanning situeert zich bij voorkeur minimum 3 tot 4u voor bedtijd, dus in de loop van de late namiddag of de vroege avond. Als je te laat sport, dan is de activiteit van het lichaam nog te hoog bij het naar bed gaan. De extra afkoeling als gevolg van de oververhitting na het sporten, werkt na 3 tot 4u slaapbevorderend. Tot slot speelt ook de fysieke conditie van de persoon een belangrijke rol. Wanneer de conditie nog beperkt is, zal ook de positieve invloed op de slaap minder voelbaar zijn. Even doorbijten is dus de boodschap voor wie een goede nachtrust wil.
Publicatie datum: 18-03-2008
|
![]() |
Wie minstens drie uur per week matig actief is, verkleint het sterfterisico met 27 procent. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek bij meer dan 250.000 Amerikanen van wie de overlevingskansen werden vergeleken in functie van de lichamelijke activiteit. De resultaten werden een tijd geleden gepubliceerd in het vakblad Archives of Internal Medicine en staan samengevat in Bodytalk.
Het maakt geen verschil in sterfterisico of je zes dagen per week 30 minuten matig actief bent of drie keer per week 20 minuten intensief sport. Je bent ook nooit te oud om actief te worden. Zelfs een omschakeling op je 50ste naar een actieve levensstijl levert belangrijke gezondheidsvoordelen op.
Uit andere gegevens blijkt dat de conditie van een goed getrainde zestiger vergelijkbaar is met die van een sedentaire tiener en die van een sportieve tachtiger met die van een sedentaire vijftiger.
Bron: DeMorgen (Be)
|
|
Nieuw bewijs over nut lichaamsbeweging
MAARSSEN - Er blijft onderzoek uitkomen dat het effect van lichaamsbeweging koppelt aan prestaties op cognitieve tests.
In een onderzoek verbeterden de prestaties van proefpersonen op een geheugentest significant na een drie maanden durend trainingsprogramma. Dat bestond vooral uit oefingen ter verbetering van de conditie.
Hersenbrekers
Lichamelijke beweging is niet de enige weg tot behoud van een goed stel hersenen. Ook een mentale workout helpt om achteruitgang in cognitieve functies te voorkomen. Alles wat anders is dan het dagelijkse ritme kan heilzaam zijn, zoals het leren van een nieuwe taal.
Bron : Psychologie, Nieuwsredactie Elsevier Gezondheidszorg

Op basis van bepaalde biologische processen, zouden, naast stress, ook fysieke activiteit en fysieke fitheid, een causale rol kunnen spelen, in de ontwikkeling van het metabool syndroom (overgewicht, ongezond cholesterolprofiel, hoge bloeddruk en hoge nuchtere bloedsuikerspiegel).
Bovendien ondersteunen bepaalde theorieën mogelijke positieve effecten van fysieke activiteit op stress. De studie van de onderlinge relaties tussen fysieke activiteit, fysieke fitheid, stress en het metabool syndroom is dus een belangrijke bron van informatie voor de ontwikkeling van effectieve preventiestrategieën tegen stress en het metabool syndroom. Het voornaamste doel van het doctoraatsonderzoek van dr. Katrien Wijndaele (vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen) bestond uit het onderzoeken van deze onderlinge relaties in een populatie van Vlaamse volwassenen tussen 18 en 75 jaar. Voorafgaand werden echter een aantal computergestuurde psychologische vragenlijsten en een nieuw geconstrueerde continue risicoscore voor het metabool syndroom onderzocht op respectievelijk betrouwbaarheid en validiteit.
Metabool syndroom en psychologische stress
Psychologische stress vormt eveneens een belangrijke publieke gezondheidsbedreiging omwille van de hoge prevalentie en de geassocieerde gezondheidsrisico’s, waaronder depressie, angststoornissen, en het metabool syndroom.
Populatiestudie
Uit de populatiestudie concludeert dr. Katrien Wijndaele dat:
Sportparticipatie door middel van positieve effecten op sociale steun, een vermindering van stress, angst en depressie kan veroorzaken.
Vermindering van sedentair gedrag kan resulteren in een risicoverlaging voor het metabool syndroom, supplementair op een risicoverlaging door een toename in matige tot intense fysieke activiteit.
Wat betreft fysieke fitheid kan een hogere spierkracht bij vrouwen eveneens beschermend zijn tegen het metabool syndroom, bovenop een beschermend effect van een goede aërobe fitheid.
Bij mannen enkel een mogelijk beschermend effect van aërobe fitheid tegen het metabool syndroom werd gevonden.
Tenslotte toonde een causaal model aan dat het beschermend effect van matige tot intense fysieke activiteit tegen het metabool syndroom voornamelijk zou veroorzaakt worden via een toename in fysieke fitheid.
Publicatie datum: 29-03-2007
Lichaamsbeweging beschermt tegen darmkanker, benadrukt hoogleraar Maag-, Darm- en Leverziekten Joep Bartelsman van het AMC in zijn inaugurele rede.
Mensen die veel aan sport doen hebben veertig tot vijftig procent minder kans om de ziekte te krijgen dan mensen die nauwelijks bewegen. Bovendien blijkt lichamelijk activiteit in de jaren voorafgaand aan de diagnose een gunstig effect te hebben op de overleving van patiënten die toch darmkanker ontwikkelen. In vergelijking met inwoners van andere Europese landen zijn Nederlanders echter slecht op de hoogte van het positieve effect van bewegen.
In Nederland krijgen jaarlijks circa 10.000 mensen darmkanker. Bijna 4500 patiënten overlijden elk jaar aan de ziekte. De kans op darmkanker is gerelateerd aan leefstijl: factoren als vetzucht, dieet en de hoeveelheid lichaamsbeweging zijn van invloed. Uit recente studies blijkt dat lichaamsbeweging daarbij veel meer gewicht in de schaal legt dan dieetfactoren als energie-inname en de consumptie van eiwitten, vezels en vet. Mensen die lichamelijk zeer actief zijn hebben zo’n 40 tot 50 procent minder kans op darmkanker dan mensen die bijna niet aan lichaamsbeweging doen. De mate van bescherming blijkt afhankelijk van duur, frequentie en intensiteit van de inspanning. Op grond van deze gegevens wordt een kleine vier uur intensieve sportbeoefening per week aanbevolen, ten minste een half uur per dag. Waarom beweging een beschermend effect heeft is niet bekend.
De meeste Nederlanders weten niet dat lichaamsbeweging de kans op darmkanker kan verminderen. In 2004 bleek uit een groot onderzoek in 21 Europese landen dat Nederlanders het slechtst scoorden op vragen over het verband tussen fysieke activiteit en darmkanker. Overigens gold dat ook voor andere vragen over de ziekte. Hier ligt een belangrijke taak voor maag-, darm- en leverartsen, stelt Bartelsman dan ook in zijn oratie.

Osteoporose is een aandoening waarbij de botten door ontkalking geleidelijk minder stevig worden en in een vergevorderd stadium onder een normale belasting kunnen breken. Het is een stille, sluipende aandoening die traag en symptoomloos vooral de ruggenwervels, de heup en onderarmbotten aantast. De aandoening treft voornamelijk vrouwen na de menopauze en oudere mannen en wordt meestal pas ontdekt nadat zich een botbreuk heeft voorgedaan. Mensen van boven de 50 met een zittend bestaan die weinig of nooit sport hebben beoefend, lopen een groter risico dan actieve mensen. (Bron: Gezondheid.be)
Preventie door middel van voldoende beweging is dus de boodschap. Alle sporten waarbij (lichtjes) gesprongen wordt of sporten waarbij de botten krachten te verwerken krijgen zoals bij balsporten, wintersport of zelfs fitness (trilplaat) kunnen als botverstevigend beschouwd worden.
Bovendien start de preventie van osteoporose op jonge leeftijd aangezien men voor de leeftijd van 35 jaar een zo groot mogelijke botmassa moet verwerven om deze vervolgens op een zo hoog mogelijk peil te houden.

Sabine Appelmans is het gezicht van de sensibiliseringsactie. Lichaamsbeweging is een uitstekende manier om osteoporose, het poreus worden van het beendergestel, te voorkomen en te bestrijden. Dat heeft de Wereldgezondheidsorganisatie duidelijk gemaakt op de Dag van de Osteoporose.
Tennissster Sabine Appelmans ondersteunt de sensibilisatie rond de ziekte die in België 630.000 vrouwen treft, één op drie dus. Slogan van de dag wordt "Move it or lose it".
Elke 30 seconden een breuk
"Lichaamsbeweging zorgt ervoor dat het mineraalgehalte in de botten verhoogd wordt waardoor het risico op osteoporose vermindert", legt Sabine Appelmans uit. Osteoporose leidt vooral tot heupbreuken, polsbreuken en breuken in de wervels.
"In de Europese Unie komt elke 30 seconden een breuk voor die te wijten is aan osteoporose ,terwijl de ziekte perfect kan worden voorkomen en behandeld", schetst professor Jean-Yves Reginster van de Belgian Bone Club de situatie.

Van trainingsprogramma’s zoals 55+ in beweging en Nederland in beweging, is onbekend of ze een gunstig effect hebben op de zelfstandigheid en het dagelijks functioneren van ouderen.
Deze programma’s zijn gericht op spierkracht en beweeglijkheid. Hoewel spierkrachttraining de kracht in de armen en benen van ouderen verbetert, is het trainen van functionele taken effectiever voor het verrichten van dagelijkse activiteiten. Bovendien houden de effecten van het trainen van functionele taken langer aan dan de winst aan spierkracht door weerstandtraining, concludeert Paul de Vreede van het UMC Utrecht in zijn proefschrift.
Paul de Vreede adviseert het trainen van functionele taken op te nemen in trainingen die het dagelijks functioneren van ouderen moeten verbeteren. Hij ontwikkelde een nieuw beweegprogramma voor ouderen, dat zich richt op de dagelijkse handelingen die als eerste problemen gaan opleveren, zoals traplopen, zich buitenshuis verplaatsen en opstaan uit een stoel of bed.
Motorische aspecten
De Vreede verdeelde 98 zelfstandig wonende vrouwen van zeventigplus over een groep die de functionele taken trainde, een groep die spierversterkende weerstandtraining kreeg en een controlegroep. De groepen volgden twaalf weken lang drie trainingssessies per week. Zo werd tijdens het oefenen van 'enkele voorwerpen uit een hoge kast pakken en boodschappen doen', de motorische aspecten veranderd door de deelnemer meer voorwerpen te laten pakken of de voorwerpen op verschillende manieren te laten dragen.
Positief effect
Zes maanden na het beëindigen van de trainingen bestond er nog steeds een positief effect op de uitvoering van dagelijkse activiteiten in de groep die functionele taken trainde, terwijl de verbeterde spierkracht van de krachtgroep was verdwenen.

Volgens de therapeut wordt suikerziekte veroorzaakt door een combinatie van ontstekingen en een verlaagde vetverbranding. Om suikerziekte te bestrijden is sporten beter dan medicatie of aangepaste voeding. Het ziekenhuis spreekt over een wereldprimeur. De onderzoeksresultaten van het onderzoek worden binnenkort gepubliceerd in een internationaal medisch tijdschrift.

Speciaal voor mensen met reumatische aandoeningen zijn er verschillende mogelijkheden om onder deskundige leiding te bewegen.
In Nederland is er een landelijk netwerk,FYRANET, dat bestaat uit artsen,specialisten,fysiotherapeuten,oefentherapeuten,reumaconsulenten, enz.,dat ervoor zorgt dat de begeleiding van reumatische patiënten zo goed mogelijk is. Ze hebben gezamenlijk een oefenconcept uitgewerkt dat optimaal voldoet aan de behoeften en wensen van patiënten met reumatische klachten. Als na enkele keren oefenen de spierpijn door het oefenen is weggetrokken, begint er een echte verbetering op te treden.
De actieradius ofwel de loopafstanden nemen toe en u kunt zich in de activiteiten van het dagelijkse leven beter bewegen.
Sommige patiënten zijn nog bang dat het oefenen met reumatische gewrichten schade zal toebrengen aan die gewrichten. Dit is alleen bij die grote gewrichten zo die reeds een behoorlijke vorm van destructie vertonen in kraakbeen en bot. Alle overige gewrichten krijgen door het oefenen géén schade. Integendeel, de conditie van de gewrichten neemt toe en daarmee ook de belastbaarheid, zodat u er meer mee kunt.
Voor de meeste reumatische patiënten is er even moed voor nodig om eraan te beginnen, maar als ze eenmaal begonnen zijn wordt het steeds als zeer positief ervaren!
Wilt u meer informatie? Klik op :

Een gerichte training kan veel van deze blessures voorkomen, zo blijkt uit Nederlands onderzoek.
Brekebeentjes zijn het, de Nederlandse sporters. Jaarlijks lopen zij maar liefst 2,3 miljoen sportblessures op. Vooral de enkel blijkt daarbij de ‘achilleshiel’. Bijna een kwart van de sportblessures zijn verstuikingen van de enkel. Wie eenmaal een verstuikte enkel heeft opgelopen, loopt daarna meer risico op een volgende verstuiking. In twintig tot vijftig procent
van de gevallen ontstaat uiteindelijk zelfs instabiliteit of chronische pijn aan de enkel. Veel meer dan rust en intapen is er vaak niet aan te doen. Nu is de ene sport natuurlijk de andere niet, bij dammen en zwemmen hebben de enkels maar weinig te verduren. Maar bij volleybal is het gevaar voor de enkels groot: hoog opspringen en blokken aan het net levert riskante situaties op voor de enkelbanden.
De helft van alle sportblessures van volleyballers zijn enkelblessures.
Dat kan anders, dacht bewegingswetenschapper Evert Verhagen van het VU medisch centrum.
Hij onderzocht of een gerichte training het risico op enkelblessures kan verminderen. Een groep van 1127 volleyballers deed mee aan het onderzoek. De helft trainde zoals ze gewend waren, zij vormden de controlegroep. Verhagen: “De andere helft breidde de warming- up van de training uit met enkele korte oefeningen van ongeveer vier minuten. Bij deze oefeningen
werd een oefentol gebruikt. Door het staan op deze tol leer je beter de balans te bewaren en worden ook de enkelbanden
versterkt. Na één volleybalseizoen was het effect overduidelijk: bij de oefengroep kwamen de helft minder enkelblessures voor.
Vooral de sporters die al eerder hun enkel hadden verstuikt, profi teerden van de training. Zo’n sterk effect had ik zelf ook niet
verwacht.”
Wat kan bovenstaand onderzoek voor u betekenen? Heeft u ooit uw enkel(s) verzwikt of verstuikt en sindsdien is die enkel niet voldoende stabiel meer, dan is het raadzaam een trainingsprogramma met de oefentol op te stellen.
Voor informatie: vraag uw fysiotherapeut.

Het spiermassaverlies bij chronische patiënten is niet alleen slecht voor de conditie, er is ook een negatief effect op de kwaliteit van leven en het sterfterisico neemt toe. Daarom is het van belang om deze patiënten weer zo veel mogelijk in beweging te krijgen, stelde prof. dr. Annemarie Schols vandaag in haar oratie. De nieuwe hoogleraar ‘Voeding en metabolisme bij chronische ziekten’ gaat in Maastricht onderzoek doen naar de processen achter de vermindering van spiermassa.
Zieke dieren stoppen met eten en verstoppen zich omdat ze onvoldoende kracht hebben en een gemakkelijke prooi zijn voor hun vijand’, vertelde Schols vanmiddag tijdens het uitspreken van haar oratie ‘In beweging door verbinding’. Ook bij mensen komt dergelijk gedrag voor. Gebrekkige voedselinname bij ziekte is voor de mens echter geen oplossing, maar een probleem, vervolgde Schols. ‘Voeding is niet alleen een basisbehoefte, maar kan ook een cruciale rol spelen in de behandeling van ziekte.’
De relatie tussen voeding en ziekte is al lang duidelijk maar wordt pas sinds kort op waarde geschat, aldus de nieuwe hoogleraar. Al in de jaren zestig werd aangetoond dat gewichtsverlies het sterfterisico bij longpatiënten sterk verhoogt. Destijds nam men echter aan dat een verminderd metabolisme een logisch gevolg was van de afname van de longfunctie. Onderzoek van Schols eind jaren tachtig heeft deze aanname omver geworpen. Met gevoelige meetapparatuur werd toen aangetoond dat het metabolisme vaak juist verhoogd is bij patiënten met longemfyseem.
‘Dit verklaart ook waarom sommige patiënten afvallen, ondanks een ogenschijnlijk normale voedselinname. De bevinding dat gewichtsverlies niet alleen het sterfterisico verhoogt, maar dat gewichtstoename na een periode van energierijke voeding zelfs leidde tot een verbetering van de overleving van patiënten met chronische longziekten, illustreert het therapeutisch belang van voeding’, aldus Schols.
Veel chronische patiënten kampen met een geleidelijke verslechtering van hun fysieke conditie. Gezien hun lichamelijke beperkingen, lijkt dit vanzelfsprekend, maar dit is het niet. Bij chronische patiënten met duidelijke beperkingen bestaat er geen relatie tussen de ernst van de orgaanfunctiestoornis en het conditieverlies.
Schols: ‘De klachten blijven zelfs bestaan na optimale behandeling met medicijnen gericht tegen de orgaanstoornis en zelfs na radicalere interventies zoals chirurgie of transplantatie. Zo bleek uit een recent onderzoek in samenwerking met de afdeling Nierziekten van het AZM, dat zelfs na een succesvolle niertransplantatie, de lichamelijke conditie van veel patiënten in dezelfde mate was verminderd als van nierdialysepatiënten op de wachtlijst voor transplantatie.’
Schols hoopt dat bij de groeiende groep chronisch patiënten gezondheidswinst kan worden geboekt door de spierkracht te verbeteren. Het uithoudingsvermogen wordt vooral bepaald door de samenstelling en het metabolisme van de spier. Spiergerichte therapieën dienen dan ook gericht te zijn op het normaliseren van spierkracht en uithoudingsvermogen. Door onderzoek te doen naar de verstoorde regulatie van het metabolisme wil Schols zo veel mogelijk chronische patiënten weer in beweging krijgen.
Bewegen: gezond en nog leuk ook!
Regelmatig bewegen heeft een positieve invloed op de gezondheid en is nog
leuk ook. Dit geldt voor jong en oud, chronisch ziek of niet. Meer bewegen is
juist ook voor mensen met artrose een goed idee. U zult zien dat u zich een
stuk prettiger voelt als u regelmatig in beweging komt en blijft.
• Wat is artrose?
Artrose is een aandoening van het gewrichtskraakbeen. In de volksmond wordt
artrose ook wel ‘gewrichtsslijtage’ genoemd. Artrose neemt toe met de leeftijd.
Ongeveer 20% van alle ouderen heeft artrose. Reuma, overgewicht en sportblessures
leiden geregeld tot artrose van één of meer gewrichten. Vaak is echter
de oorzaak onbekend. Bij artrose neemt de kwaliteit en de hoeveelheid kraakbeen
langzaam af. Kraakbeen zit aan de uiteinden van botten en werkt als een
soort stootkussen. Hierdoor kunnen normaliter grote krachten in een gewricht
opgevangen worden. Als het kraakbeen in dikte of in functie afneemt dan moeten
de botten de schokken zelf opvangen. Dit leidt tot een verdikking en soms
vervorming van botuiteinden. Beginnende artrose kan onopgemerkt aanwezig
zijn. Artrose veroorzaakt op den duur pijn, stijfheid en bewegingsbeperking.
Afname van coördinatie, spierkracht en uithoudingsvermogen zijn meestal
het gevolg. U kunt dan minder goed reageren op een misstap of een andere
onverwachte beweging. Iemand heeft startpijn als met name het beginnen met
bewegen pijnlijk is. Artrose van de enkel, knie en/of heup kan problemen geven
voor de algehele mobiliteit. Artrose in een ernstige fase kan het dagelijks
functioneren belemmeren: iemand kan zich moeilijk verplaatsen en soms
onvoldoende zichzelf verzorgen.

• Behandeling
Er bestaat nog geen goed medicijn tegen artrose. Bij artrose wordt het kraakbeen
langzaam slechter. In ernstige gevallen kan het gewricht vervangen worden.
Een kunstheup is daar een bekend voorbeeld van. Bewegen vormt een belangrijk
onderdeel van de behandeling, omdat bewegen de verergering van artrose lijkt
af te remmen. Door het regelmatig uitvoeren van gerichte oefeningen worden
lenigheid, spierkracht en spiercoördinatie vergroot.
• Medicatie
Sommige mensen met artrose gebruiken medicijnen tegen de pijn of de
ontsteking van het gewricht. Mensen die meer gaan bewegen ervaren soms
minder pijn. Zij hoeven dan ook minder medicijnen in te nemen tegen die pijn.
Misschien is dat bij u ook zo. Omgekeerd kunnen pijnstillers u helpen om in
beweging te komen. Omdat het begin vaak pijnlijk kan zijn, kunt u met pijnstillers
de startpijn onderdrukken. Uw arts kan u hierover adviseren.
In combinatie met sport kan medicijngebruik soms negatief uitpakken. Door deze
medicijnen merkt u de normale waarschuwingssignalen voor overbelasting niet
altijd. Als u medicijnen gebruikt moet u daarom voorzichtig zijn met intensief
sporten.
• Artrose en bewegen
Door beweging wordt kraakbeen ‘wakker gemaakt’ en behoudt het zijn functie.
Kraakbeen werk als een spons, die bij druk wordt leeggeperst en zich daarna
volzuigt met gewrichtsvloeistof. Op die manier krijgt het kraakbeen de nodige
voedingsstoffen. Beweging helpt zo de voedselvoorziening van het kraakbeen.
Dat gewrichten ‘slijten’ door beweging is dus een misverstand!
Spieren, pezen en banden rondom het gewricht kunnen het gewricht ondersteunen
en mee helpen om schokken op te vangen. Door regelmatige lichamelijke
activiteit kunt u deze weefsels versterken. Naast de lichamelijke gevolgen van
bewegen, kunt u meer vertrouwen krijgen in uw eigen functioneren want u kunt
gewoon meer. Met een beetje inspanning zorgt u er zelf voor dat u lang zelfstandig
kunt blijven wonen en voor uzelf kunt blijven zorgen. Door uw lichamelijke
conditie op peil te houden bent u beter bestand tegen ongelukkig uitglijden en
vallen.
• Bewegingsadvies
In het algemeen zijn alle bewegingsvormen goed waarin veelzijdig wordt
bewogen. Aan lichte en ruime oefeningen kunt u veel plezier beleven en uw
gewrichten hebben er veel baat bij. Goede activiteiten zijn bijvoorbeeld
wandelen, fietsen en activiteiten in het water. Maar heeft u al wel eens aan golf,
tai-chi of activiteiten in een fitnesscentrum gedacht? Ook deze bewegingsvormen
zijn heel geschikt voor mensen zoals u. Probeer het gerust een keer uit.
Sportief bewegen in een groep heeft als voordeel dat u samen beweegt met
anderen die ongeveer net zo fit zijn als u. Veel mensen vinden dat stimulerend
om door te gaan. De deskundige begeleiding zorgt ervoor dat u zich niet te veel
maar ook niet te weinig belast.
• Wat is minder geschikt?
Activiteiten waarbij u de aangedane gewrichten zwaar belast zijn minder
geschikt. Zo zijn volleybal en joggen minder geschikt voor mensen met artrose
in de benen. U belast uw gewrichten dan al snel te veel. Te veel, te zwaar en te
intensief is voor niemand goed. Probeer ook niet te lang in dezelfde houding
te blijven zitten of staan. Voor een aantal gewrichten kan dit heel belastend zijn.
Verder zijn activiteiten die een competitief karakter hebben en bestaan uit veel
onverwachte bewegingen, zoals racketsporten, minder geschikt. Wedstrijdsport
leidt namelijk eerder tot overbelasting met blessures als gevolg. Dat is natuurlijk
niet de bedoeling van verantwoord bewegen!
Overbelasting kunt u voorkomen door een rustige opbouw van de bewegingsactiviteiten
en door het correct uitvoeren van oefeningen. Uw begeleider kan
daarop letten. Als pijnklachten en stijfheid optreden tijdens of na het bewegen,
dan moet u het (tijdelijk) rustiger aan doen. Vergeet u niet dat ook rustig
bewegen heel leuk kan zijn, zeker als u dat samen doet met anderen!
• Advisering door een arts
Als u niet precies weet wat wel en niet voor u geschikt is kan een arts u
adviseren. Op basis van uw gewrichtsklachten kunt u geadviseerd worden welke
bewegingsvormen voor u het meest geschikt zijn.
Ook als u nog niet eerder aan bewegingsactiviteiten heeft deelgenomen, als u
veel medicijnen gebruikt of als u intensiever wilt gaan sporten, wordt overleg
met een arts aangeraden.
• Hoe nu te beginnen?
Voor iedereen, dus ook voor u, geldt dat bewegingsactiviteiten rustig opgebouwd
moeten worden. Dat betekent dat u bijvoorbeeld begint met 10 minuten
wandelen per dag. Elke week kunt u daar 5 minuten aan toevoegen. Het beste
resultaat bereikt u als u per dag minimaal 30 minuten actief bent. Dit mag verspreid
worden over de hele dag: bijvoorbeeld 10 minuten fietsen en 20 minuten
tuinieren of twee keer per dag 15 minuten wandelen. Af en toe een rustdag is
zeker in het begin verstandig.
Beweegtips
Hier volgen tips om op verantwoorde wijze in beweging te komen en te blijven:
• Kies een activiteit die u leuk vindt en die bij u past.
• Beweeg samen: gezellig en motiverend!
• Vermijd tocht, vocht en kou.
• Minimaal een half uur per dag sportief bewegen is een gezond streven.
• Houd de aangedane gewrichten goed warm.
• Bij artrose van de enkel, knie en/of heup is bewegen op een zachte ondergrond of in warm water wenselijk.
• Draag schoenen met schokabsorberende zolen.
• Rust even uit als het te inspannend wordt en laat u niet opjutten om toch door te gaan.
• Raadpleeg uw arts voordat u intensief gaat bewegen.
• Als u tijdens of na afloop van bewegen pijn voelt, neem eerst rust en ga over op lichtere oefeningen.
• Raadpleeg een arts als de beweeglijkheid van een gewricht afneemt en als er plotselinge verslechtering van de gewrichtsklachten optreedt.
• Vergeet vooral niet te genieten!
Kortom, als u let op deze tips, dan kunnen artrose en sportief bewegen een
uitstekend en vooral ook gezond koppel vormen!
Meer informatie?
Reumapatiëntenbond NebasNsg
Postbus 1370 Postbus 200
3800 BJ Amersfoort 3980 CE Bunnik
Telefoon: 033 – 461 63 64 Telefoon: 030 – 659 73 00
http://www.reumabond.nl
Reumafonds
Postbus 59091
1040 KB Amsterdam
Telefoon: 020 – 589 64 64
Reumalijn: 0900 – 203 03 00 (0,10 euro per minuut)
www.reumafonds.nl
Voor adressen sportartsen Federatie Sport Medische Instellingen
Telefoon: 030 – 225 22 90 of www.sportzorg.nl

Wie zich voorneemt om in het nieuwe jaar meer te gaan bewegen, heeft niet alleen het beste voor met zijn lichamelijke conditie, maar scherpt tegelijkertijd al sportend de geest.
Uit onderzoek van biologe Karin van der Borght blijkt dat lichamelijke activiteit de vorming van nieuwe hersencellen verhoogt en leidt tot verbetering van het leervermogen en het langetermijngeheugen. Van der Borght: “Dat meer bewegen niet alleen goed is voor je lichaam maar ook je geestelijke vermogens bevordert, is absoluut relevant in een tijd waarin mensen te weinig bewegen.”
Als ze de kans krijgen, rennen muizen in een nacht vijf tot twaalf kilometer in een loopwiel. Muizen die dat doen, leren sneller en krijgen een beter langetermijngeheugen dan muizen die niet extra bewegen. Dat is de belangrijkste conclusie uit het promotieonderzoek van Karin van der Borght. Niets heeft zo'n duidelijke invloed op de vorming van nieuwe hersencellen als beweging. “Ik had juist verwacht dat het verstoren van de slaap/waak-cyclus en het aanleren van allerlei taken van grote invloed zouden zijn. Het is fascinerend om te zien dat zoiets eenvoudigs als lichamelijke activiteit zo'n grote impact heeft. Als je bedenkt dat we in een tijd leven waarin mensen juist te weinig bewegen, lijkt me dit een goed argument om toch in beweging te komen.”
Activiteit bevordert aanmaak hersencellen
Dat zoogdieren na de embryonale ontwikkeling gewoon doorgaan met het aanmaken van nieuwe hersencellen is nog maar korte tijd bekend. Een van de twee gebieden in de hersenen waar dit gebeurt, is de hippocampus. Dit gebied is cruciaal bij leer- en geheugenprocessen. Van der Borght heeft verschillende factoren onderzocht die van invloed zijn op de aanmaak en overleving van hersencellen in de hippocampus. “De meest opvallende conclusie is dat lichamelijke activiteit de vorming van nieuwe neuronen in de hippocampus bevordert. Als je muizen een loopwiel geeft zodat ze kunnen rennen, neemt het aantal nieuwe neuronen aanzienlijk toe. Als je deze muizen daarna in een doolhof naar eten laat zoeken, lukt ze dat sneller dan muizen die geen extra beweging hebben gehad. Blijkbaar is hun leervermogen als gevolg van deze nieuwe hersencellen verbeterd. Laat je ze twee weken later nog eens zoeken, dan weten ze nog precies waar het eten ligt. Hun langetermijngeheugen is er dus ook op vooruitgegaan. Overigens gaat het om vrijwillige beweging: als je ratten – van nature luie dieren – dwingt om te rennen op een loopband, leidt dat alleen maar tot stress en niet tot extra neuronen.”
Alzheimeronderzoek
Het positieve effect van activiteit op de vorming van hersencellen is volgens Van der Borght vooral interessant voor Alzheimeronderzoek. “Het is bekend dat Alzheimerpatiënten geestelijk minder snel achteruit gaan als ze actief blijven. Het is goed mogelijk dat dit komt omdat ze nog steeds nieuwe neuronen aanmaken en daardoor de afbraak van hersencellen compenseren. Hiervoor is nieuw onderzoek nodig.”
Nachtje overslaan
Tegen de verwachting in blijkt een nachtje overslaan geen enkele invloed te hebben op het vormen van nieuwe neuronen. Van der Borght: “Bij muizen waarvan we de slaap/waak-cyclus onderbreken, zie je dat de aanmaak van nieuwe neuronen niet verandert. Ook het aanleren van nieuwe taken heeft geen invloed op de vorming van neuronen. Het ophalen van herinneringen heeft zelfs een negatief effect: als je muizen iets laat doen waarbij ze informatie moeten ophalen uit hun lange termijngeheugen, neemt de vorming van nieuwe neuronen af. Het lijkt erop of de hippocampus alleen eenrichtingsverkeer toestaat: als er informatie moet worden opgehaald, is het niet mogelijk om tegelijkertijd nieuwe neuronen te vormen.”
Hersenbeschadiging
Tot slot heeft Van der Borght ook gekeken naar het effect van een hersenbeschadiging van het mediale septum op de vorming van nieuwe neuronen in de hippocampus. “De hippocampus heeft het mediale septum nodig voor het verwerken van informatie. Als dit deel van de hersenen beschadigd is, worden er in de hippocampus veel minder nieuwe neuronen gevormd.”
Bron: RUG

Mannen die intensief sporten, zoals wielrennen en hardlopen, leven tot 3.8 jaar langer dan mannen die dat niet doen.Vrouwen kunnen door intensieve lichaamsbeweging 3.5 jaar langer leven dan seksegenoten die nauwelijks sporten.
Dat stelt wetenschappelijk onderzoeker Oscar H. Franco Duran in een proefschrift over hart- en vaatziekten, waarmee hij promoveert aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Zelfs met matige beweging, zoals wandelen, fietsen, tuinieren of rustig zwemmen, wint een vrouw gemiddeld al 1.5 jaar en een man 1.4 jaar.
Bron : BN de Stem

Vele wetenschappelijke onderzoeken hebben het bewijs geleverd, dat ouderen die regelmatig fysiek actief zijn, gezonder zijn en een betere kwaliteit van leven hebben dan ouderen die dat niet doen. Regelmatig bewegen vermindert ook de pijn bij knieartrose en voorkomt lage rugpijn.
Laurie Barclay, MD
Running can reduce the development of muscle pain associated with aging, according to the results of a prospective, longitudinal study reported in the September issue of Arthritis Research and Therapy.
“Numerous epidemiological and clinical studies have established that older adults who participate in regular physical activity are healthier and have a better quality of life than those who are inactive,” write Bonnie Bruce, from Stanford University in Palo Alto, California, and colleagues. “Regular exercise has also been shown to reduce pain in patients with knee osteoarthritis and to help prevent mechanical low back pain.... Few studies have addressed the relationship between aerobic exercise and the perception of pain with advancing age.”
The study cohort of healthy aging male and female seniors included 492 runners' association members and 374 community controls. To include runners who had stopped running, the cohort was also subdivided into 565 ever-runners and 301 never-runners. The primary outcome measure was pain, assessed in annual surveys on a double-anchored visual analog scale (0 to 100; 0 = no pain). Generalized estimating equations allowed statistical adjustments for age, body mass index (BMI), sex, health behaviors, history of arthritis, and comorbid conditions.
Compared with community controls, runner's association members were younger (62 vs 65 years; P < .05), had a lower BMI (22.9 vs 24.2; P < .05), and less arthritis (35% vs 41%; P > .05). Exercise minutes per week were greater in runners' association members than in controls (314 vs 123; P < .05), as were miles run per week (26 vs 2; P < .05) and proportion reporting fractures (53% vs 47%, P > .05).
Compared with never-runners, ever-runners were younger (62 vs 66 years; P < .05) and had lower BMI (23.0 vs 24.3; P < .05) and less arthritis (35% vs 43%; P < .05). They also reported more exercise minutes per week (291 vs 120; P < .05) and miles run per week (23 vs 1; P < .05) and reported a few more fractures (52% vs 48%; P > .05) than never-runners.
In the runners' association group, exercise was associated with lower pain scores over time after adjustment for sex, baseline BMI, and study attrition (P < .01). Similar differences were seen for ever-runners compared with never-runners.
Study limitations include lack of explanation for the mechanisms that might underlie these results.
“Consistent exercise patterns over the long term in physically active seniors are associated with about 25% less musculoskeletal pain than reported by more sedentary controls, either by calendar year or by cumulative area-under-the-curve pain over average ages of 62 to 76 years,” the authors write.
The National Institutes of Health supported this study. The authors report no competing interests.
Arthritis Res Ther. 2005;7:R1263-R1270
Reviewed by Gary D. Vogin, MD

Lichaamsbeweging kan de kans op dementie en Alzheimer aanzienlijk verkleinen. Dat is de conclusie van een door het Zweedse Karolinska Instituut uitgevoerd onderzoek, waarvan de resultaten in The Lancet zijn gepubliceerd.
Al langer was bekend dat lichaamsbeweging verschijnselen als hoge bloeddruk, diabetes en hartziekten kan voorkomen en beheersen.
Effect op hersenen
Nu blijkt dat bovendien de kans op dementie en Alzheimer afneemt, wanneer iemand van middelbare leeftijd twee keer per week actief bezig is. Ook op de lange termijn heeft beweging een positief effect op de hersenen.
Actief
De wetenschappers onderzochten bijna 1500 patiënten van 65 tot 79 jaar op verschijnselen van dementie en Alzheimer. Daarvoor waren de deelnemers al 35 jaar in hun bewegingsgewoontes gevolgd. Mensen die gemiddeld twee keer per week iets actiefs deden, bleken 50 procent minder kans op dementie en 60 procent minder kans op Alzheimer te hebben.
Bron: Zibb

Ouderen die zich driemaal per week fysiek inspannen, lopen minder risico op dementie. Dat blijkt uit onderzoek van de University of Washington onder ruim 1700 65-plussers.
De resultaten zijn gepubliceerd in het tijdschrift Annals of Internal Medicine.
De deelnemers werd gevraagd hoe vaak ze zich lichamelijk inspannen. Gedurende ruim zes jaar werden de ouderen elke twee jaar onderzocht op dementie.
Uit de studie blijkt dat ouderen die ten minste drie keer per week minimaal een kwartier wandelen, zwemmen of aan een of andere vorm van inspanning doen, 30 tot 40 procent minder risico hebben om dementie te ontwikkelen.
Volgens onderzoeker Eric Larson wijst het onderzoek uit dat het belangrijk is dat ouderen bewegen om het proces dat leidt tot de ziekte van Alzheimer te vertragen.
Critici hebben echter nog een belangrijke vraag. Volgens hen maakt het onderzoek wel duidelijk dat er een verband is tussen bewegen en dementie. Maar het is nog de vraag of het ook gaat om een oorzakelijk verband. Het zou ook kunnen zijn dat weinig bewegen een vroege uiting is van latere dementie, hoewel de onderzoekers juist gezonde ouderen aan de studie hebben laten meedoen.
Voor deze critici staat het dus nog niet vast of bewegen echt tegen dementie beschermt.

Dementie als gevolg van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie zijn nog steeds niet te behandelen. Onderzoek naar de complexe oorzaken van dementie vordert langzaam. Een ongezonde leefstijl kan de ontwikkeling van dementie op oudere leeftijd wellicht versnellen. Dit concludeert Frank Jan de Jong, onderzoeker in het Erasmus MC, in zijn proefschrift 'Endocriene factoren, retinavaten en de kans op dementie', waarop hij op 23 mei promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
De Jong onderzocht de rol die hormonen en vasculaire factoren spelen bij het ontstaan van dementie. Hij verrichte zijn onderzoek binnen het Erasmus Gezondheid en Ouderen onderzoek (ERGO), een bevolkingsonderzoek onder bijna 8.000 55-plussers in de Rotterdamse wijk Ommoord. De deelnemers zijn aan het begin van het onderzoek en bij vervolgonderzoek gescreend op geheugenproblemen en andere tekenen van dementie. Daarnaast zijn steeds hormoonspiegels en verschillende vasculaire factoren gemeten.
De promovendus heeft gekeken naar relaties tussen het ontwikkelen van dementie en hormoonspiegels van de deelnemers. Dit omdat bij patiënten met dementie hogere schildklierhormoon en lagere testosteron concentraties worden gevonden. De resultaten van zijn onderzoek suggeren echter dat deze concentraties geen oorzaken zijn van de ziekte, maar gevolgen zijn van het ziekteproces.
Daarnaast bestudeerde hij veranderingen in de bloedvaten in het netvlies (retina), omdat deze veel overeenkomsten hebben met vaten in de hersenen. Hij concludeerde dat verwijding van adertjes in de retina een maat is voor ontsteking en atherosclerose (slagaderverkalking) elders in het lichaam en dat verwijding van deze adertjes tevens is gerelateerd aan een hogere kans op het ontwikkelen van vasculaire dementie en het eerder optreden van de ziekte van Alzheimer.
Ook stelde hij vast dat venulaire verwijding gerelateerd is aan hogere cholesterolspiegels, een hoger lichaamsgewicht en roken. Het onderzoek van De Jong legt geen oorzaken van dementie bloot. Wel suggereert het dat een ongezonde leefstijl (te veel eten, weinig lichaamsbeweging en
roken) de ontwikkeling van dementie kan versnellen. Een gezonde leefstijl zou de leeftijd waarop de symptomen van de ziekte zich manifesteren kunnen uitstellen.
Bron(nen): Erasmus MC
Publicatie datum: 21-05-2007

Mensen moeten per groep worden aangesproken om te stimuleren dat ze meer gaan bewegen. Staatssecretaris Ross onderschrijft deze en andere conclusies uit een rapport dat ze vandaag kreeg aangeboden.
Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en TNO Kwaliteit van Leven presenteerden vandaag de resultaten van onderzoek naar het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen van het ministerie van VWS.
Volgens de onderzoekers is de meeste gezondheidswinst te halen bij groepen mensen die relatief inactief zijn, zoals de jeugd, chronisch zieken, ouderen en mensen met overgewicht. Staatssecretaris Ross zei bij de uitreiking van het rapport: "Ik ben blij dat nu wetenschappelijk is onderzocht hoe we mensen die nauwelijks bewegen, zo ver kunnen krijgen dat ze dat wel gaan doen. Maar het is teleurstellend om te horen dat jongeren geen voorbeeld aan de volwassenen hebben genomen. Het aantal jongeren dat elke dag minstens een uur beweegt is nog steeds erg laag."
Uit het rapport blijkt dat mensen in een groep eerder geneigd zijn om te bewegen, dan als ze afzonderlijk worden benaderd. Ross: "Ik kan uit eigen ervaring bevestigen dat dat werkt. Al sinds een paar jaar sport een groepje bewindslieden elke vrijdagochtend met elkaar. Als groep doen we dat nog steeds, als we het individueel hadden gedaan, zou dat volgens mij al lang zijn gestopt."
Bron: MinVWS
|
|
Het rapport geeft een samenvatting van bestaande wetenschappelijke gegevens over het verband tussen lichaamsbeweging en kanker: voldoende lichaamsbeweging draagt bij aan het verlagen van het risico op bepaalde soorten kanker, waaronder borstkanker.
Darm- en baarmoederkanker
Zo draagt voldoende lichaamsbeweging misschien ook bij aan het verlagen van het risico op darmkanker (bij zowel mannen als vrouwen) en baarmoederkanker.
Geen effect op prostaat- en longkanker
In de onderzoeken die tot nu toe gedaan zijn naar de relatie tussen bewegen en prostaat- en longkanker vinden de samenstellers van het rapport geen effect van lichaamsbeweging.
Andere vormen
Zolang hierover nog te weinig bekend is, sluiten we ons aan bij de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen: een volwassen persoon moet zich dagelijks in totaal minimaal een half uur matig intensief lichamelijk inspannen om fit te blijven. Bijvoorbeeld door te fietsen, te wandelen, te sporten, te tuinieren of trap te lopen.
40% van de Nederlanders haalt de norm op dit moment niet. Een andere reden om extra te bewegen is dat het helpt bij het voorkómen van overgewicht. Overgewicht op zich leidt weer tot een verhoogd risico op een aantal soorten kanker.

Sporters voelen zich gezonder en leven gezonder dan niet-sporters. Het resultaat is een grotere ervaren vitaliteit (bijna 10% vitaler dan niet-sporters), een gezonder gewicht, minder gezondheidsklachten en minder chronische aandoeningen, waaronder diabetes.
Het verband tussen sporten en het niet hebben van diabetes wordt sterker met het toenemen van de leeftijd. Overigens zijn mensen die voldoende matig intensief of intensief bewegen ook gezonder dan mensen die onvoldoende bewegen. Dat blijkt uit onderzoek van het NIVEL en RIVM gesubsidieerd door Nederlands Olympisch Comite Nederlandse Sport Federatie (NOC*NSF) naar de gezondheid van sporters in vergelijking met niet-sporters.
Voldoende bewegen, waaronder sporten, heeft een positieve invloed op de ervaren gezondheid. Uit het onderzoek bleek dat sporters meer en intensiever bewegen dan niet-sporters. Hierdoor kan gesteld worden dat sporten een extra stimulans is voor een gezonde en actieve leefstijl. Deze gezondere leefstijl komt ook tot uitdrukking in gezonder eten, minder roken en vaker goed slapen. Mensen die sporten hebben een betere geestelijke gezondheid dan mensen die niet sporten.
Een ander belangrijk resultaat van het onderzoek is de relatie tussen voldoende bewegen en de verkleinde kans op het verkrijgen van diabetes. Deze relatie wordt sterker met het toenemen van de leeftijd. De relatie tussen sport en gezondheid staat zowel vanuit de wetenschap als vanuit het beleid volop in de belangstelling. In dit onderzoek wordt het belang van sporten in relatie tot gezondheid bevestigd.

Matig intensief bewegen is goed voor uw gezondheid, als u dit regelmatig doet. Voorbeelden van matig intensief bewegen zijn sport (bijvoorbeeld wandelen of fietsen), fietsen van en naar het werk of school, stevig wandelen en tuinieren. Ook bewegen op het werk en huishoudelijke werkzaamheden tellen mee. Als u niet voldoende beweegt, is de kans op eerder overlijden groter en kan het risico op het ontstaan van ziekten hoger zijn. Het gaat dan om ziekten zoals coronaire hartziekten (CHZ), diabetes mellitus (suikerziekte), beroerte (CVA), osteoporose (botontkalking), dikke darmkanker en borstkanker. Ook zijn er steeds meer aanwijzingen dat onvoldoende bewegen het risico op dementie en depressie verhoogt.
Wilt u echt de conditie van uw hart en longen verbeteren? Dan is intensieve beweging nodig, zoals hardlopen of voetballen.
Voldoende bewegen: ook invloed op beloop van ziekte
Voldoende bewegen zorgt niet alleen voor een betere gezondheid, maar ook voor een gunstiger beloop van ziekten. Dit laatste geldt vooral voor coronaire hartziekten (CHZ), beroerte, diabetes mellitus (suikerziekte), osteoporose (botontkalking) en depressie. Toch bewegen chronisch zieke mensen in het algemeen te weinig.
Tekst: © RIVM, 2006
|
|
Om gezond te blijven is het verstandig om voldoende te bewegen. Er zijn normen vastgesteld voor hoeveel u moet bewegen. Dit wordt de 'Nederlandse Norm Gezond Bewegen' (NNGB) genoemd. De NNGB is in 1998 vastgesteld en werd afgeleid van internationale richtlijnen. Hoeveel u precies zou moeten bewegen om gezond te blijven, hangt ook van uw leeftijd af.
In de tabel hieronder ziet u staan hoeveel u minstens zou moeten bewegen. De norm is vooral gericht op fysieke fitheid (uithoudingsvermogen, kracht en coördinatievermogen) en het onderhouden van gezondheid.
Leeftijdscategorie -------->Norm
Jeugd (<18 jaar) : dagelijks een uur matig intensieve lichamelijke activiteit, waarbij de activiteiten minimaal twee maal per week gericht zijn op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (kracht, lenigheid en coördinatie)
Volwassenenen (18-55 jaar) : een half uur matig intensieve lichamelijke activiteit op tenminste vijf, bij voorkeur alle dagen van de week; voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij volwassenen zijn wandelen met 5-6 km/u (dus flink doorwandelen) en fietsen met 15 km/u
Ouderen (55-plussers) : een half uur matig intensieve lichamelijke activiteit op tenminste vijf, bij voorkeur alle dagen van de week; voor niet-actieven, zonder of met beperkingen, is elke extra hoeveelheid lichaamsbeweging meegenomen; voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij ouderen zijn wandelen met 3-4 km/u en fietsen met 10 km/u
Bovenstaande norm kan worden gezien als een aanbeveling over de minimale hoeveelheid lichaamsbeweging. Extra lichaamsbeweging heeft, tot een bepaald niveau, extra gezondheidswinst tot gevolg.
Wat houdt ‘matig intensief bewegen’ eigenlijk in ?
Deze vage omschrijving wordt duidelijk als we uitgaan van ons energieverbruik in rust. In rust, bijvoorbeeld tijdens zitten of liggen gebruiken we natuurlijk óók energie. De hoeveelheid energie is afhankelijk van ons gewicht. Het totale energieverbruik in rust is dus voor iedereen verschillend!
Dat totale, individuele energieverbruik in rust heeft een naam: MET. MET is een afkorting voor METabolic equivalent en is een maat voor stofwisselingsprocessen. Onze MET-waarde in rust is 1. Een MET-waarde van 2 geeft dus aan, dat u 2 maal de energie verbruikt die u normaal tijdens rust nodig hebt. Nu we weten wat we in rust gebruiken, kunnen we ook de term “matig intensief” omschrijven.
Voor volwassenen geldt dat matig intensief bewegen overeenkomst met MET-waarden tussen 4 en 6.5. Activiteiten die hierbij aansluiten zijn: wandelen 5 km/uur = 4 MET, fietsen 16 km/u = 6.5 MET. Voor jeugd geldt een MET-norm van 5 (fietsen) tot 8 (rennen). Voor 55-plussers geldt een MET-waarde van 3 (wandelen 4 km/u) tot 5 (fietsen 10-12 km/u).
Activiteit--------------------------------------------------->MET-waarde
Rust (liggen, zitten, ontspannen staan, eten, spreken) 1.0
Autorijden, piano spelen, computeren, typen 2.0
Wandelen 4 km/uur 3.0
Wandelen 5 km/uur 4.0
Fietsen 10-12 km/uur 5.0
Fietsen 16 km/uur 6.5
Zwemmen (crawl) 1 km/uur 5.0
Zwemmen (crawl) 3 km/uur 20.0
Rennen/joggen 8.0
Gezond of fit ?
Er bestaat een belangrijk verschil tussen het verbeteren van gezondheid en het verbeteren van fitheid. Gezondheidswinst wordt al bereikt met activiteiten met een lage tot matige intensiteit. Wandelen, fietsen, traplopen, tuinieren e.d. leveren al een behoorlijke gezondheidswinst op. Echter, om FIT te worden is meer nodig. Dit komt omdat fitheid anders gedefinieerd wordt. Een internationaal gehanteerde definitie van lichamelijke fitheid is " het vermogen om spierarbeid bevredigend uit te voeren". Fitheidverbeteringen zijn niet met matig intensief bewegen te realiseren.
De NNGB geeft een algemeen advies omtrent bewegen en gezondheid. Opvolgen van deze adviezen zal vooral gezondheidswinst opleveren die in belangrijke mate hart- en vaataandoeningen helpt voorkomen. Fitheidverbeteringen mogen van de norm niet worden verwacht.
Mensen die reeds 'in conditie' zijn, moeten zich door de norm niet letterlijk in slaap laten sussen. Fitheid beschermt niet alleen tegen hart- en vaataandoeningen, maar ook tegen andere, veelvoorkomende, welvaartsziekten.
Fitnorm
De fitnorm voor volwassen gaat uit van minstens 3 maal per week 20 minuten inspannende lichaamsbeweging. Het gaat om activiteiten waarbij uw hartslag flink omhoog gaat, u dieper gaat ademhalen en zweten. Denk aan sporten of bijvoorbeeld het omspitten van de tuin.
Onderscheidt wordt gemaakt tussen:
Niet-fit: niet of enkele keren per jaar zwaar inspannend actief
Semi-fit: wel regelmatig zwaar inspannend actief, maar minder dan drie maal per week
Normfit: 3 of meer keren per week tenminste 20 minuten intensieve lichamelijke activiteiten
Bewegen om de fitheid te verbeteren vereist dus een grotere inspanning dan bewegen voor gezondheidsbevordering.
Tekst: © RIVM, 2006
|
|
News Author: Laurie Barclay, MD
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd
July 19, 2007 — Elderly patients randomized to receive high-intensity interval walking training have decreases in systolic blood pressure (SBP) and increases in thigh muscle strength and peak aerobic capacity, according to the results of a study published in the July issue of Mayo Clinic Proceedings.
"The rapid growth in the elderly population in many countries has highlighted the importance of exercise training to decrease the likelihood of disability and age-associated disease, promote independence, and enhance quality of life," write Ken-Ichi Nemoto, MS, from Shinshu University Graduate School of Medicine in Matsumoto, Japan, and colleagues. "Our study examined the hypotheses that walking training at more than 70% of maximal intensity would result in greater increases in thigh muscle strength and VO2peak [peak aerobic capacity] and a greater reduction in resting blood pressure in older men and women than walking of moderate intensity. If such gains are indeed observed, it would suggest that middle-aged and elderly people could participate in exercise training calibrated to their individual physical fitness to decrease disability and age-associated diseases more effectively."
During a 5-month study period in 2004, 60 men and 186 women were randomized into 3 groups: no walking training, moderate-intensity continuous walking training, and high-intensity interval walking training. Mean age was 63 ± 6 years.
Moderate-intensity continuous walking training consisted of walking at approximately 50% of peak aerobic capacity for walking and using a pedometer to confirm 8000 steps or more per day for 4 or more days per week. High-intensity interval walking training was monitored by accelerometry. This consisted of 5 or more sets of 3-minute low-intensity walking at 40% of peak aerobic capacity for walking followed by 3-minute high-intensity walking above 70% of peak aerobic capacity for walking per day, for 4 or more days per week. Before and after training, participants underwent measurement of isometric knee extension and flexion forces, peak aerobic capacity for cycling, and peak aerobic capacity for walking.
Training targets were met by 9 of 25 men and 37 of 59 women assigned to no walking training, by 8 of 16 men and 43 of 59 women assigned to moderate-intensity continuous walking training, and by 11 of 19 men and 31 of 68 women assigned to high-intensity interval walking training.
In the high-intensity interval walking training, isometric knee extension increased by 13%, isometric knee flexion by 17%, peak aerobic capacity for cycling by 8%, and peak aerobic capacity for walking by 9% (P < .001 for all). All these increases were greater than those observed in the moderate-intensity continuous walking training group (P < .01 for all). The high-intensity interval walking training group also had greater reduction in resting SBP (P = .01).
"High-intensity interval walking may protect against age-associated increases in blood pressure and decreases in thigh muscle strength and peak aerobic capacity," the authors write. "Guidelines for exercise in healthy older adults should encourage at least some higher-intensity component during walking."
Study limitations include use of different monitoring systems for the moderate-intensity continuous and high-intensity interval walking training groups; subjects in the high-intensity interval walking training group visiting the center more frequently and interacting with the trainer more; failure of 17% to 30% of subjects to return for a physical fitness test after training; and 15% in the no walking training and moderate-intensity continuous walking training groups and 30% in the high intensity interval walking training group not meeting criteria for study inclusion, which created potential selection bias.
"In future studies, we will attempt to minimize inconvenience and improve attainment of study targets by use of the Internet," the authors conclude. "The Internet would allow for remote supervision by a trainer and for self-monitoring of progress by participants, obviating the need for trips to a gymnasium and making attainment of exercise targets more likely. Also, encouraged by the reduction in SBP observed in this study in participants with increased physical fitness, we will examine the effects of genetic background, blood lipid and glucose concentrations, diets, and depressive scores not only on age-associated diseases but also on health care costs."
Mayo Clin Proc. 2007;82:797-798, 803-811.
Clinical Context
According to the authors of the current study, exercise has been shown to decrease disability, improve muscle strength, reduce blood pressure, and reduce cardiovascular risk, and higher intensity and duration of exercise is associated with greater protection, However, it is unclear how different levels of intensity of walking impact muscle strength and aerobic capacity in older adults. Walking is associated with a low rate of injuries and is accessible to many adults, unlike intensive athletic activities.
This is a trial of older adults who participated in no walking training, moderate-intensity continuous walking training, or high-intensity interval walking training for at least 4 days per week for 5 months to examine effects on lower leg strength, aerobic capacity, and blood pressure.
Pearls for Practice
High-intensity interval walking training for 4 days per week vs moderate-intensity continuous walking training (or no walking training) is associated with greater increase in lower leg strength and improved peak oxygen capacity in middle-aged and older people.
High-intensity interval walking training for 4 days per week vs moderate-intensity continuous walking training (or no walking training) is associated with greater decreases in SBP and DBP.
|
© Copyright 2012 PMC Roosendaal | Copyright | Disclaimer | Sitemap | Laatste update met Spidox op 03-02-2012
|





