Lage rug : bouw en functie
 
 

Lage rug

 

 

 
   Bouw en Functie
 

 

 

 

 
                                            
 
 

fig.1                                                                                                                              

 1. ALGEMEEN :

 

Wat verstaan we onder " lage" rug ?

De lage rug is het gebied ter hoogte van de onderste 5 lendenwervels (lumbale wervels) en de overgang met het heiligbeen (lumbo-sacrale overgang). (fig.2)

 


fig.2

 

De lage rugklachten kunnen gelegen zijn:

  • Lokaal (midden,links,rechts)
  • Regionaal (over groter gebied, zoals breed over de lage rug)
  • Zonder uitstraling
  • Met uitstraling ( naar boven, naar de bilregio,naar één of beide benen)

 

 Indeling lage rugklachten:

 

In de medische wereld wordt er een onderscheid gemaakt tussen:

  • A-specifieke lage rugklachten : het betreft die klachten van de lage rug waarvoor geen lichamelijke (= structurele) afwijking aangetoond kan worden. Dit wil niet zeggen dat er geen functionele afwijkingen kunnen zijn!
  • Specifieke lage rugklachten: er kan een specifieke lichamelijke oorzaak voor de klachten worden aangetoond,zoals hernia, artrose,ontsteking, enz.

 

 Cijfers betreffende lage rugklachten:

 

  • Lage rugklachten komen het meest voor tussen de 20 en 55 jaar.

 Recidiverende klachten :
 klachten die vaker terugkomen
 
 met een totale duur die korter is dan 6 maanden
 
 meer dan 2 episodes van lage rugpijn

 

      

  • 60% - 90% van alle mensen in de westerse landen heeft ooit last van lage rugpijn.
  • Jaarlijks heeft 5% van de bevolking klachten van de lage rug.
  • Van alle patiënten die bij de huisarts komen heeft 3% klachten van de lage rug.
  • Van alle patiënten die bij de fysiotherapeut komen heeft 27% klachten van de lage rug.
  • Wat de kosten van de zorg betreft nemen de lage rugklachten de grootste plaats in. Vele miljarden moeten er jaarlijks worden uitgegeven aan onkosten veroorzaakt door rugklachten.
  • 10% van de kosten van lage rugklachten wordt besteed aan medische en paramedische zorg.
  • 90% van de kosten van lage rugklachten wordt besteed aan uitkeringen en arbeidsongeschiktheidskosten.
  • De klachten verdwijnen bijna altijd!

                                          Bij 80% tot 90% verdwijnen de klachten binnen 4 á 6 weken.

                                          65% van alle patiënten is klachtenvrij na 12 weken.

                                          Echter : lage rugklachten recidiveren vaak ( keren gemakkelijk terug)

  • 90% van de lage rugklachten leidt niet tot arbeidsverzuim.

          Bij wel verzuimen is ¾  van de werknemers binnen 4 weken weer aan het werk.

 Oorzaken van lage rugklachten   :
  biologische oorzaken (= lichamelijke oorzaken)
 
 
  sociale, maatschappelijke oorzaken
 
 
  psychologische oorzaken
 

           ( Zie voor oorzaken ook later)

  

 

 
 

 fig.3                            

 

2.  ANATOMIE VAN DE LAGE RUG

 

Voordat we de lage rugklachten en de oorzaken daarvan kunnen bespreken ,zullen we eerst uitleg geven over de functies en de anatomie (= bouw) van de lage rug en de verschillende structuren daarvan.

 

Functies van de lage rug:

  • De lage rug is zo gebouwd dat het in staat is de romp rechtop te houden.
  • Beweging mogelijk maken
  • Krachten opvangen ( b.v.: bij tillen,dragen, neerkomen na sprong,enz.).
  • Bescherming geven aan de zenuwstructuren die in het wervelkanaal verlopen.
 

 fig. 4

Om al deze functies mogelijk te maken is de wervelkolom een fantastisch mooie, maar zeer ingewikkelde structuur. Natuurlijk kunnen we hier niet ingaan op alle facetten van bouw (anatomie) en functie (kinesiologie),maar we zullen proberen u een goed inzicht te geven. Omdat er vaak gebruik wordt gemaakt van de Latijnse termen, zullen we waar mogelijk de Latijnse term tussen haakjes toevoegen.

ANATOMIE :

De wervelkolom (ruggengraat) bestaat uit :

7 halswervels (cervicaal)
12 borstwervels (thoracaal)
5 lendenwervels (lumbaal)
5 heiligbeenwervels (sacraal);deze 5 wervels zijn aan elkaar vastgegroeid.
5 staartwervels (coccygeaal);eveneens aan elkaar vastgegroeid.(fig. 5,6,7,8)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 5

                                   

  

 

       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.6

 

 

   

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

fig. 7 

             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  fig. 8: C=cervical of nekwervel; T=thoracic of borstwervel; L=lumbar of lendenwervel; S=sacral of heiligbeenwervel

           Coccygeal=staartbeenwervel

Van vóór en achter gezien is de wervelkolom recht. Een afwijking van deze rechte lijn noemen we een scoliose. Hier komen we later op terug. Van zijwaarts gezien is de wervelkolom niet recht, maar vertoont krommingen. Hol heet “ lordose”, bol heet “kyfose”.

                                                                                                                 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 9

De halswervelkolom heeft een lordose, de borstwervelkolom een kyfose, de lendenwervelkolom een lordose en het heiligbeen is weer kyfotisch. Al deze krommingen zijn met elkaar in evenwicht, zodat de wervelkolom in zijn totaliteit wel recht staat. Het doel van deze krommingen is:

  •  Ruimte bieden aan longen, hart en inwendige organen.( fig.11)
  •  De dubbele “S “-vorm biedt de wervelkolom een véél grotere stabiliteit dan dat het een rechte staaf zou zijn.( Kapandji)( fig.9,10 en 11)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig.10          

 

 

 

 

 

 

 

                                        

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig.11 

 

De lendenwervelkolom bestaat uit 5 wervels: L1,L2,L3,L4 en L5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 12. met van boven naar onder :L2,L3,L4,L5,heiligbeen (sacrum) en links en rechts daarvan de beide heupbeenderen (ilii). Tussen de wervels ziet u de facetgewrichten en de tussenwervelschijven (disci). 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 13. lendenwervelkolom en heiligbeen (sacrum) van de zijkant (lateraal) gezien, zonder de heupbeenderen.

 

 

 

 

 

 

 

fig.14.  Hier ziet u de vierde lendenwervel van boven. Boven het wervellichaam (corpus vertebrae) met daar omheen de benige randlijst. Daaronder de boogvoeten (pediculi). Het gat in het midden is het wervelkanaal, waar doorheen het ruggenmerg loopt. Echter, het ruggenmerg stopt ter hoogte van de tweede lendenwervel (L2). De zenuwbanen, afkomstig van het RM, lopen vanaf L2 als paardenstaart (cauda equina) naar beneden. Hierover later meer.

Verder ziet u 5 uitsteeksels:       2 buitenste zijn de dwarsuitsteeksels (proc. transversus)

                                             2 binnenste zijn de facetgewrichten of tussenwervelgewrichten (art. intervertebrale)

                                             1 onderste is het achteruitsteeksel (proc.spinalis)

Tussen de gewrichten in liggen de bogen (laminae).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 15. Tussen de wervellichamen ligt de tussenwervelschijf (intervertebrale discus). Het gele is de cauda equina ofwel de afdalende zenuwbanen met de uittredende zenuwwortels.

Alles wat tussen 2 wervels in ligt noemen we een segment (spinal segment of bewegingssegment).

 

 

De discus :

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 16.

Tussen de wervellichamen in liggen tussenwervelschijven.

Elke tussenwervelschijf bestaat uit 2 delen:

  •   De kern (nucleus pulposus)
  •   De anulus fibrosus

 

De zachte kern bestaat voor een heel groot deel uit water en suikers en heeft vooral tot doel druk op de wervelkolom op te vangen. Daaromheen ligt een zeer stevige bindweefselring (anulus fibrosus) die tot doel heeft de kern op zijn plaats te houden. Deze anulus fibrosus bestaat uit ongeveer 12 lamellen, die elk weer loodrecht op elkaar verlopende vezels heeft. Dit maakt het tot een zeer sterke structuur, die in staat moet zijn alle gewichten op te vangen.Zie fig. 17.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 17.

 

Hoe gaat het opvangen van gewicht in zijn werk ?

 

 

De druk op de tussenwervelschijf (b.v. bij zitten, tillen, dragen, enz.) wordt omgezet in een trekspanning op de vezels van de anulus fibrosus.

Vergelijk het met het gaan zitten op een bal : de drukspanning van het gewicht wordt omgezet in een trekspanning op het leer van de bal. Als de persoon te zwaar is, dan scheurt (of klapt) de bal open. Hetzelfde kan er gebeuren met de vezels van de anulus fibrosus : blijf je te lang zitten, til of draag  je te zwaar, dan komt er zo’n grote trekspanning op de vezels dat ze kunnen scheuren. Eerst zullen de binnenste vezels scheuren en zal de discus wat in hoogte verliezen (discopathie), maar later kunnen ook de buitenste vezels gaan scheuren. Er ontstaat dan een hernia. Hierover later meer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig. 18

                                     

 

 

 

 

 

 

 

fig. 19

 

fig. 18. en 19  Discus met nucleus pulposus en anulus fibrosus van boven gezien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 20: discus van een tiener met nucleus pulposus en anulus fibrosus

 

                                               

  

 

fig. 21

Links: discus van tiener.Het binnenste deel (wat glanzend) is de nucleus. Daaromheen de vezels van de anulus fibrosus.

Rechts : discus van volwassene

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig.22. Discus van tiener. Het witte is de nucleus pulposus.

 Het paarlemoergekleurde is de anulus fibrosus, waarvan de lamellen goed zichtbaar zijn. De buitenkant van de discus ( de buitenste lamellen) is licht doorbloed.        

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig. 23. Het bewegingssegment ( alle structuren tussen de 2 wervels in) is zo geconstrueerd, dat het in zijn geheel  kan veren ( zoals het veringsysteem onder een auto, waarbij de lucht in de banden vergeleken kan worden met de nucleus pulposus en de banden zelf met de anulus fibrosus.)

 

 

 

 

 

 

 

fig. 24.  discus als schokdemper

 

 

 

 

 

 

 

 

fig 25. discus als schokdemper. De bewegingssegmenten zijn zo gebouwd, dat deze ook een beetje in elkaar kunnen veren.Achter de wervellichamen liggen de afdalende zenuwen in het wervelkanaal (cauda equina) met de uittredende zenuwwortels. Als de druk te groot wordt of de tussenwervelschijven zijn versmald ( discopathie) dan zouden die zenuwwortels kunnen beschadigen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 26. discus als schokdemper, waardoor er ook beweging mogelijk is in vóór-achterwaartse richting ( flexie en extensie), in zijwaartse richting ( lateroflexie) en in draairichtingen links en rechts ( rotatie).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 27.

Bij druk op de discus neemt dus de trekspanning op de bindweefselvezels toe, maar de nucleus perst het vocht langzaam weg en vooral in de richting van de wervellichamen (corpus) (zie c). Gevolg : de tussenwervelschijf wordt een beetje dunner (dehydratie). Dit gebeurt met alle tussenwervelschijven zo en daarom zijn we s’avonds een beetje kleiner dan s’morgens. S’nachts gebeurt het tegenovergestelde en nemen de tussenwervelschijven weer in dikte toe (hydratie) . Dit gebeurt vooral omdat de suikers in de nucleus het water weer aantrekken. Dit is ook de reden dat we s’morgens bij het opstaan iets langer zijn. (zie fig.28)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 28. dehydratie, hydratie en de dikte van de discus ,die afneemt onder druk en toeneemt als het gewicht afneemt.

Als we staan en lopen is de dehydratie en hydratie in evenwicht, dus blijf de discus even dik. Bij zitten, tillen, dragen, maar ook als je zwaarder bent, dan dehydreert de discus en wordt dus dunner. In lig, maar ook onder tractie neemt de dikte van de discus toe. Zie ook Schema van Nachemson:

 

                                                                                                                                

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 fig. 29.

Discusbelasting volgens Nachemson in % : alles +/_

Stand = 100 %

Ruglig = 25 %

Zijlig = 75 %

Licht voorover staan (aan aanrecht, wastafel, stofzuigen,enz.) = 150 %

Idem met gewicht van 10 kg. = 220 %

Zit rechtop = 150 %

Zit in tuinstoel licht achterover = 60 %

Zit licht voorover ( zoals bij type-werk) = 200 %

Licht voorover zitten met klein gewicht = 275 %

 

 

 

De gewrichten :

 

Tussen alle wervels in liggen gewrichten. Dit zijn de zgn. intervertebraalgewrichten of tussenwervelgewrichten. Soms worden ze ook facetgewrichten genoemd, omdat ze meestal maar één gewrichtsfacet hebben. In de lendenwervelkolom echter is dit alleen maar tussen L5 en S1. De rest zijn geen facetgewrichten en daarom is het eigenlijk een ongelukkige naam. In de internationale literatuur spreekt men liever van zygapophyseaalgewrichten, wat wel een moeilijke, maar wel een betere term is.

Het zijn gewone gewrichten met kraakbeenoppervlakken en een synoviaal kapsel er omheen. Dit kapsel produceert synovia ofwel gewrichtssmeer, wat tot doel heeft het kraakbeen te smeren voor een goede beweeglijkheid; het kraakbeen te voeden ( er zitten immers maar weinig bloedvaten in het kraakbeen die dit weefsel kunnen voeden ) en het zorgt voor een klein filmlaagje tussen de kraakbeenoppervlakken, zodat deze gewrichtjes soms wel 100 jaar kunnen bewegen zonder dat ze te veel slijten.

Om het synoviale kapsel zit wat steviger kapsel wat uit vezeliger bindweefsel bestaat : het fibreuse kapsel. Dit zorgt voor de stabiliteit van het gewricht en beschermt het gewricht tegen te grote bewegingen. Dit kapsel wordt nog eens versterkt door de banden (ligamenten). Vergelijk dit met de banden van de enkel en andere gewrichten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.30. LWK met facetgewrichten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 31. facetgewrichten van L1 t/m L3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 32. animatie van de bewegingen in een facetgewricht

 

 

 

De bewegingen van de lumbale intervertebraalgewrichten zijn :

  • Vooroverbuigen (anteflexie)
  • Achteroverbuigen (retroflexie)
  • Zijwaartsbuigen (lateroflexie) ; per gewricht slechts een zeer geringe beweging.
  • Draaibeweging (rotatie); per gewricht slechts een zeer geringe beweging.

 

 

De spieren :

 

 De spieren van de lage rug hebben tot doel :

  •         bewegingen van de  lage rug mogelijk maken
  •         houding mogelijk maken
  •         stabiliseren van de lage rug bij verschillende houdingen en bewegingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 33. oppervlakkige rugspieren

De latissimus dorsi ( de grote spier die van de bekkenkam tot aan de voorkant van de bovenarm loopt is een belangrijke houdingsspier en zorgt voor een aktieve, rechtopgerichte houding en aktieve steun op de armen b.v. bij het afzetten met de armen tijdens het opstaan uit een stoel.

Het is tevens een belangrijke stabilisator van de lage rug.

 

 Fig. 34.  De rechte buikspieren ( m. rectus abdominis) doen de romp vooroverbuigen en heffen de romp bij opkomen uit ruglig. Ze stabiliseren de intra-abdominale ruimte ( de buikinhoud) en omdat die intra-abdominale ruimte een belangrijke bijdrage levert aan de stabiliteit van de wervelkolom, zijn deze spieren indirect stabilisatoren van de lage rug.

Het zijn wereldwijd de meest geoefende spieren van het menselijk lichaam. Het doel is meestal niet de stabiliteit van de romp, maar het heeft vnl. een esthetisch doel : een mooie platte buik met liefst de tekening van de zgn. “blokjes”.

Voor een krachttest van deze spieren : zie elders op deze site.

 

 Fig. 35. De schuine buikspieren ( m.obliquus abdominis externus en internus)

  • de binnenste schuine buikspier :geeft buigen van de romp met een rotatie : foto rechts
  • de buitenste schuine buikspier : geeft buigen van de romp met een rotatie : foto links

 

Tijdens de beweging werkt de buitenste van de ene kant samen met de binnenste van de andere kant (in Duitsland spreekt men van "Muskelschlinge").

 

 

 

 

  fig. 36. De dwarse buikspier ( m. transversus abdominis) geeft vooral rotatie (draaien)van de romp en is een belangrijke stabilisator van de lage rug.

Het is de spier die in een belangrijke mate zorgt voor de diepe vorm van de taille.

  

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 37. Enkele spieren die van het heiligbeen (sacrum) naar het bovenbeen lopen en zorgen voor de de kracht bij het naar buiten draaien van het bovenbeen. De bovenste spier is de m.piriformis ( letterlijk de peervormige spier).

De spier is erg bekend, omdat deze soms voor klachten in bil en been kan zorgen, vanwege zijn verloop t.o.v. de n.ischiadicus ofwel de grote beenzenuw (ischias-zenuw is de geelgekleurde zenuwbaan).Op bovenstaande tekening loopt hij er mooi bovenlangs, maar soms loopt hij onder de zenuw door. Het komt ook voor dat de zenuw dwars door de spier loopt. Als er dan iets met de spanning van de spier aan de hand is , heeft dat al snel consequenties voor de zenuw in de vorm van pijn, tintelingen, krachtsvermindering of gevoelsvermindering.

 

 

 

 

 

 

 

 

fig.38. De grote bilspier (m.gluteus maximus) is de spier die de vorm aan onze billen geeft. De spier is aktief bij het naar achteren brengen van het bovenbeen t.o.v. het bekken en is daarom van groot belang voor het lopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 39. De middelste en kleine bilspieren ( m. gluteus medius en minimus). Beide hebben tot functie het bovenbeen naar buiten te brengen. De medius is daarnaast een zeer belangrijke stabilisator van het bekken. Als deze spier te zwak is zien we dat tijdens het lopen en staan op één been het bekken naar de andere kant wegzakt ( positieve Trendelenburg: zie fig. 40 )

                                                                                  

 

  

 

 

 

fig. 40.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 41. De m. psoas major (de haasspier) is een sterke buiger van het bovenbeen t.o.v. het bekken  ( b.v. optrekken van het been in ruglig ) en buigt de romp naar vóór en zijwaarts als het been gefixeerd is ( b.v. romp voorover buigen in stand ). De spier heeft een belangrijke functie in het rechtop houden van de wervelkolom. De iliacus wordt vaak met de m. psoas major als een spier genoemd : m. ilio-psoas. De iliacus buigt het bovenbeen t.o.v. het bekken, of buigt het bekken als het been gefixeerd is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 42. De lumbale erector trunci bestaat uit een bundel spieren die de romp rechtop houden. Het is een ingewikkeld systeem van kleine spieren die zich links en rechts van de wervelkolom bevinden van het achterhoofd tot aan het heiligbeen. Samen heten ze de erector trunci ofwel de strekker van de wervelkolom. De belangrijkste taak van het lumbale of lage rugdeel is het strekken van de rug, het achterover buigen van de rug (extensie) en het stabiliseren van de lage rug. Daarnaast assisteren ze bij het zijwaarts neigen (lateroflexie) en draaien van de rug (rotatie).

 

De bekkenbodemspieren:

 

 

 

 

 

 

 

 

fig. 43

 

De bekkenbodem (fig. 43) bestaat uit een spierplaat die letterlijk de bodem vormt van de bekkengordel en heeft een aantal functies, namelijk:

  • Het openen en sluiten van de blaas en de endeldarm.
  • Het steunen van de blaas, de baarmoeder en de darmen.

De bekkenbodemspieren zijn bij vrouwen met stress- urine-incontinentie te zwak en werken niet op de goede manier of op het juiste moment. De spieren geven steun aan de blaashals en dienen ervoor te zorgen dat deze gesloten blijft bij vulling van de blaas en ook bij plotselinge drukverhogingen als hoesten, niezen, hard lachen en hard lopen.( fig. 44)

De belangrijkste oorzaak voor het verzwakken van de bekkenbodemspieren is de soms forse uitrekking tijdens een bevalling. Ook verzwakking door ouderdom is een vaak voorkomend probleem.

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 44
 
 
 
 
 
 
fig. 45 Overzicht van de bekkenbodemspieren
 
De ligamenten ofwel banden van de lage rug :
 
 
  
Ligamenten of banden zijn stevige en trekvaste structuren die botstukken met elkaar verbinden. Ze bestaan voornamelijk uit trekvast (collageen) bindweefsel.

Funktie :

  • beperken van bewegingen van gewrichten ( ze zorgen ervoor dat gewrichten niet te grote bewegingen maken en beschermen als zodanig dat gewrichten niet beschadigen)
  • geleiden van bewegingen ( door hun verloop zorgen ze ervoor dat de botstukken van de gewrichten in alle standen optimaal ten opzichte van elkaar gestabiliseerd blijven.
  • proprioceptieve informatie ( in de banden zitten sensoren die waarschuwen als gewrichten een te grote beweging maken en als zodanig beschermen ze tegen schade.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 46
 
 
 
Ligamentum longitudinale anterius : de in de lengte verlopende band aan de voorkant van de wervellichamen.Loopt van het achterhoofd helemaal naar onder tot aan het heiligbeen(sacrum). Een hele dikke en sterke band die de wervelkolom beschermt tegen te ver achterover buigen (extensie).Zorgt er ook voor dat de tussenwervelschijven niet naar vóór kunnen afglijden.
 
Ligamentum longitudinale posterius :  de in de lengte verlopende band aan de achterkant van de wervellichamen. Loopt eveneens van het achterhoofd tot aan het heiligbeen. De band is een stuk dunner dan het lig. longitudinale anterius. Remt het vooroverbuigen en zorgt ervoor dat de tussenwervelschijven niet naar achter kunnen afglijden.
 
Ligamentum flavum ofwel het gele ligament : Loopt aan de achterkant van het wervelkanaal en vóór de facetgewrichten. Ze lopen van de bovenliggende wervelboog naar de onderliggende wervelboog.In tegenstelling tot andere ligamenten zijn deze ligamenten geler van kleur, hetgeen veroorzaakt wordt doordat ze meer elastische vezels bevatten. Taak : stabiliseren van de wervelgewrichten en beschermen tegen te grote achteroverbuiging (extensie).
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 47
 
Ligamentum supraspinale : een band die aan de achterkant van de wervels over de achteruitsteeksels (processi spinosi) verlopen en het vooroverbuigen van de wervelkolom beperken.(fig.47)
 
Ligamentum interspinale : kleine bandjes die tussen de achteruitsteeksels lopen; deze met elkaar verbinden en vooroverbuigen afremmen.
 
Ligamentum intertransversarii : kleine bandjes die tussen de dwarsuitsteeksels (processi transversi) van de wervels verlopen . Ze remmen de zijwaartse buiging van de wervels.
 
N.b.:de banden van het bekken, die ook in het figuur te zien, zijn worden hier niet besproken.
 
 
De zenuwen van de lage rug :
 
 
Er bestaan 3 systemen van zenuwen :
  • motorische zenuwen : lopen van het ruggenmerg naar de spieren en zorgen ervoor dat spieren kunnen aanspannen.
  • sensibele zenuwen ofwel gevoelszenuwen : lopen van de verschillende structuren als huid,kapsels, spieren,banden, inwendige organen,enz. naar het ruggenmerg toe en zorgen voor het gevoel en pijn.
  • vegetatieve zenuwen : lopen van het ruggenmerg naar de inwendige organen, bloedvaten, huid, enz. en zorgen voor de onwillekeurige processen in al die structuren.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 48
 
 
Overzicht van het ruggenmerg met uittredende zenuwwortels links en rechts. Het ruggenmerg loopt van de bovenste halswervels naar onder tot aan de 2° lendenwervel (L2).Daaronder is er geen ruggenmerg meer , maar afdalende zenuwbanen. Dit deel heet de Cauda Equina ofwel "paardenstaart". Tussen alle wervels loopt er een zenuw naar buiten. Dit zijn de zenuwwortels (radix). Ter hoogte van de halswervelkolom en de lendenwervelkolom lopen de zenuwwortels naar buiten de wervelkolom, waar ze zich in groepjes verzamelen tot een zenuwstam ( plexus) om samen verder te lopen naar resp. de arm en het been. In de periferie lopen ze weer uiteen als solitaire takken naar delen van de huid, de spieren, botvlies, enz.( vergelijk dit met een boom : de wortels verzamelen zich tot een boomstam en vanuit de boomstam ontstaan de takken en kleinere takjes.) Ter hoogte van de borstwervelkolom lopen vanuit de wortels de zenuwen, zonder zich te verzamelen, door in de richting van het borstbeen.
 
De wortels verdelen zich allemaal in 3 takken :
 
  1. ventrale tak (ramus ventralis). Zie hierboven. Dit zijn de takken die naar de periferie lopen.
  2. dorsale tak (ramus dorsalis). Dit zijn kleinere takken die direct naar achter lopen en de structuren rondom de wervels van prikkels voorzien (innerveren), zoals de huid, spieren, botvliezen, gewrichten van de wervels.Deze dorsale tak verdeelt zich weer in een binnenste tak (ramus dorsalis medialis) en buitenste tak (ramus dorsalis lateralis).
  3. terugkerende tak (ramus recurrens of ramus meningeus), die zodra hij buiten de wervelkolom treedt, direct weer terug de wervelkolom in loopt om binnenin de wervelkolom de daar aanwezige structuren te innerveren, zoals de ruggenmergvliezen (meningen). de gewrichtjes van de wervels, de buitenkant van de disci en de binnenin de wervelkolom verlopende bandjes of ligamenten.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 fig. 49
 
Schematisch overzicht van de zenuwwortels met ter hoogte van de nek-schouder de plexus brachialis (letterlijk de zenuwstam van de arm).
Ter hoogte van de lage rug en bekken zien we de wortels verzamelen tot plexus lumbalis en plexus sacralis.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig.50
 
Hierboven ziet u een deel van de lage rug met aan de voorkant de wervellichamen(2), waartussen de tussenwervelschijven(1). In het wervelkanaal de cauda equina (5). Bij 6 eindigt het ruggenmerg en loopt als cauda equina verder. 3 en 4 zijn de ruggenmergvliezen of meningen. Daarachter liggen de processi spinosi ofwel de doornuitsteeksels. Dit zijn de knobbels die we achter op onze rug voelen ter hoogte van de wervelkolom.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Fig. 51
 
 
Nogmaals ter verduidelijking een overzicht van het ruggenmerg (spinal cord) of hier cauda equina genoemd met de uittredende zenuwwortels (geel).
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 52
 
 
Uittredende zenuwwortels van opzij ( lateraal) gezien. Waar de verdikking in de wortels te zien is ligt het cellichaam van de dorsale zenuw ( sensibele of gevoelszenuw). Dit cellichaam heet : ganglion dorsale of ganglion spinale.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig.53
 
Overzicht van ruggenmerg met zenuwwortel. Deze bestaat uit gevoelszenuwen of sensibele zenuwen die naar het ruggenmerg toe lopen (blauw) en motorische zenuwen die naar de spieren lopen (rood).
De wortel verdeelt zich in een ventrale tak (ramus ventralis) en een dorsale tak ( ramus dorsalis).
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
fig. 54
 
1= achterhoorn van het ruggenmerg
2= zijhoorn van het ruggenmerg
3= voorhoorn van het ruggenmerg
4= dorsale wortel
5= dorsale ganglion
6= ventrale wortel
7= perifere zenuw
8= sensibele zenuwvezels van de dorsale wortel
9= motorische zenuwvezels van de ventrale wortel