nieuwsbrief februari 2010
> Verschil in levensverwachting mannen en vrouwen wordt kleiner
> Oefentherapeuten werken hard aan patiëntgerichte zorg
> Jeugdige patient met kromme rug betaalt gelag financieringsfout zorg
> Ruggordel effectief bij lage rugpijn
> Lopen is niet slecht voor de knieën
> SCCH: Nadelige gevolgen van late diagnose
> Pacemaker in de bil tegen urine-incontinentie
> Ook matig bewegen beperkt al gevaren overgewicht
> Eiwitten in strijd tegen dik Oost-Nederland
> Overgewicht beschermt ouderen
> Arbozorg soms kosteneffectief
> Vroegtijdige fysiotherapie kan lymfoedeem helpen voorkomen
> Een goede houding is het halve werk
> The Effect of Backpacks on the Lumbar Spine in Children: A Standing Magnetic Resonance Imaging Stud
> Exercise in Older Women May Improve BMD and Reduce Fall Risk
> Tot zover........

Verschil in levensverwachting mannen en vrouwen wordt kleiner

 
 
De levensverwachting van in Nederland geboren meisjes in 2008 bedroeg 82,3 jaar. Dat is 4 jaar hoger dan die van jongens (78,3 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden.

Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 5,8 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,1 jaar ouder geworden. De verklaring is de sterke daling van de sterfte: ondanks de vergrijzing is in de periode 2002–2007 het aantal sterfgevallen ieder jaar gedaald.

Nederlandse meisjes zakken op Europese ranglijst

Op de Europese ranglijst van de levensverwachting zijn Nederlandse meisjes tussen 1996 en 2006 flink gezakt, van plaats 6 naar plaats 12. Zij hebben in de periode 1996–2006 slechts 1,5 jaren aan levensverwachting gewonnen. Jongetjes kregen er 3,0 levensjaren bij en schoven van plaats 5 naar plaats 4 op de ranglijst. De levensverwachting van jongetjes is inmiddels vergelijkbaar met die van Spaanse jongens. Zweden en Italianen hebben echter een beduidend hogere levensverwachting.

Het laagst staan mannen en vrouwen in de Baltische staten. Een Lets jongetje had bij geboorte in 2006 een levensverwachting van 65 jaar, een meisje wordt weliswaar ruim 11 jaar ouder, maar met 76,3 jaar is de levensverwachting niettemin de laagste van alle vrouwen uit de EU-25.

Bron: Zorgportaal

Oefentherapeuten werken hard aan patiëntgerichte zorg
 
 
29 januari 2010
 
Tijdens het congres van de Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck (VvOCM) dat 27 januari plaatsvond heeft directeur Martin Vermeer van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) tien certificaten uitgereikt. Hiermee werden de therapeuten beloond voor hun inspanningen tijdens van het kwaliteitstraject Oefentherapeuten Door Clienten Bekeken. Tijdens het congres werd bekend gemaakt dat de methodiek na de succesvolle pilot voor alle oefentherapeuten beschikbaar is.

‘Door Cliënten Bekeken’ is een kwaliteitstraject vanuit patiëntenperspectief: wat vindt de patiënt van de zorg die geleverd wordt? Hoe beoordeelt hij of zij de deskundigheid, informatievoorziening en toegankelijkheid van een zorgverlener? Aan de hand van een vragenlijst, groepsgesprekken met patiënten en workshops krijgen zorgverleners in kaart hoe patiënten hen waarderen en waar verbeterpunten liggen. De tien oefentherapiepraktijken die deelnamen aan de pilot Oefentherapeuten Door Cliënten Bekeken (OCB) bleken uitzonderlijk goed te scoren op het gebied van patiëntgerichtheid. Martin Vermeer: “De oefentherapeuten vormen na apothekers en gezondheidscentra de eerste groep paramedici die met ons kwaliteitstraject aan de slag zijn gegaan. We kunnen constateren dat de therapeuten opecht geïnteresseerd zijn in hun klanten en dat er concrete stappen zijn gezet op weg naar optimaal patiëntgerichte zorg. Een mooie prestatie.” Na het afronden van de succesvolle pilot kunnen alle oefentherapeuten gebruik maken van het kwaliteitstraject vanuit patiëntenperspectief. De NPCF en de VvOCM zullen het toepassen van de methodiek gezamenlijk stimuleren.

Bron: NPCF


Jeugdige patient met kromme rug betaalt gelag financieringsfout zorg
 

22 januari 2010
 
In Nederlandse ziekenhuizen groeien sinds 2008 de wachtlijsten voor patiënten met een scoliose.
Dit meldt de voorzitter van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging, dr. Jan van Mourik op de NOV-jaarvergadering in de Utrechtse jaarbeurs. Deze ontwikkeling wrikt met de moderne eed van Hippocrates en is bijzonder ongewenst, aldus Van Mourik. De eed meldt o.a. dat het de taak is van de medisch specialist om te zorgen voor voldoende beschikbaarheid en toegankelijkheid van operatiefaciliteiten voor alle patiënten, dus ook bijvoorbeeld voor kinderen met een scoliose.
De hoofdoorzaak voor deze nieuwe wachtlijst: door de nieuwe vorm van financiering (de zogeheten diagnose behandelingscombinaties) is deze noodzakelijke ingreep voor een ziekenhuis dan wel medisch specialist financieel erg onaantrekkelijk. De financiële problematiek ontstaat doordat scoliose operaties langdurige ingrepen zijn met zeer dure implantaten. Hiervoor is de vastgestelde vergoeding door de zorgverzekeraars volstrekt onvoldoende. Hierdoor loopt anno 2010 de wachttijd voor een scoliose-operatie, waarbij de kromme rug weer zo goed mogelijk gecorrigeerd wordt, in de dagelijkse praktijk op tot meer dan 8 maanden. En dat terwijl een wachttijd voor scolioseoperaties boven de 6 maanden al structureel nadelige gevolgen voor de gezondheid veroorzaakt. Elk jaar worden in Nederland 6.500 scoliosepatiënten in ziekenhuizen behandeld, waarvan bijna 10% wordt geopereerd.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Scoliose vóór en na operatie
 
Dr. Van Mourik: "Combineer voornoemde ontwikkeling met recente gegevens uit het gezondheidsrapport van PriceWaterhouseCooper en dit doet het ergste vermoeden voor de toekomst van een belangrijk deel van onze orthopedische patiënten. Dit rapport meldt immers dat onze sector wordt gekenmerkt door aanzienlijk negatieve kasstromen. Tevens worden ziekenhuizen geconfronteerd met een liquiditeitskrapte omdat nog 2 miljard Euro moet worden terugbetaald aan zorgverzekeraars."

Door een door de overheid kunstmatig gecreëerd tekort aan (o.a. orthopedisch) chirurgen gaan tienduizenden Nederlanders voor een medische behandeling naar het buitenland. Dr. Van Mourik: "Nog steeds kopen zorgverzekeraars zorg in bij buitenlandse ziekenhuizen. Dit is een volstrekt foute ontwikkeling. Immers, ontstaan er complicaties, dan moeten die over het algemeen weer worden opgelost in de Nederlandse ziekenhuizen. Zij moeten dan ook weer opdraaien voor de extra kosten. Zijn er eenmaal voldoende orthopeden in Nederlandse ziekenhuizen werkzaam dan eindigt die uittocht naar het buitenland." In 2012 bedraagt het tekort aan Nederlandse orthopeden ruim 400. Ondanks herhaaldelijk pleiten van de Nederlandse orthopeden voor een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen volhardt het ministerie van VWS in een beknotting. En dit terwijl verwacht wordt dat het aantal totale heupoperaties de komende 20 jaar verder zal toenemen met 150% (tot ruim 50.000/jaar) en het aantal totale knieoperaties met 300% (bijna 60.000/jaar).
Deze stijging van het aantal totale heup- en knieoperaties is onder meer toe te schrijven aan de 'epidemie' van overgewicht, de veranderende levensstijl van de oudere patiënt, hogere levensverwachtingen en betere langetermijn-resultaten.
 
Bron: HuisartsVandaag 
 
Ter informatie: Wat is een scoliose ? / zie deze website         scoliose  en ga naar de ppp ( powerpointpresentatie)

Ruggordel effectief bij lage rugpijn
 

8 februari 2010

Werknemers met lage rugpijn hebben baat bij het gebruik van een ruggordel. Dat blijkt uit onderzoek van Pepijn Roelofs.

De werknemers met een ruggordel  hebben jaarlijks 53 dagen minder rugpijn dan de werknemers in de controlegroep.

Kostenbesparing

De ruggordelgebruikers bespaarden gemiddeld 235 euro per jaar op de direct aan rugpijn gebonden uitgaven, zoals een bezoek aan een therapeut of de aanschaf van medicijnen.

Thuiszorg

Lage rugpijn is een veelvoorkomend probleem. Van de mensen die werken in de thuiszorg heeft jaarlijks bijna tweederde rugpijn. Roelofs onderzocht 360 thuiszorgmedewerkers die allemaal een verleden met rugpijn hadden. Hiervan kreeg de helft een ruggordel als aanvulling op de standaard beschikbare zorg.

Ongemakken

Verder bleek dat de meeste thuiszorgmedewerkers goed hun werkzaamheden uit konden voeren met zo’n gordel en men de praktische ongemakken van de ruggordel voor lief nam vanwege de ervaren baat.

Bron: VU medisch centrum


Lopen is niet slecht voor de knieën
 

02/02/10

ROTTERDAM - Velen vermijden joggen of lopen omdat ze denken dat het slecht is voor de knieën of ze last gaan krijgen van hun gewrichten. Maar recent onderzoek suggereert dat lopen de knieën net beschermt tegen natuurlijke slijtage.

Amerikaanse reumatologen verwachten dat volwassenen die regelmatig lopen 25 procent minder pijn en osteoartritis hebben, vooral in heup- en kniegewrichten, dan niet-lopers.

Lopen versterkt immers de spieren en de botten. De wetenschappers wijzen er wel op dat alleen regelmatig lopen deze voordelen biedt. Eraan beginnen na jarenlang weinig te hebben gesport, heeft niet hetzelfde effect voor de gewrichten, zo blijkt uit het artikel uit het vakblad Arthritis Research and Therapy.

Bron:  Arthritis Research and Therapy

SCCH: Nadelige gevolgen van late diagnose
 
Patiënten met de zeldzame, aan reuma verwante botziekte Sterno-costo-claviculaire hyperostose (SCCH) lopen vaak jaren met klachten rond voordat de juiste diagnose wordt gesteld.
Onderzoekers van de Universiteit Leiden en het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) onderzochten voor het eerst de consequenties van een late diagnose. Hoe later de diagnose wordt gesteld, hoe groter de kans dat een patiënt chronische pijn ontwikkelt of zelfs gedeeltelijk gehandicapt raakt. De resultaten van het onderzoek zijn vorige week online gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Arthritis Care & Research.
 
SCCH is een chronische, steriele ontstekingsziekte aan delen van het skelet. Patiënten hebben last van pijn, zwellingen en vergroeiingen aan borstbeen, sleutelbeenderen en bovenste ribben. Ongeveer een derde heeft bovendien huidklachten, meestal op de handpalmen en voetzolen. Medicijnen kunnen de ontwikkeling van de ziekte sterk afremmen en de klachten verminderen. In Nederland zijn ongeveer 80 mensen gediagnosticeerd met SCCH.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Leidse onderzoekers interviewden een groot deel van deze patiënten. Het diagnosetraject bleek meestal zeer inefficiënt te verlopen. De patiënten kregen de juiste diagnose gemiddeld ruim vijf jaar na het eerste bezoek aan een arts, met uitschieters tot boven de dertig jaar. Een kwart van de patiënten moest meer dan acht jaar wachten op de diagnose en de helft werd verwezen naar drie of meer specialisten voordat de diagnose werd gesteld. De patiënten ondergingen in de jaren voor de diagnose vaak meerdere onderzoeken zoals bloedonderzoek, röntgenfoto’s, scans, en botbiopsieën.

Toeval

Veertig procent van de onderzochte patiënten kreeg tijdens dat traject een verkeerde diagnose, variërend van ‘kwaadaardige tumoren’, tot ‘ingebeelde klachten’ en ‘ouderdomskwaal’. Opvallend is dat bijna een kwart van alle patiënten uiteindelijk de juiste diagnose kreeg door zelf op onderzoek uit te gaan of doordat ze toevallig over de ziekte hoorden van vrienden of kennissen.

Kwaliteit van leven

De onderzoekers ontdekten dat een lang diagnosetraject een nadelig effect heeft op de kwaliteit van leven van patiënten. Door uitstel van de diagnose kan de ziekte zich zonder behandeling verder ontwikkelen en verkeert de patiënt lange tijd in onzekerheid over de oorzaak van zijn klachten. Hoe later de diagnose wordt gesteld, hoe meer pijn patiënten hebben, hoe meer ze zich door de ziekte beperkt voelen in hun dagelijkse bezigheden en hoe meer psychische problemen ze krijgen. Verder blijkt dat patiënten met een lang diagnosetraject vaker door de ziekte zodanig gehandicapt zijn dat ze niet meer kunnen werken.
 
Schrijnend

Onderzoeker dr. Willem van der Kloot: ‘SCCH is een zeldzame ziekte en daardoor is het begrijpelijk dat de aandoening bij veel artsen onbekend is. Toch is het schrijnend dat een groot deel van de SCCH-patiënten veel meer last heeft van de ziekte dan ze waarschijnlijk hadden gehad als eerder de juiste diagnose was gesteld. En dat terwijl de diagnose in principe eenvoudig is te stellen. De verschijnselen van de ziekte zijn namelijk erg typisch, als er eenmaal een vermoeden is kan de arts in een korte tijd tot de diagnose komen.’

Om de diagnosetijd van SCCH patiënten te verkorten, zou de ziekte bekender moeten zijn bij huisartsen, fysiotherapeuten en specialisten, vinden de onderzoekers.
 
Het onderzoeksteam bestond uit dr. W.A. van der Kloot van het Instituut Psychologie van de Universiteit Leiden, mw.dr. N.A.T. Hamdy en mw.drs. S.A. Chotkan van de afdeling Endocrinologie en Stofwisselingsziekten van het LUMC (het tertiair verwijzingscentrum voor SCCH), en prof.dr. A.A. Kaptein van de Afdeling Medische Psychologie van het LUMC. Het onderzoek werd ondersteund door de Nederlandse vereniging van patiënten met SCCH.
 
Bron: Zorgportaal
 
Voor meer informatie over SCCH , zie  www.scch.nl

Pacemaker in de bil tegen urine-incontinentie
04 februari 2010
 
Mensen die al lang kampen met ernstige urine-incontinentie kunnen baat hebben bij het implanteren van een ‘neurostimulator’. De behandelmethode is nieuw in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Het apparaatje is een pacemaker die in de bil wordt geplaatst en via een dun naaldje stroomstootjes afgeeft naar het staartbeen, nabij de zenuwen die de blaas controleren.

Het ‘kastje’ ter grootte van een 2-euromunt kan incontinentie drastisch doen afnemen bij patiënten die geen baat hebben bij andere behandelwijzen, zoals fysiotherapie en medicijnen. Uroloog Rein Potjer van het Albert Schweitzer ziekenhuis heeft in de laatste maanden van 2009 de eerste vier exemplaren geplaatst. Het resultaat bij de vier (vrouwelijke) patiënten is tevredenstemmend, laat Potjer weten.

Selectie

Voor het jaar 2010 heeft het Albert Schweitzer ziekenhuis goedkeuring van zorgverzekeraars om tien neurostimulators (productnaam: InterStim) te plaatsen. Potjer: ,,Het middel is relatief duur, 15.000 tot 20.000 euro per patiënt. Verzekeraars zijn daarom nog terughoudend. Van onze kant moeten wij daarom streng zijn bij de selectie van patiënten. We richten ons op de groep mensen die al lang last heeft van incontinentie, die dit ervaart als een grote (sociale) handicap en die al het andere al geprobeerd heeft. Daarnaast testen we eerst met een externe proef-neurostimulator of de patiënt er baat bij heeft. Alleen als bij deze proef de frequentie van het urineverlies of de hoeveelheid met minstens de helft daalt, komt iemand in aanmerking voor de implantatie.”

Patiëntvriendelijk

Er is geen minimum- of maximumgrens aan de leeftijd van de patiënt en ook het geslacht is niet van belang. Het grote voordeel van de methode is volgens Potjer dat zeer drastische oplossingen, zoals een stoma of zware chirurgie, kunnen worden voorkomen. De plaatsing en de werking van de neurostimulator brengen geen onherstelbare schade toe aan het lichaam. ,,Het middel is zeer patiëntvriendelijk.”

Dichtbij huis
De neurostimulator is niet nieuw, maar de ingreep werd tot voor kort alleen in enkele academische ziekenhuizen in Nederland verricht. Pas vrij recent is daar een klein aantal streekziekenhuizen bij gekomen, waaronder het Albert Schweitzer ziekenhuis. Hierdoor kunnen meer mensen dichterbij huis worden geholpen.

Opmerkelijk is volgens Potjer dat de neurostimulator ook een positief effect lijkt te hebben op een te slappe blaas (het tegenovergestelde van incontinentie) en zelfs op ongewild verlies van ontlasting. Voorlopig richt de behandeling in het Albert Schweitzer ziekenhuis zich alleen op urine-incontinentie, meer specifiek op ‘drangincontinentie’ (en niet op ‘stressincontinentie’, die optreedt bij onder meer lachen of niezen).

Bron: Albert Schweitzer ziekenhuis

Ook matig bewegen beperkt al gevaren overgewicht
 

28 januari 2010
 
Vier keer per week een half uurtje lopen of fietsen is al voldoende om belangrijke gevaren van overgewicht bij jongeren weg te nemen.
Ook al vallen ze niet af van de training, de kans op diabetes lijkt toch al aanzienlijk te verminderen. De relatief lichte trainingen zijn voor jongeren met overgewicht prima vol te houden. Dat blijkt uit onderzoek van Gert-Jan van der Heijden, die op 3 februari 2010 promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Overgewicht is een grote bedreiging voor de gezondheid van jongeren. In Europa kampt naar schatting 20 procent van de kinderen ermee; vooral kinderen uit sociaal-economische achterstandssituaties lopen veel risico. Door overgewicht neemt de kans op type 2 diabetes toe, een chronische ziekte die slechts met veel moeite (dieet, verandering van leefstijl, medicijnen) onder controle te krijgen valt.
 
Niet afvallen, toch gezonder

Gert-Jan van der Heijden onderzocht de gezondheidseffecten van een matig intensieve conditietraining bij jongeren met en zonder overgewicht. Vijftien jongeren met overgewicht en veertien jongeren met normaal gewicht (allen tussen de 13 en 18 jaar) gingen twaalf weken lang vier keer per week een half uur fietsen en/of hardlopen. Ze hoefden hun eetpatroon niet te veranderen. Met name de jongeren met overgewicht knapten op van de trainingen. Ze vielen niet af van de training. Maar de hoeveelheid vet in de lever en rond de darmen nam af, en ook de insulineresistentie verminderde. Ook bij de jongeren met een normaal gewicht nam de insulineresistentie af. Bij hen nam bovendien de spiermassa licht toe; de hoeveelheid vet in de lever en rond de darmen bleef gelijk.
Minder resultaat door krachttraining
Ook bestudeerde Van der Heijden de effecten van krachttraining op de gezondheid van jongeren met overgewicht. Twaalf jongeren tussen de 13 en 18 jaar met overgewicht namen deel aan een programma van twaalf weken. Daarin volgden ze twee keer per week een uur krachttraining, waarin ze onder meer gingen gewichtheffen. Door dit trainingsprogramma namen hun spierkracht en spiermassa toe, maar de insulineresistentie nam minder af dan bij de conditietraining. Ook de totale hoeveelheid vet verminderde niet door de krachttraining.

Eenvoudig winst boeken
 
De resultaten van het onderzoek zijn zeer hoopgevend. Conditietraining met een matige intensiteit blijkt voor jongeren met overgewicht al aanzienlijke gezondheidswinst op te leveren, en deze training is voor deze groep gemakkelijk vol te houden. Met 85 procent was het deelnamepercentage in de groepen voor conditietraining opmerkelijk hoog. Toch waarschuwt Van der Heijden voor overdreven optimisme. De insulineresistentie neemt bij jongeren met overgewicht weliswaar af, maar toch blijven hun waarden op dit punt slechter dan die van jongeren met normaal gewicht. Het is de vraag of alleen conditietraining voldoende zou zijn om de stofwisseling te normaliseren. Maar het is wel een eenvoudige methode om snel aanzienlijke gezondheidswinst te behalen.
 
Curriculum vitae
 
Gert-Jan van der Heijden (Rotterdam, 1980) studeerde geneeskunde aan de VU in Amsterdam. Hij verrichtte zijn onderzoek in het Children’s Nutrition Research Center, Baylor College of Medicine in Houston, Texas (VS) in samenwerking met het Beatrix Kinderziekenhuis van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Zijn promotores zijn prof.dr. A.L. Sunehag en prof.dr. P.J.J. Sauer. Van der Heijden is in opleiding tot kinderarts in het UMCG. De titel van zijn proefschrift luidt: “Metabolic effects of exercise in adolescent obesity”.
 
Bron: HuisartsVandaag

Eiwitten in strijd tegen dik Oost-Nederland

 
 
WAGENINGEN - Negen bedrijven en kennisinstellingen in Oost-Nederland, waaronder de universiteiten Twente en Wageningen binden samen de strijd aan tegen overgewicht. Zij gaan samen onderzoeken of mensen op gewicht kunnen blijven door meer eiwitten te eten. Ze denken dat het hongergevoel hierdoor langer wegblijft. In het oosten van het land wonen relatief veel mensen met overgewicht.

Het kost het lichaam veel energie om eiwitten uit het voedsel te halen. Hierdoor krijg je minder snel honger, legt een onderzoeker van de Wageningen Universiteit maandag uit. Als uit onderzoek blijkt dat dit zo is, dan worden er speciale eiwitrijke producten ontwikkeld. Hierbij denkt hij niet aan supplementen, repen of shakes, maar meer het toevoegen van extra eiwitten aan reguliere etenswaren.

De onderzoeker verwacht niet dat te dikke mensen door eiwitten gaan afvallen. Het is de bedoeling dat zij niet dikker worden. Daarbij moeten ze ook matigen met koolhydraten en vetten, zei hij.

In vlees, vis en gevogelte zoals kip zitten veel eiwitten. Ook melk, kaas, eieren, brood, noten en bonen bevatten er veel van. Het lichaam heeft eiwitten nodig.
 
Bron:  (ANP)
25/01/10
 
Ter informatie : Wat is eiwit?

Eiwit is, net als koolhydraten en vet, een voedingsstof. Het levert energie (calorieën). Daarnaast is het een belangrijke bron van aminozuren. Aminozuren zijn bouwstenen voor de eiwitten in het lichaam. Een ander woord voor eiwit is ‘proteïne’.

De structuur van eiwitten en aminozuren

Eiwitten bestaan uit een mengsel van aminozuren. In totaal kan eiwit in eten tweeëntwintig verschillende soorten aminozuren bevatten. De samenstelling, volgorde en structuur van deze aminozuren verschilt. Wat dat betreft is elk eiwit uniek. Er zijn vele duizenden combinaties mogelijk van aminozuren.
Eiwitten kunnen ook voorkomen in combinatie met andere stoffen. Bijvoorbeeld samen met vetzuren en cholesterol in lipoproteïnes.
Een aminozuur is opgebouwd uit koolstof (C), zuurstof (O), stikstof (N) en soms ook zwavelmoleculen (S). Aminozuren kunnen op allerlei manieren aan elkaar gekoppeld zijn. Deze verbindingen zijn de zogenaamde peptiden. Korte aminozuurketens heten ‘polypeptiden’.

De algemene structuur van een aminozuur is:

R
?
NH2-CH-COOH

Een aminozuur bevat dus een amine (NH2) en een carboxyl-(zuur)groep (COOH). R is de restketen die voor elk aminozuur anders is.


Essentiële en niet-essentiële aminozuren

Van de tweeëntwintig aminozuren kan het lichaam er dertien zelf maken. De andere negen moet u via eten binnenkrijgen. Dat zijn de zogenaamde essentiële aminozuren. Daarnaast zijn er zes ‘semi-essentieel’. Dat wil zeggen dat het lichaam ze normaal gesproken zelf kan maken. Alleen onder bepaalde omstandigheden, zoals bij sommige aandoeningen en ziektes, kan het lichaam er niet genoeg van maken. Dan is aanvulling via het eten nodig.

Hierbij een overzicht:
 
Essentiële aminozuren            Niet-essentiële aminozuren
Histidine                                    Alanine
Isoleucine                                  Arginine*
Leucine                                     Asparagine*
Lysine                                       Asparaginezuur 
                                                Cysteine
Methionine                                Cystine
Fenylalanine                              Glutamine* 
                                                Glutaminezuur
Threonine                                  Glycine*
Tryptofaan                                 Serine*
Valine                                       Tyrosine 
                                                Proline* 
                                                Hydroxyproline

* Deze aminozuren zijn ‘semi-essentieel’.

Géén aminozuren
 
Ornithine en citrulline worden in supplementen soms aangeduid als aminozuur. Dat zijn ze niet. Het zijn stofwisselingsproducten die in het lichaam uit aminozuren kunnen worden gevormd. Ook taurine wordt wel als aminozuur aangeduid maar is dat niet. Het bevat geen zuur (carboxyl-)groep.

Soorten eiwit
 
Eiwitten worden ingedeeld naar grootte, vorm, oplosbaarheid of functies van de aminozuren. Bij eiwit in de voeding wordt een onderscheid gemaakt tussen plantaardig en dierlijk eiwit. Dat heeft behalve met de herkomst, ook te maken met de kwaliteit.
Bekende eiwitten in ons voedsel zijn bijv. caseïne in melk en zuivelproducten, heemeiwitten en collageen in vlees.
Bekende groepen lichaameigen eiwitten zijn o.a globulines, albumine, keratines, en histonen.


Voor verdere informatie over eiwitten: zie  www.voedingscentrum.nl

Overgewicht beschermt ouderen
 


Ouderen met overgewicht hebben een minder groot overlijdensrisico dan ouderen met een normaal gewicht, gezien over een periode van tien jaar. Dat blijkt uit een Australisch onderzoek dat is gepubliceerd in de Journal of The American Geriatrics Society. Volgens hoofdonderzoeker Leon Flicker moeten daarom BMI-criteria voor ouderen worden herzien.

In het onderzoek zijn 9200 Australische mannen en vrouwen gevolgd die bij aanvang van de studie een leeftijd tussen 70 en 75 jaar hadden. Van de deelnemers zijn gegevens verzameld omtrent hun gezondheid en levensstijl. Hun gezondheidssituatie is gedurende tien jaar bijgehouden of tot aan het overlijden. In vergelijking met ouderen met een BMI in de categorie normaal gewicht, was het sterfterisico onder ouderen met overgewicht 13 procent lager. Deze gunstige uitkomst was bij ouderen met obesitas weer verdwenen. 

Andere beschermende factoren

Volgens hoofdonderzoeker prof dr. Leon Flicker van de Universiteit van West Australië, ondersteunt dit resultaat het idee dat de indeling in gewichtscategorieën op basis van BMI die de WHO tot nog toe hanteert, niet voor ouderen opgaat en dat voor deze leeftijdsgroep een herziening van de classificatie nodig is. De criteria voor ondergewicht, normaal gewicht, overgewicht en obesitas zijn gebaseerd op onderzoek onder jongeren en mensen van middelbare leeftijd. Flicker: "Ons onderzoek laat zien dat mensen die het 70ste levensjaar bereiken in redelijke gezondheid, in vergelijking met jongeren een andere combinatie van risicofactoren en beschermende factoren hebben ten aanzien van de hoeveelheid lichaamsvet. En die kennis moet toegepast worden in de BMI-richtlijnen.”

De aanleiding van het onderzoek was dat er vragen rezen over hoe ver te gaan bij het stimuleren van ouderen met overgewicht om af te vallen. De studie beoogde uit te zoeken welk BMI gepaard ging met het laagste sterfterisico bij ouderen. Extra controles werden ingebouwd om bias in de uitkomsten te voorkomen. Zo werd bij mensen die binnen de periode van tien jaar overleden, de bescherming door overgewicht niet verstoord door de onderliggende ziekte. Evenmin was er verschil in de relatie tussen BMI en sterftekans bij relatief gezonde ouderen of ouderen die rookten of leden aan een chronische ziekte.

Bron: MedNet,29-01-2010

Arbozorg soms kosteneffectief
 

Sommige arbo-interventies blijken geld op te leveren voor bedrijven. De opbrengst kan oplopen tot €500 per werknemer per jaar. Andere interventies kosten juist geld en hebben nauwelijks effect. Dit is een van de conclusies van Kimi Uegaki die onderzoek deed naar de economische evaluatie van de arbozorg.

Arbozorg heeft tot doel om werknemers gezond en productief te houden. De beschikbare middelen hiervoor zijn echter beperkt. Arbodeskundigen en beleidsmakers moeten keuzes maken tussen verschillende behandelopties. Hierbij kunnen economische evaluaties helpen.
Kimi Uegaki onderzocht aspecten van economische evaluaties in de arbozorg. Zij heeft ook gekeken naar hoe deze evaluaties vanuit een bedrijfsperspectief verbeterd kunnen worden.
Zo kreeg zij nieuwe informatie over de kosten-effectiviteit van arbo-interventies. De gegevens kwamen uit drie verschillende studies. Deze studies betroffen werknemers met a-specifieke lage rugpijn, overspannen werknemers en werkende moeders na de bevalling. In elke studie is een nieuwe behandeling vergeleken met gebruikelijke zorg. De studie bij werknemers met a-specifieke lage rugpijn laat zien dat de invoering van de nieuwe behandeling (graded activity) kosteneffectief is voor bedrijven. De bevindingen van de overige twee studies geven geen aanleiding om gebruikelijke zorg te vervangen door de nieuwe behandeling.
 
Ter informatie: Wat is Graded Activity? 
 

Een praktische training voor patiënten met chronische pijn ( 12 weken en langer), onder meer geschikt voor patiënten met algemeen chronische klachten en patiënten met a-specifieke rugklachten, zoals:
rugklachten ontstaan tussen 20e en 50e jaar;
klachten rond billen en dijen (lumbo-sacrale regio);
pijn van mechanisch aard, afhankelijk van fysieke belasting en wisselend in aard en intensiteit.

Het is een gestructureerde behandeling, gericht op een stapsgewijze toename van het activiteitenniveau (werk, huishouden, hobby en sport). De therapie is een onderdeel van een [[gedragsgeoriënteerde aanpak[[

Werkwijze en systematiek:
Uitleg en samen algemeen doel formuleren (wat is realistisch en haalbaar!) .
activiteit kiezen (gericht op zelfredzaamheid), bijvoorbeeld looptrainingsschema.
basislijn vaststellen (wat kan de patiënt) en meetbaar maken
doel bepalen per activiteit .
afspraken, opbouw behandelplan, evaluatie en positieve bekrachtiging en generalisatie.

Kenmerk van de behandelfase: tijdcontingent.
 
Doel van graded activity is :
*optimaliseren van functioneren op gebied van werk en vrije tijd
*bevorderen van de zelfredzaamheid ( selfefficacy)
*afname ziekteverzuim
*preventie chroniciteit
*Toename bevorderen van "goed met de pijn omgaan".
 en zelfmanagement.
 
Pijnvermindering is geen primair doel!

De therapie kan gegeven worden in de fysiotherapie praktijk. Er worden duidelijke afspraken gemaakt wat betreft thuisoefeningen. Motivatie is belangrijk!

Vroegtijdige fysiotherapie kan lymfoedeem helpen voorkomen
 
07 februari 2010

María Torres Lacomba, onderzoekster aan de Universiteit Alcalá de Henares te Madrid en haar team voerden een gerandomiseerde, enkelblinde klinische studie in een cohort van 120 vrouwen die tussen mei 2005 en juni 2007 een borstkankeroperatie met okselkliertoilet hadden ondergaan.

De proefpersonen werden gerandomiseerd naar twee groepen. De ene groep kreeg fysiotherapeutische behandelingen op basis van manuele lymfedrainage, massage van het littekenweefsel, schouderoefeningen en instructies. De controlegroep kreeg alleen instructies.

In totaal werkten 116 vrouwen het volledige follow-upprogramma van één jaar af. Achttien van hen (16%) ontwikkelden secundair lymfoedeem: 14 in de controlegroep (25%) en 4 in de interventiegroep (7%). Het verschil was significant. De auteurs toonden bovendien aan dat secundair lymfoedeem ook vier keer vroeger werd gediagnosticeerd in de controlegroep dan in de interventiegroep. Ze besluiten dat vroege fysiotherapeutische interventie een doeltreffende behandeling is om secundair lymfoedeem te voorkomen na een borstkankeroperatie met okselkliertoilet.

Bron: BMJ.com
 
Voor nadere informatie: Joy Oosterbos, oedeemtherapeute,tel. 0165 559261 of mail: info@pmc-roosendaal.nl

Een goede houding is het halve werk
 
4 februari 2010
 
Veel werknemers lijden aan lichamelijke klachten, vaak met verzuim als gevolg. Een ergonomische bureaustoel voorkomt veel leed. Een comfortabele zithouding zorgt bovendien voor betere prestaties op het werk.
 
Zittend werken wordt gezien als een luxe. Werknemers met een kantoorbaan van negen tot vijf, zitten al snel zo'n 40 uur per week aan hun bureaustoel geplakt. Veel zitten lijkt op het eerste gezicht weinig belastend voor het lichaam. Dat valt tegen.
Rugklachten
 
Ongeveer 40% van de meldingen van lichamelijke klachten bij bedrijfsartsen zijn aandoeningen aan het bewegingsapparaat, waaronder de rug. Rugklachten staan op nummer één van beroepsklachten, zo meldt de medische website MedicalFacts.nl. En het zijn niet alleen bouwvakkers die klagen. Ook de typende werknemer heeft vaak last van rugklachten of RSI.
 
Plezier
 
Volgens Joep Goverde, ergonoom van Arbo Unie kan een slechte zithouding leiden tot rug-, nek- en schouderklachten, met een verminderde concentratie tot gevolg. Een niet-instelbare of onjuist ingestelde rugleuning leidt vaak tot rugklachten. Ontbrekende of niet-instelbare armleuningen kunnen voor nek- of schouderklachten zorgen. Allemaal niet erg bevorderlijk voor de prestaties op het werk en belangrijker nog: het plezier in het werk.
 
Stoelen met knopjes

Veel merken van kantoormeubelen leveren tegenwoordig ergonomische stoelen. Zo'n stoel zorgt voor de minst belastende zithouding en voorkomt daardoor veel klachten. Belangrijk is dat de stoel goed is ingesteld om de juiste houding te krijgen. Veel bureaustoelen zijn voorzien van allerlei knopjes, hendeltjes en schroefjes, waarvan de werking niet altijd duidelijk is. Als deze niet goed worden ingesteld, kan dat alsnog voor een slechte zithouding zorgen.
Veel grote bedrijven hebben zelf een medewerker in dienst die de bureaustoelen van werknemers op de juiste wijze instelt.
 
Afwisseling
 
Volgens ergonomen is naast de juiste zithouding ook afwisseling erg belangrijk. Hoe comfortabel de stoel ook is, sta regelmatig even op om de lichaamshouding te veranderen. Eens per twee uur een wandeling naar de koffieautomaat doet wonderen.

Bron: Elsevier

Door NEN is in 2009 is het eerste exemplaar van de herziene NPR 1813 uitgereikt. Het uitgangspunt van deze richtlijn is dat kantoormeubilair geschikt is voor een zo groot mogelijk percentage Nederlandse gebruikers.
Dit betekent dat zowel kleine vrouwen als lange mannen - en alle maten daartussenin - hetzelfde meubel kunnen gebruiken. De NPR 1813:2009 nl 'Ergonomie - Richtlijn voor kantoormeubelen en hun toepassing bij de inrichting van administratieve ruimten en kantoren - Toelichting bij de NEN-EN 1335-reeks, de NEN-EN 527-reeks en NEN-EN 13761' kan als leidraad en checklist dienen bij het herinrichten of totaal nieuw inrichten van een werkomgeving.

Meer informatie over dit onderwerp kunt u opvragen bij NEN Arbeid, arbeid@nen.nl


The Effect of Backpacks on the Lumbar Spine in Children: A Standing Magnetic Resonance Imaging Stud
 Let op: Het ( overal ) aanbevolen gewicht van de backpack is 20 % van het lichaamsgewicht. De vraag is nu of dit niet echt te veel is.Veel kinderen nemen niet alleen mee wat ze vandaag nodig hebben, maar slepen echt altijd alles mee. Dit is iets waar elke ouder én leerkracht op moet blijven letten!GH
From : Spine

Timothy B. Neuschwander, MD; John Cutrone, MD; Brandon R. Macias, BA; Samantha Cutrone; Gita Murthy, PhD; Henry Chambers, MD; Alan R. Hargens, MD
02/04/2010; Spine. 2010;35(1):83-8


Abstract
 
Study Design: This study is a repeated measures design to measure the lumbar spine response to typical school backpack loads in healthy children. The lumbar spine in this setting was measured for the first time by an upright magnetic resonance imaging (MRI) scanner.
 
Objective: The purpose of this study is to measure the lumbar spine response to typical school backpack loads in healthy children. We hypothesize that backpack loads significantly increase disc compression and lumbar curvature.
Summary of Background Data: Children commonly carry school backpacks of 10% to 22% bodyweight. Despite growing concern among parents about safety, there are no imaging studies which describe the effect of backpack loads on the spine in children.
 
Methods: Three boys and 5 girls, age 11 ± 2 years (mean ± SD) underwent T2 weighted sagittal and coronal MRI scans of the lumbar spine while standing. Scans were repeated with 4, 8, and 12 kg backpack loads, which represented approximately 10%, 20%, and 30% body weight for our sample. Main outcome measures were disc compression, defined as post- minus preloading disc height, and lumbar asymmetry, defined as the coronal Cobb angle between the superior endplates of S1 and L1.
 
Results: Increasing backpack loads significantly compressed lumbar disc heights measured in the midline sagittal plane (P < 0.05, repeated-measures analysis of variance [ANOVA]). Lumbar asymmetry was: 2.23° ± 1.07° standing, 5.46° ± 2.50° with 4 kg, 9.18° ± 2.25° with 8 kg, and 5.68° ± 1.76° with 12 kg (mean ± SE). Backpack loads significantly increased lumbar asymmetry (P < 0.03, one-way ANOVA). Four of the 8 subjects had Cobb angles greater than 10° during 8-kg backpack loads. Using a visual-analogue scale to rate their pain (0-no pain, 10-worst pain imaginable), subjects reported significant increases in back pain associated with backpack loads of 4, 8, and 12 kg (P < 0.001, 1-way ANOVA).
 
Conclusion: Backpack loads are responsible for a significant amount of back pain in children, which in part, may be due to changes in lumbar disc height or curvature. This is the first upright MRI study to document reduced disc height and greater lumbar asymmetry for common backpack loads in children.
 
Het volledige artikel kunt u vinden op MedScape.com van februari 2010. U dient zich wel eerst als ( gratis) abonnee aan te melden.

Exercise in Older Women May Improve BMD and Reduce Fall Risk
 
From Medscape Medical News

Laurie Barclay, MD



February 4, 2010 
 
 An exercise program vs a general wellness intervention in older women may improve bone mineral density (BMD) and reduce fall risk, but not cardiovascular disease risk, according to the results of a randomized, single-blinded, controlled trial reported in the January 25 issue of Archives of Internal Medicine.
 
"Physical exercise affects many risk factors and diseases and therefore can play a vital role in general disease prevention and treatment of elderly individuals and may reduce costs, write Wolfgang Kemmler, PhD, from Freidrich-Alexander University of Erlangen-Nuremberg in Erlangen, Germany, and colleagues from the Randomized Controlled Senior Fitness and Prevention (SEFIP) Study. "We sought to determine whether a single exercise program affects fracture risk (bone mineral density [BMD] and falls), coronary heart disease (CHD) risk factors, and health care costs in community dwelling elderly women."
 
From May 1, 2005, through July 31, 2008, a total of 246 women 65 years or older who were living independently in the area of Erlangen-Nuremberg, Germany, were recruited and randomly assigned 1:1 to an 18-month exercise program (exercise group) or to a wellness program (control group). The exercise intervention consisted of a multipurpose exercise program emphasizing exercise intensity, whereas the control intervention emphasized well-being with a low-intensity, low-frequency program. Study endpoints included BMD, the number of falls, Framingham-based 10-year CHD risk, and direct healthcare costs.
 
Among 227 women who completed the 18-month study, there were significant effects of exercise for BMD of the lumbar spine (mean percentage of change in BMD from baseline to follow-up for the exercise group: 1.77% (95% confidence interval [CI], 1.26% - 2.28% vs control subjects: 0.33%; 95% CI, −0.24% to 0.91%; P < .001), femoral neck (exercise group: 1.01%; 95% CI, 0.37% - 1.65% vs control subjects: −1.05%; 95% CI, −1.70% to −0.40%; P < .001), and fall rate per person for 18 months (exercise group: 1.00; 95% CI, 0.76 - 1.24 vs control subjects: 1.66; 95% CI, 1.33 - 1.99; P = .002).
In both subgroups, there was a significantly effect on 10-year CHD risk, but this was not significantly different between the groups (absolute change for the exercise group: −1.96%; 95% CI, −2.69% to −1.23% vs control subjects: −1.15%; 95% CI, −1.69% to −0.62%; P = .22). During the 18-month intervention, direct healthcare costs per participant were not significantly different between the groups (exercise group: €2255; 95% CI, €1791 - €2718; vs control subjects : €2780; 95% CI, €2187 - €3372; P = .20).
 
"Compared with a general wellness program, our 18-month exercise program significantly improved BMD and fall risk, but not predicted CHD risk, in elderly women," the study authors write. "This benefit occurred at no increase in direct costs."
Limitations of this study include exercise in both groups, which may have prevented significant group differences for 10-year CHD risk; and possible crossover and inadequate blinding.
 
"This contribution extends the existing data in that a single multipurpose exercise program that is based on a low-volume, high-intensity philosophy and is designed for the elderly improves overall fitness, maintains bone health, and reduces fall risk," the study authors conclude. "Because this training regimen can be easily adopted by other institutions and health care providers, a broad implementation of this program is feasible."
 
Arch Intern Med. 2010;170:179-185. Abstract

Tot zover........
Tot zover onze nieuwsbrief van februari 2010. Het team van Hoppenbrouwers Paramedisch Centrum dankt U voor Uw bezoek en hoopt U volgende maand weer te mogen begroeten.


Medewerkers van het PMC


< Andere nieuwsbrieven