nieuwsbrief augustus 2007
> 1 januari 2008: eigen risico vervangt no-claim
> Kabinet akkoord met wet elektronisch patiëntendossier
> Markt voor oefentherapie klaar voor vrije prijzen
> Meer preventieve zorg door zorgverleners
> Komende 20 jaar sterke stijging chronische ziekten
> Eenvoudige loophulpmiddelen blijven vergoed
> Meer ouderen naar specialist en fysiotherapeut
> CBS: Meer suikerziekte bij ouderen met overgewicht
> Rotatiestoornis C1-2 als criterium bij cervicogene hoofdpijn
> Kraakbeen herstellen via eigen cellen
> Stress: Mannen rugpijn, vrouwen depressief
> Obesitas Kinderen voelen zich oké
> Innoverende behandeling voor nekhernia in Leuven
> Oefen-en trainingsprogramma’s in het PMC
> NSAIDs and Physical Therapy Effective for Superior Labral Tears
> Regular Exercise May Reduce Risk for Osteoporotic Fracture in Older Men
> Strategies for Evaluation and Treatment of Acute Low Back Pain
> Fibromyalgie behandelen met fysiotherapie en gedragstherapie
> Multidimensional Approach Recommended for Fibromyalgia Treatment
> Tot zover.........

1 januari 2008: eigen risico vervangt no-claim
Detail van polisvoorwaarden van een ziektekostenverzekeraar

Nieuwsbericht, 3 juli 2007

De no-claimregeling wordt volgend jaar vervangen door een verplicht eigen risico van 150 euro per jaar. Minister Klink heeft vandaag het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd.
In de nieuwe regeling worden chronisch zieken en gehandicapten financieel gecompenseerd. Deze groep wordt geselecteerd door te kijken naar specifiek medicijngebruik bij bepaalde aandoeningen. Eerder dit jaar stemde de ministerraad al in met de wetswijziging.

Het verplicht eigen risico geldt, net als de no-claim, alleen voor verzekerden van 18 jaar en ouder. De zorg die nu buiten de no-claim valt (zoals consult bij de huisarts of verloskundige), valt ook niet onder het eigen risico.

Gevolgen verplicht eigen risico
In de vragen en antwoorden op deze site staan de gevolgen van de wetswijziging op een rij. Deze informatie is bedoeld voor alle verzekerden. Ook is er een aparte rubriek voor chronisch zieken en gehandicapten.
 
Geldt het verplichte eigen risico voor alle medische zorg? Ook bijvoorbeeld voor een bezoek aan mijn huisarts?

Nee, sommige zorgvormen tellen niet mee voor het verplichte eigen risico. Kosten voor een bezoek aan een huisarts worden niet meegerekend. Dat geldt ook voor verloskundige zorg en kraamzorg. Verder geldt het verplichte eigen risico niet voor zorgkosten voor kinderen onder de achttien jaar.
Alle overige zorg waarvoor u op grond van de Zorgverzekeringswet bent verzekerd, valt wel onder het verplichte eigen risico. Denk bijvoorbeeld aan geneesmiddelen, medische hulpmiddelen of ziekenhuisbezoek.

Het wetsvoorstel wordt na het zomerreces behandeld in de Tweede Kamer en daarna in de Eerste Kamer.

Kabinet akkoord met wet elektronisch patiëntendossier
Jongen met moeder bij de huisarts. Dossier is op de pc te zien.

Nieuwsbericht, 6 juli 2007

De ministerraad heeft op voorstel van minister Klink ingestemd met het wetsvoorstel voor een landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD).
Dit dossier is belangrijk om de veiligheid in de zorg te verbeteren. Fouten met medicatie kunnen zo beter worden vermeden. Dat leidt tot minder onnodige ziekenhuisopnames en minder ernstige incidenten.
Het wetsvoorstel schept de kaders voor het EPD. Het regelt onder andere de verplichting voor zorgaanbieders om aan te sluiten op het EPD en de eisen waaraan de beveiliging moet voldoen. Ook de rechten van patiënten inclusief de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen deelname aan het EPD, staan in het wetsvoorstel.

Er wordt gestart met de invoering van het waarneemdossier huisartsen en het elektronisch medicatiedossier. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vervolgens geregeld welke zorgaanbieders en beroepsbeoefenaren wanneer en hoe de gegevens van hun cliënten aan het EPD toevoegen.
Het wetsvoorstel, dat in het coalitieakkoord is aangekondigd, zal naar verwachting op 1 januari 2009 in werking treden.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Markt voor oefentherapie klaar voor vrije prijzen

De NZa adviseert de minister van VWS om de markt voor oefentherapie per 1-1-2008 vrij te geven. Vrije prijsvorming leidt tot voordelen voor de consument op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. In de huidige situatie worden verzekeraars nauwelijks gestimuleerd om goede zorg in te kopen en te investeren in kwaliteit. Vrije prijsvorming leidt volgens de analyse van de NZa tot betere resultaten voor de consument. Het advies staat in het visiedocument 'Vrije prijsvorming oefentherapie' dat de NZa vandaag publiceert.

Om te bepalen of de markt voor oefentherapie klaar is voor vrije prijsvorming toetst de NZa de mate waarin het consumentenbelang geborgd is. Uit die analyse blijkt dat er voldoende aanbieders op de markt zijn om uit te kiezen en dat er geen drempels zijn voor nieuwe toetreders. Verzekeraars hebben een goede onderhandelingspositie doordat zij uit voldoende aanbieders kunnen kiezen bij het sluiten van contracten. Het risico op stijgende prijzen is daardoor beperkt.

De kwaliteit van de geleverde zorg door oefentherapeuten voldoet aan de eisen. Voor een goede werking van de markt is wel van belang dat de kwaliteitsverschillen tussen aanbieders inzichtelijk worden. Inkopers van zorg kunnen momenteel niet kiezen op basis van prestaties op het gebied van kwaliteit. Verzekeraars kopen daardoor alleen in op basis van prijsverschillen en consumenten kunnen niet kiezen op basis van kwaliteit. Prestatie-indicatoren kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren. De NZa neemt samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) de regie om hier samen met de betrokken marktpartijen invulling aan te geven.

Het advies sluit nauw aan bij het advies van de NZa om de markt voor fysiotherapie definitief vrij te geven. Ook op die markt is de consument gebaat bij vrije prijzen en zorgt het voor meer dynamiek. Als beide markten worden vrijgegeven kunnen fysiotherapeuten en oefentherapeuten met elkaar concurreren op basis van gelijke voorwaarden omdat een deel van de door hen aangeboden producten elkaar overlappen.

Het consultatiedocumenten 'Vrije prijsvorming oefentherapie' is voor inbreng aan de betrokken stakeholders voorgelegd. Mede op basis van de reacties is het document door de NZa uitgewerkt in een visiedocument met een advies over de mogelijkheid van vrije prijsvorming. De NZa onderzoekt voor alle vrije beroepen de mogelijkheid tot vrije prijsvorming. Dit gebeurt in aparte consultatiedocumenten.

Bron: NZa

Meer preventieve zorg door zorgverleners
 

Bron(nen): CVZ ,19 juli 2007


Preventieve behandelingen bij mensen met een hoog risico op ziekte behoren tot de verzekerde zorg in het basispakket. Zorgverzekeraars en zorgverleners kunnen meer aan preventie doen door de mogelijkheden in de Zorgverzekeringswet en AWBZ beter te benutten. Door te voorkomen dat mensen ongezond leven, verbetert hun welzijn en ontstaat er minder gezondheidsschade. Dit staat in het rapport Van preventie verzekerd dat het College voor zorgverzekeringen (CVZ) vandaag aan de minister van VWS aanbiedt.

In Nederland is met preventie veel gezondheidswinst te behalen. In het rapport ‘Van preventie verzekerd’ beantwoordt het CVZ de vraag welke rol de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de AWBZ hierbij spelen. Het CVZ vindt dat er sprake is van verzekerde preventieve zorg bij de behandeling van een hoog risico op ziekte. Preventieve zorg in de vorm van gedrags- en leefstijlverandering - gericht op individuen met een hoog risico op ziekte – maakt daarom in principe deel uit van de verzekerde zorg.

Het CVZ constateert dat de Zvw en de AWBZ voldoende mogelijkheden bieden om vormen van preventie aan te bieden, maar dat er in de praktijk minder gebeurt dan de wet en regelgeving mogelijk maakt. De standaarden en richtlijnen van zorgverleners bevatten in toenemende mate preventieve aspecten. Desondanks blijkt in de praktijk dat zorgverleners in veel gevallen minder aan preventie doen dan hun standaarden en richtlijnen voorschrijven.

Voorbeelden van preventieve zorg zijn de behandeling van verhoogde bloeddruk en verhoogd cholesterol om hart- en vaatziekten te bestrijden. Ook zorg in de vorm van gedrags- of leefstijlverandering gericht op individuen met een hoog risico op ziekten vallen onder de verzekerde zorg als bewezen is dat zij de kans op ziekte verminderen.
Om duidelijk te maken welke concrete zorgvormen nu verzekerd zijn, brengt het CVZ vijf vervolgrapportages uit over: 1) de zorg in verband met roken, 2) schadelijk alcohol gebruik, 3) overgewicht, 4) diabetes en 5) depressie. In deze rapporten verduidelijkt het CVZ welke zorg verzekerd is. De eerste rapportage - over de zorg bij stoppen met roken - verschijnt in het najaar van 2007.

Bij het vaststellen of de preventieve zorg tot het basispakket behoort, gelden de volgende voorwaarden:
• de verzekerde heeft een ziekte of een hoog risico op ziekte;
• de verzekerde is redelijkerwijs aangewezen op preventie;
• de preventieve zorg moet bewezen effectief en doelmatig zijn, dat wil zeggen ‘voldoen aan de huidige stand van de wetenschap en praktijk’.

Het CVZ vindt dat het ministerie van VWS en de gemeenten hoge prioriteit moeten geven aan het opsporen en toeleiden naar de zorg van groepen mensen met een hoog risico op ziekte. Omdat de Zorgverzekeringswet zich primair richt op individuele zorg, maakt het actief benaderen van deze (sub)groepen van de bevolking namelijk geen onderdeel uit van de Zorgverzekeringswet.
De kosten die gepaard gaan met het aanbieden van meer preventie zijn nu nog niet goed voorspelbaar. In de vijf vervolgrapportages zal het CVZ per thema aangeven wat het kost om specifieke zorgvormen vanuit de Zorgverzekeringswet en AWBZ te vergoeden.

Komende 20 jaar sterke stijging chronische ziekten
 
 
Het aantal mensen met een chronische ziekte zal de komende 20 jaar flink toenemen. Grotendeels komt dit door de vergrijzing van de bevolking, maar ook ongezond gedrag speelt een belangrijke rol. Naar verwachting hebben in 2025 ongeveer 940.000 mensen diabetes, 1.200.000 mensen osteoporose en 540.000 mensen COPD (chronische obstructieve longziekten). Dit blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM.

Het RIVM heeft berekend hoeveel mensen in 2025 naar verwachting een bepaalde chronische ziekte zullen hebben. Deze informatie geeft inzicht in de toekomstige vraag naar gezondheidszorg en benadrukt de noodzaak van preventie. De berekeningen zijn gemaakt met het Chronisch Ziekten Model. Het Chronisch Ziekten Model simuleert het beloop van ziekten in de algemene bevolking. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met ziektetrends uit het verleden, veranderingen in ongezond gedrag en toekomstige demografische ontwikkelingen.

Diabetes
Het aantal mensen met diabetes (suikerziekte) stijgt met ruim 70% naar 940.000 in 2025. Dit is het geval wanneer de huidige stijging in het aantal mensen met overgewicht in hetzelfde tempo doorzet. Wanneer de stijging in overgewicht verder toeneemt, kan dit aantal zelfs boven het miljoen uitkomen. Naast vergrijzing, is de toename in het aantal mensen met overgewicht een belangrijke factor in de toekomstige stijging van het aantal diabeten.

Osteoporose
Osteoporose is een ziekte waarbij het skelet brozer wordt. De ziekte komt vooral bij ouderen voor. Het aantal personen met osteoporose zal naar verwachting stijgen van 850.000 in 2005 tot ongeveer 1.200.000 in 2025. Dit is een toename van 40%. De belangrijkste reden voor deze toename zit vooral in de vergrijzing. In 2025 is naar verwachting één op de vijf Nederlanders 65+, in 2005 was dit één op de zeven Nederlanders.

Rookgerelateerde ziekten
Ziekten die sterk met roken samenhangen (zoals longkanker en COPD) zullen bij mannen minder sterk toenemen dan in het verleden. Bij vrouwen nemen ze juist sterker toe. Dit komt omdat mannen de afgelopen decennia minder zijn gaan roken, en vrouwen juist meer zijn gaan roken. Voor COPD (chronische obstructieve longziekten) wordt bij mannen een stijging met 12% verwacht (35.000 extra gevallen) en bij vrouwen een stijging met ruim 30% (52.000 extra gevallen). Het absolute aantal COPD patiënten onder mannen zal echter groter blijven bij mannen dan bij vrouwen (ruim 300.000 tegenover ruim 200.000).
 
Bron : Zorgkrant
 
 

Eenvoudige loophulpmiddelen blijven vergoed
Bejaarde vrouw loopt achter rollator
 
Nieuwsbericht, 11 juli 2007

Minister Klink is vooralsnog niet van plan rollators en andere mobiliteitshulpmiddelen uit het basispakket te halen. Dat schrijft hij vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) adviseerde de minister eerder eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen uit het basispakket te schrappen. Dit zou een besparing van 10 miljoen euro opleveren. Maar Klink ziet onvoldoende aanleiding om de vergoeding van deze middelen te schrappen of te beperken.

De andere aanbevelingen van het CVZ (alle middelen tegen erectiestoornissen uit het basispakket, beperkte vergoeding benzodiazepinen) neemt minister Klink over. De wijzigingen gaan in per 1 januari 2009. Tot die tijd kan het CVZ de inhoud van het basispakket nader tegen het licht houden.

Meer ouderen naar specialist en fysiotherapeut
 

Bron(nen): CBS


In de afgelopen tien jaar bezochten meer ouderen (50 tot 80 jaar) de specialist of de fysiotherapeut. De huisarts werd daarentegen iets minder geconsulteerd. Oudere vrouwen doen meer een beroep op medische zorg dan mannen.

Meer dan de helft naar de specialist
In 2006 consulteerde 54 procent van de 50-80 jarigen ten minste een keer per jaar een medisch specialist. Dat is meer dan in 1997, toen 50 procent dat deed. De toename zit vooral bij de oudere vrouwen. Het aandeel van hen dat de specialist bezocht steeg van 50 procent in 1997 naar 57 procent in 2006. Het gemiddelde aantal contacten van ouderen met de specialist nam ook toe, van 2,4 in 1997 tot 2,8 in 2006.

Een kwart van de ouderen naar de fysiotherapeut
Het aandeel ouderen dat minstens een keer per jaar naar de fysiotherapeut ging, steeg van 21 procent in 1997 naar 24 procent in 2006. Oudere vrouwen gaan meer naar de fysiotherapeut dan mannen. Vorig jaar bezocht 28 procent van de 50-80-jarige vrouwen de fysio. Bij de mannen was dat 19 procent.
Ook het aantal contacten met de fysiotherapeut nam toe, Vooral bij de oudere mannen steeg het fors, van gemiddeld 2,6 bezoeken in 1997 naar 3,4 in 2006.

Acht op de tien ouderen naar de huisarts
In 2006 ging 80 procent van de 50-80-jarigen ten minste een keer naar de huisarts. Dat is iets minder dan tien jaar geleden. Vooral oudere vrouwen gingen minder naar de huisarts. In 1997 ging van hen 87 procent naar de huisarts, tegen 83 procent in 2006.
Ook nam het gemiddelde aantal huisartscontacten van oudere vrouwen af van 6,2 in 1997 tot 5,4 in 2006. Bij de mannen steeg dit juist van 3,9 naar 4,4.




Publicatie datum: 11-07-2007

CBS: Meer suikerziekte bij ouderen met overgewicht
 

Bron(nen): CBS


Ruim 4 procent van de Nederlanders van 20 jaar of ouder heeft suikerziekte. Suikerziekte komt het meest voor bij oudere mensen die bovendien veel te zwaar zijn.

 
Leeftijd en gewicht verhogen kans
 
Gemiddeld over de periode 2004–2006 had 4,4 procent van de 20-plussers suikerziekte. Hierbij speelt (over)gewicht een duidelijke rol. Van de mensen zonder overgewicht had 2,2 procent diabetes, van de mensen met ernstig overgewicht was dat maar liefst 12,3 procent.
Het aandeel diabetespatiënten loopt ook sterk op met de leeftijd: van de mensen tussen de 20 en 40 jaar had 0,6 procent suikerziekte, van de 60-plussers 11,4 procent. Ouderen die ook nog met ernstig overgewicht te kampen hebben, lopen het grootste risico op suikerziekte (23 procent).
 


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Suikerziekte naar leeftijd en (over)gewicht), 2004 - 2006 bron: CBS

Hoger risico voor mannen

Suikerziekte komt iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Dit geslachtsverschil treedt alleen op voor personen met matig en ernstig overgewicht vanaf middelbare leeftijd. Op latere leeftijd verdwijnt het verschil weer.

Stijging vooral bij ouderen

Sinds het begin van de jaren negentig is het percentage diabetespatiënten bijna verdubbeld. De toename is niet voor alle groepen even sterk geweest. Zo is het percentage diabetespatiënten van 20–39 jaar nagenoeg gelijk gebleven. De stijging zit vooral in de groep mensen met ernstig overgewicht, in het bijzonder de ouderen. Het percentage zwaarlijvige ouderen met suikerziekte is sinds 1989–1991 bijna verdrievoudigd.

Een mogelijke verklaring voor de sterke toename van het aantal diabetespatiënten is de grotere aandacht voor suikerziekte en overgewicht in de wetenschap en de media van de laatste jaren. Tegenwoordig is meer bekend over de risicofactoren en worden vooral de risicogroepen eerder getest op suikerziekte.




Publicatie datum: 5-07-2007

Rotatiestoornis C1-2 als criterium bij cervicogene hoofdpijn
 


In "Manual Therapy" van augustus 2007 publiceren Ogince en collegae de diagnostische waarden van de flexie-rotatie C1-2 test bij personen met cervicogene hoofdpijn. De test, rotatie van C1-2 in maximale flexie van de CWK, is onderzocht in 3 groepen personen:

  • a-symptomatisch
  • migraine
  • C1-2 gerelateerde cervicogene hoofdpijn.

    De rotatiemobiliteit C1-2 was significant minder bij groep met cervicogene hoofdpijn, ook na correctie voor leeftijd en geslacht. Er was een sensitiviteit van 91% en een specificiteit van 90%. Echter belangrijker voor de dagelijkse praktijk zijn de positief en negatief voorspelbare waarden, deze waren respectievelijk 86% en 94%. Dit betekent dat de kans dat een persoon cervicogene hoofdpijn heeft bij een positieve flexie-rotatie C1-2 test 86% is, en dat de kans 94% is dat de persoon geen cervicogene hoofdpijn heeft bij een negatieve flexie-rotatie C1-2 test.

    Uit verdere analyse bleek dat het afkappunt voor een beperkte rotatie C1-2 lag op 32°. Dit betekent dat de flexie-rotatie C1-2 test als positief gelabeld wordt vanaf 32°.

    De auteurs hebben ook gekeken naar het verband tussen de ernst van de cervicogene hoofdpijn en de mate van C1-2 rotatie beperking. Er bleek geen significant verband, waaruit kan worden afgeleidt dat een grotere beperking geen relatie heeft met de ernst van de hoofdpijn.

    Vanuit deze studie wordt geadviseerd om de rotatie mobiliteit C1-2 test als differentiaal diagnostische criterium voor cervicogene hoofdpijn op te nemen in het lichamelijk onderzoek.

    Door: Edwin de Raaij
    Bron: Manual Therapy

Ter informatie : cervicogene hoofdpijn is hoofdpijn die zijn oorsprong heeft in de nek.


Kraakbeen herstellen via eigen cellen

 Ernstig kraakbeenletsel knie
 
Promotie: Kraakbeendefecten herstellen via eigen cellen
Bron(nen): UMC Utrecht


Een traumatisch kraakbeendefect, bijvoorbeeld door een op het voetbalveld verdraaide knie, kan het beste zo snel mogelijk via kraakbeenvormende cellen uit de eigen knie hersteld worden. Dat concludeert orthopedisch chirurg i.o. Kiem Gie Auw Yang in zijn promotieonderzoek dat hij uitvoerde aan het UMC Utrecht.

Kraakbeendefecten in knieën zijn goed te herstellen via de implantatie van lichaamseigen kraakbeenvormende cellen. Deze cellen worden uit de knie gehaald, buiten het lichaam opgekweekt en weer teruggezet (dit proces heet autologe chondrocyten implantatie of ACI). Deze techniek leidt tot microscopisch beter regeneratieweefsel en is even veilig als de huidige standaardbehandeling waarbij kleine gaatjes in het onderliggende bot geboord worden zodat het beenmerg het kraakbeen kan herstellen (microfracturing). Dit concludeerde Auw Yang samen met collega’s van de universiteit van Leuven in een klinische trial die in meerdere Europese centra uitgevoerd werd.

Bij de toepassing van ACI is het van belang om kraakbeendefecten zo snel mogelijk na het ontstaan te behandelen. In een beschadigd gewricht, waar een patiënt al weken of maanden mee rondloopt, lijkt het kraakbeenherstellend vermogen van de cellen namelijk sterk afgenomen en wordt het gewrichtsmilieu ongunstig beïnvloed. Auw Yang toonde dit aan door kraakbeenvormende cellen uit artrotische en gezonde knieën met elkaar te vergelijken en de invloed van gewrichtsvloeistof op kraakbeenregeneratie te onderzoeken.

Bij langer bestaande kraakbeendefecten lijkt het daarom beter eerst het gewrichtsmilieu te herstellen. Om die reden heeft Auw Yang de effectiviteit van een nieuwe ontstekings­remmer, die gemaakt wordt uit bewerkt bloed van de patiënten, onderzocht. Hij injecteerde 167 patiënten met knie-artrose met de ontstekingsremmer of een placebo. Hoewel de behandelde patiënten significant minder pijnklachten hadden en verhoogde activiteit rapporteerden dan controlepersonen, lijkt deze verbetering voorlopig niet klinisch relevant. Op de lange termijn ziet Auw Yang wel toekomst voor deze benadering.



Publicatie datum: 12-07-2007

Stress: Mannen rugpijn, vrouwen depressief
 
 07 juli 2007

Stress op het werk bezorgt mannen een pijnlijke rug en vrouwen worden depressief.

Onderzoekers aan de universiteit van Gent ontdekten dat mannen en vrouwen anders reageren op stress. De precieze reden daarvoor moet nog worden onderzocht.

Voor het onderzoek werden 2800 mensen uit in allerlei sectoren ondervraagd. „Het maakt niet uit wat voor werk je doet. Kamerleden en arbeiders reageren op dezelfde manier op stress”, zegt Els Clays, een van de onderzoekers.

Het cliché dat mensen hun werk mee naar huis nemen, klopt. „Mensen die zeiden last te hebben van stress op het werk, bleken ook een te hoge bloeddruk te hebben, die 's nachts ook hoog bleef”, aldus Clays.

Bron: Telegraaf

Obesitas Kinderen voelen zich oké
Geen leukere manier om meer te bewegen en af te vallen dan een lekker partijtje springen op de megatrampoline van het Paramedisch Centrum in Roosendaal. foto Robert van den Berge/het fotoburo
 
Obesitas Kinderen voelen zich oké
door Monique Meeuwisse



11 juli 2007 - ROOSENDAAL
 
Overgewicht bij kinderen is wereldwijd een groeiend probleem. Daarom sloegen begin dit jaar verschillende fysiotherapiepraktijken, diëtisten, GGD's en thuiszorg West-Brabant samen met opvoedkundigen, psychologen, artsen en zorgverzekeraars de handen ineen om dit probleem aan te pakken.


Het hieruit voortgekomen Projectplan O.K. is zo goed aangeslagen dat al heel wat kinderen zich hebben aangesloten bij de club O.K. en via een gedragstherapeutisch programma zijn gaan werken aan hun overgewicht.

O.K. is de afkorting van Obesitas Kinderen maar betekent nu gewoon oké. Want de kinderen die met behulp van dit project aan hun gezondheid en gewicht werken, voelen zich oké en zijn oké. De kinderen zijn in de eerste vier maanden van het project al heel wat kilo's kwijtgeraakt, hebben meer zelfvertrouwen gekregen en zijn beweeglijker geworden.

Nel en Cees Versteeg uit Willemstad hebben hun 11-jarige dochter Sinsy op advies van de schoolarts voor het project aangemeld bij fysiotherapiepraktijk Van Zuilichem en Partners. "Onze dochter heeft door schildklierproblemen een overgewicht van ongeveer twintig kilo. Wij zijn erg trots op haar dat ze aan dit programma wil meedoen. Ze is nu al vier kilo kwijt en dat is veel, aangezien ze nog in de groei is. In omvang is ze maar liefst 22 centimeter kwijt. Ze kan nu een maatje kleiner aan en dan is er natuurlijk veel leukere kleding te koop."

De ouders vertellen dat Sinsy zelf ook met veel plezier naar de O.K.-club gaat. ,,Ze maakt gelukkig nooit echt een probleem van haar overgewicht, maar ze kan nu toch beter mee met de andere kinderen. Ze doet nu extra veel aan sport en bewegen en heeft een ander eetpatroon gekregen. Ze was al bij vier diëtistes geweest, maar pas nu zet het bewuster eten zoden aan de dijk. In feite mag ze gewoon alles eten, want ze at al best gezond. Alleen een beetje minder, een soort Sonja Bakkeren."

Kitty Mol uit Stampersgat heeft haar dochter Milou (9) bij dezelfde fysiotherapiepraktijk opgegeven voor O.K. "Milou was maar een kilo of zeven te zwaar. Als ze echter zo door zou gaan, ben ik bang dat het er twintig zouden worden. Dit is een goed opgezet project. Heel goed vond ik de supermarktsessies, waarbij de kinderen onder andere proefondervindelijk kaas mochten kiezen. Daar kwamen de meeste kinderen tot de ontdekking dat pittige 20 plus- kaas gewoon de lekkerste is."

Mol legt uit dat ze zelf van de sessie leerde om vooral goed op de etiketten van producten te letten. ,,Niet alle surrogaatsuikers blijken even gezond en muesli is weer minder calorierijk dan cruesli. En chocolade rice pops kunnen best als ontbijt. Dan kunnen de kinderen toch een keertje van chocolade genieten."

De 12-jarige Jeffrey Pijs van dezelfde O.K.-club voelt zich prima thuis in de groep: "Hier komen allemaal kinderen met hetzelfde probleem. Op school speel ik meestal alleen met iemand die net zo dik is als ik. Van de rest trekken we ons niets aan, hoor. Maar toch ben ik blij dat ik nu al zes kilo kwijt ben, want ik kan nu veel sneller lopen."

Jeffrey vindt het geweldig dat hij nu met gelijkgezinden kan tafeltennissen. Hij zegt ook veel geleerd te hebben omtrent zijn eetgewoontes: "Ik eet nu veel minder en probeer steeds de calorieën te tellen. Als ik honger krijg, zoek ik gewoon afleiding."

De 11-jarige Sanne Apon uit Nieuw-Vossemeer vindt het heerlijk om twee keer per week naar Roosendaal te komen om te sporten. Ze is al tweeëneenhalve kilo kwijt. "Ik beweeg meer, maar mag nog steeds drie boterhammen eten met pindakaas of worst. Eigenlijk zou ik wel meer sla moeten eten, maar dat vind ik niet zo lekker. Daarom eet ik maar worteltjes."

Sportinstructeur Remco Veraart, die ook het tafeltennissen begeleidt, meent dat er veel vooruitgang te zien valt in de groep: "Je ziet gewoonweg de lichaamsbouw veranderen en de conditie verbeteren. Ik hoop dat ook andere kinderen gestimuleerd worden iets aan hun overgewicht te doen. Want je ziet dat dit project tot resultaten leidt." Kinderfysiotherapeut Yvonne Schippers van Hoppenbrouwers Paramedisch Centrum in Roosendaal legt uit dat de aangemelde kinderen in een groep geplaatst worden, die het best bij hun probleem past: "Je bekijkt of het overgewicht daadwerkelijk overgewicht is, waar het vet zit, hoe het beweegpatroon is en hoe een kind motorisch functioneert. Als kinderen namelijk het idee hebben dat iets toch niet lukt, hebben ze ook geen zin meer om mee te doen. Het is daarom fijn dat verschillende disciplines samenwerken. Het kan bijvoorbeeld zijn dat iemand in een isolement raakt, omdat hij eerder verlegen is dan te zwaar. Het afvallen op zich is ook niet het primaire doel. Wel dat kinderen beter in hun vel komen te zitten, omdat ze bewegen leuk zijn gaan vinden en anders tegenover eten zijn komen te staan."
 
Bron : BN De Stem
 

Innoverende behandeling voor nekhernia in Leuven
 
donderdag 12 juli 2007

De innoverende behandeling die het UZ Leuven sinds enkele jaren toepast bij een nekhernia wordt positief geëvalueerd. In 2000 zorgde professor Jan Goffin voor een wereldprimeur door bij patiënten met een nekhernia een kunstmatige tussenwervelschijf met schokdempende eigenschappen aan te brengen. Zowat tweehonderd patiënten kregen al zo'n prothese.

De behandeling levert betere resultaten op dan de klassieke aanpak, waarbij halswervels aan mekaar worden vastgezet. De beschadigde tussenwervelschijf wordt hier vervangen door een stukje bot van de patiënt of kunststof. Soms wordt de constructie verstevigd met een plaatje en schroeven. Door de grotere krachten die de tussenwervelschijven te verwerken krijgen, kan hierbij echter versneld artrose ontstaan.

Pogingen om een kunstmatige tussenwervelschijf aan te brengen, bleken aanvankelijk technisch te moeilijk. Vooral het instandhouden van de beweeglijkheid van het gewricht bleek een knelpunt. De Leuvense neurochirurg Goffin maakte in 2000 voor het eerst gebruik van een zogenaamde Bryan-prothese, een kunstmatige tussenwervelschijf met schokdempende eigenschappen die in de Verenigde Staten ontwikkeld werd. Leuven is momenteel een van de referentiecentra op wereldniveau voor deze ingreep.

Bij meer dan acht op de tien behandelde patiënten is de beweeglijkheid vier tot zes jaar na de ingreep nog steeds optimaal. Dat is beter dan de klassieke behandeling, waarbij één op de drie patiënten binnen de acht jaar na de operatie opnieuw klachten heeft. Eén op de tien moet zelfs een tweede operatie ondergaan. De operatietechniek en criteria voor patiënten die in aanmerking komen voor een kunstmatige tussenwervelschijf worden nog steeds verfijnd.

Bron: DeMorgen

Oefen-en trainingsprogramma’s in het PMC


 

 


Het PMC biedt vele mogelijkheden voor oefenen en training, zowel individueel als in groepsverband.

In groepsverband worden specifiek gericht op bepaalde klachtenbeelden de volgende programma’s aangeboden : 





  •  Lage rugklachten / rugscholing
  •  Osteoporose (botontkalking)
  •  Nekklachten/ nekscholing
  •  Heupklachten
  •  Reuma (oefengroepen en reumazwemmen/oefenen in verwarmd water)
  •  Bechterew (oefengroepen en oefenen in verwarmd water)
  •  Obesitas (overgewicht) volwassenen
  •  Obesitas bij kinderen (O.K.! project)
  •  Diabetes
  •  Mensendieck


Voor bovenstaande klachtenbeelden zijn er ook individuele programma’s en daarnaast ook voor:

  •  Claudicatio intermittens of etalageziekte
  •  CRPS of reflexdystrofie
  •  Wervelkolomstenose
  •  Hernia
  •  Wervelkolominstabiliteit
  •  Bekkeninstabiliteit
  •  Duizeligheid
  •  Kinderen met motorische achterstand


Als er een medische indicatie is wordt het oefen- of trainingsprogramma in bijna alle gevallen vanuit de aanvullende verzekering vergoed. Als er sprake is van een chronische indicatie, dan wordt het vergoed vanuit de basisverzekering, behalve de eerste 9 keer, welke onder de aanvullende verzekering vallen. Is uw aandoening chronisch? Klik op de volgende link voor meer informatie :
 Is uw aandoening chronisch ?
Behandeling van kinderen valt onder de basisverzekering met een maximum van 18 keer. Daarna valt het onder de aanvullende verzekering. Indien de aandoening chronisch is valt het altijd onder de basisverzekering.

Wenst u meer informatie? Bel :  0165 559261 of mail naar : info@pmc-roosendaal.nl

 






NSAIDs and Physical Therapy Effective for Superior Labral Tears

 


Laird Harrison


July 13, 2007 (Calgary) –– Treating superior labral tears (superior labrum anterior posterior tears [SLAPs]) with physical therapy and nonsteroidal anti-inflammatory drugs (NSAIDs) was as effective as surgery in a long-term study reported at the American Orthopaedic Society for Sports Medicine (AOSSM) 2007 Annual Meeting here.

Physicians are more likely to recommend nonoperative treatment based on these results, Jeffrey R. Dugas, MD, an orthopedic surgeon with Andrews Sports Medicine and Orthopaedic Center in Birmingham, Alabama, and the session comoderator, told Medscape. "It will change the way physicians practice."

SLAPs are injuries to the top part of the cartilage that stabilizes the shoulder joint. They can occur as a result of acute trauma, such as a fall, or as a result of repetitive motion, such as pitching a baseball. Previous research has shown surgery to be effective in up to 87% of patients, said lead researcher Sara Edwards, MD, an Oakland, California, orthopedic surgeon, in her presentation. Dr. Edwards worked with researchers at Columbia University on this retrospective study.

The research group identified 45 patients with clinically documented SLAP lesions. To qualify for the study, these patients had to have positive O'Brien's tests and provocative biceps tests with at least 1 year of follow-up data available.

The patients were all recreational, rather than professional, athletes and participated in a wide variety of sports.
Of the 45 patients, 26 chose surgery and 19 elected to remain on a treatment that involved varying dosages and types of NSAIDs and physical therapy. The physical therapy consisted of scapular stabilization exercises, isometric tension band training, and posterior capsular stretching.

After an average of 3.12 years, patients showed significant improvement compared to pretreatment by a variety of measures: on the American Shoulder and Elbow Surgeons scale, a measure of functional ability, scores improved from 58.5 to 85.9 (P = .001); on the Simple Shoulder Test, another functional scale, scores improved from 8.3 to 11.1 (P = .02); Euroqual scores, a measure of quality of life, improved from 0.76 to 0.90 (P = .009); visual analog scale scores, a measure of pain intensity, decreased from 4.5 to 2.0 (P = .043); and 18 of the 19 patients were able to resume their chosen sport.

When Dr. Edwards and colleagues compared these results to those of the 26 patients who had surgery, they found no statistical differences in either pain relief or functional improvement.
"The point of this study is that nonoperative treatment is successful in a certain percentage of patients," Dr. Edwards told Medscape. "Based on this I would suggest a trial of conservative treatment."
Most physicians who treat SLAPs do already recommend that their patients try nonoperative treatments first, Dr. Edwards said, "but it's possible that not all physicians are doing that."
She also acknowledged that there has been little or no research measuring what happens when patients are not treated at all, and thus it is not clear how much of the improvement patients experience might occur in the absence of physical therapy, medication, or surgery.

Despite this flaw, the study won the AOSSM's Aircast Award for Clinical Science. "It was a very well organized, well-done study," said Dr. Dugas.
However, he cautioned that the results could not be applied to athletes who specialize in throwing. Six of the 19 patients in the nonoperative group and 4 of the 26 patients in the operative group participated in softball or baseball.

Although a randomized, prospective study would provide more solid evidence, Dr. Dugas said such a trial is unlikely because patients want to be treated and are unlikely to agree to be randomly assigned to a control group.
 

American Orthopaedic Society for Sports Medicine 31st Annual Meeting. Presented July 12, 2007.
 
  • Ter informatie : Wat is het labrum en wat is een SLAP laesie ?

    Labrum :

    Het schoudergewricht is het gewricht tussen de kop van de bovenarm (humerus) en de kom van het schouderblad (glenoïd). Daarom wordt dit het glenohumerale gewricht genoemd. De kop van de bovenarm is groot en te groot voor de kleinere vlakke en ondiepe kom ( zie tekening boven). Om een goed passende en voldoende diepe kom te krijgen, ligt er om de kom een rand van zacht, kraakbeenachtig materiaal. Deze rand is het labrum en verdiept de kom tot wel 50%. Zo wordt er toch een mooi passende kom gevormd voor de humeruskop. Verder dient het labrum als aanhechtingsplaats voor ligamenten. Ook de lange kop van de biceps die aan de bovenkant van het glenoïd vasthecht (bicepsanker) heeft verbindingen met de bovenkant (superior deel) van het labrum.
 



Wat veroorzaakt een scheur (laesie) van het labrum?

De meeste labrum scheuren zijn vaak het resultaat van een trauma aan de schouder. Voorbeelden van een trauma zijn:

  • Vallen op een uitgestrekte arm
  • Directe klap tegen de schouder
  • Plotselinge ruk aan de schouder, zoals het optillen van een zwaar voorwerp
  • Krachtige reiken boven schouderhoogte, zoals het proberen te stoppen van een val of bij uitglijden
  • Ontwikkeling van te grote beweeglijkheid richting exorotatie en daardoor stress op lig. glenohumerale inferior (volleybal, tennis, honkbal, zwemmen)
  • Plotselinge felle bicepscontractie (avulsieruptuur van het labrum pars anterior superior);
  • Herhaalde excentrische contractie van de biceps (deceleratieworp, degeneratie);
  • Krachtige inklemming (impingement) tussen kop en rand glenoid;
  • Herhaalde bovenhandse activiteit bij aanwezigheid van een vergrote translatie (tractie bicepspees);
  • SLAP-laesies (Superior Labrum Anterior Posterior-laesie) a.g.v. compressie b.v. bij val op gestrekte arm of door het losscheuren van de aanhechting van de lange kop van de biceps ( b.v. als er hard aan de arm wordt getrokken terwijl de arm hoog is bijvoorbeeld wanneer men bij een val van de trap zich met de hand aan de leuning vast gehouden heeft en de val zo heeft proberen op te vangen met de arm.
 

De belangrijkste symptomen zijn:
  • Pijn, meestal bij bewegingen boven het hoofd en geeft een klemmend, luxerend of knappend gevoel
  • Soms nachtelijke pijn of pijn gedurende dagelijkse activiteiten
  • Een gevoel van instabiliteit in de schouder
  • Verminderde bewegingsuitslagen
  • Krachtsverlies


Regular Exercise May Reduce Risk for Osteoporotic Fracture in Older Men
 
 

News Author: Laurie Barclay, MD
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd


June 25, 2007 — Regular exercise reduces the risk for osteoporotic fracture in older men, according to the results of a longitudinal, population-based study published in the June issue of PLoS Medicine.

"Data from previous studies are inconsistent, and it is therefore uncertain whether, to what extent, and at what level leisure physical activity influences the risk of osteoporotic fractures in men," write Karl Michaëlsson from the University Hospital in Uppsala, Sweden, and colleagues. "We therefore investigated the impact of physical activity on the risk of fracture in a population-based cohort of men followed over a 35-y period."

The study cohort consisted of 2205 men, aged 49 to 51 years at enrollment, who were followed up for 35 years. Leisure physical activity and other lifestyle habits were determined at enrollment and at ages 60, 70, 77, and 82 years. The investigators used Cox's proportional hazards regression to determine hazard ratios (HRs) of fracture associated with time-dependent physical activity habits and covariates.

During follow-up, 482 men had at least 1 fracture. Compared with men who participated in regular sports activities for at least 3 hours/week, men with a sedentary lifestyle or men who walked or bicycled only for pleasure had an increased adjusted risk for hip fracture (HR, 2.56; 95% confidence interval [CI], 1.55 - 4.24; and HR, 1.61; 95% CI, 1.10 - 2.36, respectively).
At the end of follow-up, hip fracture had occurred in 8.4% of men with a high level of physical activity, 13.3% of men with a medium level of physical activity, and 20.5% of men with a low level of physical activity. Based on estimates of population-attributable risk, one third of all hip fractures could be prevented by participation in regular sports activities. High level of activity was also associated with decreased overall fracture risk.

"Our data indicate that regular sports activities can reduce the risk of fractures in older men," the authors write. "As expected, those who maintained a high physical activity level had the lowest risk of hip fracture, but there was also a tendency towards a lower risk of fracture for those who increased their level of activity compared with those who reduced their level of activity, or compared with those who reported constant low activity."

The Swedish Research Council supported this study. The authors have disclosed no relevant financial relationships.
In an accompanying perspective article, Harri Sievänen and Pekka Kannus from the UKK Institute in Tampere, Finland, note that the best way to prove that physical activity prevents fragility fractures would be to conduct several adequately powered randomized controlled trials. However, such trials are almost impossible to perform for methodologic reasons.
"In Michaëlsson and colleagues' study, the effective 'dose' of exercise for reducing the risk of hip fracture was readily attained by recreational sports, heavy gardening, or other activities with similar intensity performed for at least three hours per week," Sievänen and Kannus write. "This volume of exercise is relatively easy to incorporate into everyday life. It is also fortunate that it is never too late to start exercising."

Sievänen and Kannus received no specific funding for this article and have disclosed no relevant financial relationships.
PLoS Med. 2007;4:e199, e222.

Clinical Context
According to Michaëlsson and colleagues, osteoporotic fractures are a cause of morbidity and mortality in men and women worldwide but the risk factors have not been sufficiently examined in men. Physical activity can prevent fractures by improving muscle mass and balance, bone architecture and strength, and skeletal strength, thus reducing the risk for injurious falls. The effects of physical activity on fracture prevention in men have not been well studied, although benefits for women have been documented, according to these authors.
This is a longitudinal, prospective, population-based cohort study examining the association between physical activity and fracture risk in older men during 35 years of follow-up.

Study Highlights
2205 men from a cohort of 2841 men born between 1920 and 1924 living in 1 municipality of Sweden who completed a baseline questionnaire were included.
Follow-up at age 60 years was 90%; 70 years, 77%; 77 years, 68%; and 82 years, 56%, with 60% of men having died by the final evaluation.
At each of 5 visits, identical questions were asked about physical activity level.
The questions asked if patients engaged in mainly sedentary activities, physical activity for pleasure, active recreational sports or gardening for at least 3 hours weekly, and regular physical training or competitive sports.
The highest physical activity response was considered as prevailing.
The highest 2 categories were combined, as only 5% reported hard physical training.
3 categories of physical activity level were constructed: low, medium, and high.
Physical fitness was assessed by symptom-limited exercise in a subgroup of 100 men using an ergometer cycle.
The maximum exercise capacity was found to be associated with the physical activity level.
Muscle biopsy samples from the right lateralis muscle were taken in a random sample of 475 men at the third follow-up.
Compared with sedentary men, those reporting moderate activity had 14% more capillaries per muscle fiber and those with a high level of activity had 19% more capillaries per muscle fiber.
Fractures were identified by a national hospital record discharge register, and all orthopedic, radiographic, and hospital records and outpatient registers were reviewed.
Dates of death were determined by the Swedish National Population Register.
Changes in physical activity were considered from ages 50 to 60 years and correlated with risk for fractures.
Mean age at baseline was 49 years, mean weight was 78 kg, mean body mass index was 25 kg/m2, mean calcium intake was 960 mg daily, 20% were never smokers, and 50% were current smokers.
Three quarters had self-rated good health, and 85% were married.
Half the men reported a high level of physical activity.
During follow-up, 22% of men had any type of fracture and 6% had hip fractures.
The absolute risk for fracture was highest in men with a sedentary lifestyle, of whom 20.5% had a hip fracture at the end of follow-up vs 13.3% of those with a medium level of activity and 8.4% of those with a high level of physical activity.
43.6% of the men with a low level of physical activity had had any fracture vs 33.3% in the medium category and 30.2% in the high category.
Sedentary men had more than double the risk for hip fracture (HR, 2.56) and an overall adjusted fracture risk of 1.57 vs men with a high level of physical activity.
Men with a medium level of physical activity had an HR of 1.61 vs those in the high category.
38% of men reported unchanged low or medium levels of physical activity, 24% reported decreased activity from the high to low categories, 11% reported increased activity from the low to medium or high categories, and 27% had persistent high level of physical activity.
The lowest proportion of hip fractures was seen in men who maintained high levels of physical activity, and the highest proportion was among men with sustained low and medium levels of physical activity.
The HR for men with sustained low or medium levels of physical activity was 2.31 vs 1.94 for those whose levels of physical activity decreased from high to low or medium.
Those whose levels of physical activity increased from low or medium to high had an HR of 1.50 vs those with persistent high levels of physical activity.
The authors recommended that older men should increase their leisure-time levels of physical activity to reduce the risk for osteoporotic fractures.

Pearls for Practice
The risk for hip fractures is lower among older men with high vs low or medium levels of physical activity.
An increase in physical activity in older men is associated with lower risk for hip fractures vs a persistent low level of physical activity.

Strategies for Evaluation and Treatment of Acute Low Back Pain
 
 

News Author: Laurie Barclay, MD
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd


April 27, 2007 — A review published in the April 15 issue of American Family Physician discusses evaluation and treatment of acute low back pain (LBP), including drug treatment and other physical therapies.

"Acute low back pain with or without sciatica usually is self-limited and has no serious underlying pathology," writes Scott Kinkade, MD, MSPH, from the University of Texas Southwestern Medical School in Dallas. "For most patients, reassurance, pain medications, and advice to stay active are sufficient. A more thorough evaluation is required in selected patients with 'red flag' findings associated with an increased risk of cauda equina syndrome, cancer, infection, or fracture."

Patients with these "red flag" findings also require closer follow-up, with urgent referral to a surgeon in some cases. For patients with nonspecific mechanical LBP, imaging can usually be delayed for at least 4 to 6 weeks, during which time the pain usually remits to some extent.

Specific findings necessitating greater concern, more thorough workup, and closer monitoring include age older than 50 years; fevers; chills; recent urinary tract or skin infection; penetrating wound near spine; significant trauma; unrelenting night pain or pain at rest; progressive motor or sensory deficit; saddle anesthesia; bilateral sciatica or leg weakness; difficulty urinating; fecal incontinence; unexplained weight loss; history of cancer or strong suspicion for current cancer; history of osteoporosis; immunosuppression; long-term use of oral steroids or intravenous drugs; substance abuse; and failure to improve after 6 weeks of conservative therapy.

Physical examination findings may suggest specific nerve root impingements because of disk herniation at different levels. An L3-L4 disk herniation affecting the L4 nerve root is associated with sensory loss over the medial foot, weakness in knee extension (tested by squat and rise), and reduced patellar reflex.
An L4-L5 disk herniation impinging on the L5 root may be associated with sensory loss over the dorsal foot, and weakness of ankle and great toe dorsiflexion (tested by heel walking).
Signs of L5-S1 disk herniation affecting the S1 root are sensory loss over the lateral foot; weakness of plantar flexion of the ankle and toes (tested by walking on the toes), and reduced or absent Achilles reflex.

Treatments with good underlying evidence of efficacy include acetaminophen, nonsteroidal anti-inflammatory drugs (NSAIDs), skeletal muscle relaxants, heat therapy, physical therapy, and advice to stay active. Although spinal manipulative therapy may provide short-term benefits when compared with sham therapy, benefits are limited in comparison with standard treatments.
Evidence for the benefit of acupuncture is conflicting, but no benefit has been proven in higher-quality trials.
Goals of patient education should include awareness of the natural history of back pain, the overall good prognosis, and recommendations for effective treatments.

Specific clinical recommendations are as follows:

*For patients with acute LBP but no "red flag" findings or signs of cauda equina syndrome, 4 to 6 weeks of conservative care is appropriate (level C).


*In the treatment of acute, nonspecific LBP, NSAIDs, acetaminophen, and skeletal muscle relaxants are effective first-line pharmacotherapy (level A).


*In patients with acute LBP, bed rest for more than 2 to 3 days is ineffective and may actually be harmful. Patients should be educated about the importance of remaining active (level A).


*Educating patients with acute LBP about activity, aggravating factors, natural history, and expected time course for improvement may speed recovery and prevent chronic back pain (level C).


*For patients with acute LBP, specific back exercises are not helpful (level A).


*For patients with acute LBP, heat therapy may reduce pain and increase function (level B).


Spinal manipulative therapy may offer some short-term benefits for acute LBP, but it probably is no more effective than usual medical care (level B).
"There is strong evidence that several psychosocial factors correlate with the development of chronic back pain," Dr. Kinkade concludes. "However, strategies aimed at screening for and addressing these risk factors have not been well studied."
 
Bron : Medscape

Fibromyalgie behandelen met fysiotherapie en gedragstherapie
 

Fibromyalgie, ook wel bekend als wekedelenreuma, is succesvol te behandelen met een combinatie van fysiotherapie en cognitieve gedragstherapie. Patiënten ervaren na zestien sessies minder pijn en minder beperkingen. Sommigen zeggen zelfs genezen te zijn.

Dat blijkt uit een onderzoek van de Sint Maartenskliniek en het Universitair Medisch Centrum St Radboud (UMC) in Nijmegen. Fibromyalgie is vooral onder vrouwen een veel voorkomende aandoening, waarvoor echter tot nu toe geen aanwijsbare oorzaak kan worden gevonden. Patiënten hebben pijn in de weke delen rondom gewrichten, maar bloed- of röntgenonderzoek tonen geen afwijkingen aan. Toch komen sommigen zelfs in een rolstoel terecht, aldus onderzoekspsycholoog Wim van Lankveld.

Tot nu toe was de enige behandeling voor fibromyalgie oefeningen doen en medicijnen slikken, maar geen enkel medicijn had blijvend resultaat, volgens de onderzoekers. Veel patiënten kregen dan ook uiteindelijk te horen dat de pijn tussen hun oren zat en dat ze er maar mee moesten leren leven.

Van Lankveld benadrukt dat fibromyalgie geen hersenspinsel is. ,,Ook al is er geen oorzaak: de pijn die de patiënt voelt is altijd een belemmering. De gedragstherapie zorgt er voor dat mensen weer vertrouwen in hun lichaam krijgen en dat ze leren omgaan met stress. Regel één is dat we in de groep niet praten over pijn. Want dat ze pijn hebben, weet iedereen nu wel. Nu moeten ze uit de neerwaartse spiraal weer naar boven. Bij fysiotherapie leren ze dat ze best kunnen bewegen'', aldus de psycholoog.

Bron: ANP

Multidimensional Approach Recommended for Fibromyalgia Treatment
tenderpoints

News Author: Laurie Barclay, MD
CME Author: Désirée Lie, MD, MSEd


July 26, 2007 — Management of fibromyalgia requires a multidimensional approach including patient education, cognitive behavioral therapy, exercise, and other treatment, according to a review published in the July 15 issue of American Family Physician.

"Fibromyalgia is an idiopathic, chronic, nonarticular pain syndrome with generalized tender points," write Sangita Chakrabarty, MD, MSPH, and Roger Zoorob, MD, MPH, from Meharry Medical College in Nashville, Tennessee. "It is a multisystem disease characterized by sleep disturbance, fatigue, headache, morning stiffness, paresthesias, and anxiety. Nearly 2 percent of the general population in the United States suffers from fibromyalgia, with females of middle age being at increased risk."
Criteria for diagnosis of fibromyalgia are those issued by the American College of Rheumatology (ACR) in 1990. These include widespread pain with a minimum duration of 3 months and the presence of 11 or more tender points at 18 specific anatomic sites.

Conditions that should be considered in the differential diagnosis of fibromyalgia include myofascial pain syndrome, chronic fatigue syndrome, and hypothyroidism. Furthermore, these conditions may also be present in patients with fibromyalgia, which renders the diagnosis more difficult.

In recent years, recognition, understanding, and diagnosis of fibromyalgia have improved. Despite the absence of well-established treatment recommendations, the authors suggest that a multidimensional approach can be effective.

Specific treatment recommendations are as follows:

*Suggested treatment modalities include patient education, cognitive behavior therapy, exercise, physical therapy, and pharmacotherapy (level of recommendation, A, based on 5 randomized controlled trials).


*Antidepressant medications may alleviate pain and improve sleep quality and global well-being in patients with fibromyalgia (level of recommendation, B, based on few randomized controlled trials).


*Cyclobenzaprine, 10 to 30 mg at bedtime, may decrease pain and improve sleep quality in patients with fibromyalgia (level of recommendation, A, based on systematic review of randomized controlled trials).


*Aerobic exercise training may ameliorate fibromyalgia symptoms (level of recommendation, A, based on systematic review of randomized controlled trials).
Fibromyalgia treatments for which there is strong evidence of effectiveness include amitriptyline, 25 to 50 mg at bedtime; cyclobenzaprine, 10 to 30 mg at bedtime; cardiovascular aerobic conditioning exercise; cognitive behavioral therapy; multidisciplinary therapy as discussed earlier; and patient education, which may take place in a group format using lectures, written materials, and demonstrations.

Fibromyalgia treatments for which there is moderate evidence of effectiveness include the dual-reuptake inhibitors duloxetine, venlafaxine, and fluoxetine, at doses of 20 to 80 mg at bedtime, either alone or in combination with a tricyclic antidepressant. Other pharmacotherapies backed by moderate evidence of effectiveness include pregabalin and tramadol, 200 to 300 mg daily, either alone or in combination with acetaminophen.

Nonpharmacologic therapies with moderate evidence of effectiveness in fibromyalgia are acupuncture, balneotherapy, biofeedback, hypnotherapy, and strength training.
Evidence to support the use of chiropractic therapy, electrotherapy, manual and massage therapy, or ultrasonography in patients with fibromyalgia is weak. Evidence to justify the use of corticosteroids, melatonin, nonsteroidal anti-inflammatory drugs, opioids, thyroid hormone, flexibility exercises, and injections of tender or trigger points is altogether lacking.
"The effectiveness of acupuncture and biofeedback has been supported by some studies," the authors conclude. "Serum levels of substance P and serotonin were significantly elevated after acupuncture treatment, suggesting possible mechanisms in pain relief. Although their effectiveness has not been proven by controlled trials, other treatment modalities employed include chiropractic therapy, yoga, tai chi, massage therapy, magnetic therapy, and tender-point injections."


In an accompanying editorial, Christine N. Huynh, MD, from Virginia Commonwealth University School of Medicine in Richmond, and colleagues note that clinicians have often felt frustrated when faced with a patient with fibromyalgia because of the dearth of evidence and consensus.
However, this review, an earlier systematic review in 2004 of treatment options, and the 2005 consensus guidelines from the American Pain Society assist in the definition and management of fibromyalgia. The 1990 ACR diagnostic criteria are also clinically useful, with the caveat that fibromyalgia can be diagnosed even if the ACR's tender point criteria are not met, provided the history is highly suggestive.

"Now that there is an evidence- and consensus-based practical approach to the diagnosis and management of fibromyalgia, a higher quality of care can be provided to patients with this syndrome," Dr. Huynh and colleagues write. "Screening for disorders that may initiate or exacerbate symptoms of fibromyalgia is critical. If comorbid disorders are not identified early and treated appropriately, therapies that target fibromyalgia only as a primary disorder may be ineffective."
The editorial also highlights the controversy regarding the usefulness of opioids in fibromyalgia management, as well as the paucity of evidence supporting their use and the potential for opioid-induced hyperalgesia.

"As with any chronic pain syndrome, patients should be carefully selected for opioid therapy, and a plan should be in place for appropriate follow-up and monitoring for pain reduction, outcome improvement, side effects, and misuse," Dr. Huynh and colleagues conclude. "Physician awareness of effective nonpharmacologic and pharmacologic therapies can minimize ineffective prescribing and patient frustration associated with failure of therapy. As growing evidence from well-designed studies becomes available, physicians can confidently employ a practical and evidence-based approach to this once ill-defined syndrome."

Am Fam Physician. 2007;76:247-254.

Tot zover.........
Tot zover onze nieuwsbrief van augustus 2007 . Het team van Hoppenbrouwers Paramedisch Centrum bedankt U voor Uw bezoek en hoopt U volgende maand weer te mogen begroeten.
 
Medewerkers Hoppenbrouwers PMC


< Andere nieuwsbrieven